Essay

Verhalen die bijna geen verhalen zijn. Over Alice Munro

Door Max Hermens | beeld: Richie Walker
16 april 2019

In samenwerking met De Nieuwe Garde – een platform dat de krachten van de literaire, culturele en wetenschappelijke velden verenigt, en die inzet om beloftevolle schrijvers hun weg in de essayistiek te laten vinden – publiceert De Optimist met gepaste trots en groot enthousiasme ‘Verhalen die bijna geen verhalen zijn. Over Alice Munro’, een essay van Max Hermens.

Van herinneringen ophalen met oude schoolvrienden tot het lezen van het werk van schrijfster Alice Munro: Max Hermens merkt op dat sommige (grote) verhalen uit zo weinig lijken te bestaan, dat ze zich amper na laten vertellen. Het verhaal ‘Leaving Maverley’ van Alice Munro onderwerpt hij aan een nadere analyse.

Groep vier was het enige schooljaar van mijn leven dat ik een beste vriend had: Raoul. We bouwden boomhutten en richtten onze maisschieters op denkbeeldige nazi’s. Ik wees op een struik die bewoog in de wind, Raoul gooide een ronde steen en telde drie, twee, één, zijn duimen in zijn oren voor de explosie. In de klas schoten we inktvullingen naar het schoolbord, schreven onze geheimtaal in elkaars schriften. Meerdere keren per week werden we uit de les gezet, meestal tegelijkertijd. We moesten in het kantoor van de schooldirecteur nablijven. Het was een stoffig hok en we konden niets anders doen dan in stilte gekke bekken trekken. Soms mochten we iets kopiëren of nieten. In de pauzes waren er de driftbuien, die van Raoul nog erger dan die van mij. We sloegen onze vuisten huilend om ons heen, raakten nooit mensen, maar kleren en boeken en schriften, alles moest kapot.

Aan het einde van het schooljaar kwam de GGD langs en de doktoren waren het er meteen over eens: een concentratiestoornis. Dat was redelijk nieuw toen, tenminste in het dorp; mijn ouders kregen brochures mee en moesten ervoor zorgen dat het thuis rustiger werd, dat ik niet te veel prikkels kreeg. Raoul moest naar een andere school. Elke ochtend kwam een wit busje hem ophalen. Naast hem zaten kinderen die snot tegen de ramen smeerden. Een paar maanden later verhuisde het gezin van Raoul naar het noorden van het land, waarom wist ik niet of ik ben het vergeten. Ik heb hem nooit meer gezien.

Onlangs zat ik met wat vrienden aan tafel. We zochten op het internet foto’s van de mooiste meisjes van de klas. Al die meisjes waren ouder geworden, sommigen hadden kinderen. Daarna zochten we ook foto’s van oude vrienden en zo vond ik hem. Raoul Blekema. Ik herkende hem meteen, de scherpe wenkbrauwen, de speelse ogen. De foto was in het bos genomen, Raoul had een baard en in zijn handen hield hij een roodborstje vast.

Daaronder stond het: boswachter.

Het leek mij het meest logische wat ik ooit gelezen had.

Ik probeerde dit aan mijn vrienden uit te leggen. Ik vertelde dat ik na de basisschool naar het vwo was gegaan, daarna de universiteit. Dat ik rond de lessen met veel moeite genoeg ruimte creëerde voor de drukte in mijn hoofd. Ik bracht veel tijd in bed door, ik las en sliep veel. Meestal voelde het alsof ik iedereen voor de gek hield, alsof het doek elk moment kon vallen en de oorlog in mijn brein bloot zou komen te liggen. Soms sloeg ik tegen de muren, die kon ik geen pijn doen. En dat alles terwijl er een plek bestond voor al die drift, al die onrust. Het idee dat Raoul ergens in een bos werkte stelde me ontzettend gerust. Er was opeens een plek voor ons, zo voelde het. Wat er ook gebeurde, er was altijd nog het bos.

Eerst begrepen mijn vrienden het niet, dit gevoel. Later grapten ze dat het vast een mooi verhaal zou worden (ze weten dat ik schrijf). Een verhaal, dacht ik, deze flinterdunne draad? Dit was eerder een toevallige samenloop van gebeurtenissen, toch? En de jaren ertussen, waarin ik zelden – misschien wel nooit – aan Raoul dacht, welke rol speelden die in dit verhaal?

Er zijn mensen en gebeurtenissen die zich makkelijk tot heldere verhalen vormen in mijn hoofd. De band met mijn familie; mijn eerste liefde; de reis naar dat verre land. Die verhalen vertelde ik al aan mezelf terwijl ze nog bezig waren. Want dat is wat ik doe – wat misschien veel mensen doen: verhalen vertellen. Soms via anderen, maar meestal gewoon aan mezelf; niet alleen met woorden, ook met beelden, gevoelens. Maar dan zijn er nog talloze ontmoetingen en gebeurtenissen die zich niet of nooit omvormen tot iets concreets, die triviaal lijken of vergeten worden. Ze hebben niet ‘minder’ plaatsgevonden, maar ze onthullen niet – of pas veel later – dat ze iets kunnen betekenen. De schrijver David Shields verwoordde het misschien het mooiste: ‘Story seems to say that everything happens for a reason and I want to say, No, it doesn’t.’ Ik merk dat de verhalen die ik de laatste jaren aan mezelf vertel veranderd zijn. Het zijn fragiele verhalen geworden, verhalen die stoelen op onwaarschijnlijke details, op vreemde gebeurtenissen of willekeurige ontmoetingen. Verhalen waarin zoveel willekeur voorkomt dat er moeilijk een consistent geheel van te maken is.

In het verhaal ‘Leaving Maverley’ van Alice Munro, afkomstig uit de bundel Dear Life (2012), speelt toeval een grote rol. Het opent niet eens met het hoofdpersonage, maar met Morgan Holly, de eigenaar van een lokale bioscoop in het dorp Maverley. Van de krappe twintig pagina’s van het verhaal gaan de eerste twee over de nogal triviale zoektocht van Holly naar een nieuwe kassamedewerkster. Hij besluit om Leah in te huren, een jonge vrouw afkomstig uit een streng religieus gezin. Maar Leah mag de bioscoopfilms niet zien van haar conservatieve vader, en ze mag na haar werk al helemaal niet alleen over straat. Pas dan verschijnt het hoofdpersonage op het toneel, Ray Elliot, de politieman die Leah naar huis zal begeleiden. Het is een mooie openingspassage voor een verhaal dat over de willekeurige ontmoetingen in ons leven gaat: omdat Morgen Holly na twee pagina’s van het toneel verdwijnt, krijgt het verhaal al vanaf het begin iets instabiels, alsof de personages op elk moment ingeruild kunnen worden. Het is een bekende techniek van Munro, het verwachte verloop van een verhaal gaandeweg veranderen zonder daarbij bewust absurdistisch of experimenteel te worden; zo begint ‘The love of a good woman’ met een moordmysterie, om vervolgens over te gaan naar uitgebreide beschrijvingen van de alledaagse gebeurtenissen in het provinciale dorp waar deze moord plaatsvond.

Ray begeleidt Leah naar huis en vertelt haar over de wereld van bioscoopfilms. Hij legt haar uit wat een plot is en tegelijkertijd probeert hij meer van haar leven bij de strenge familie te weten te komen. Dat valt niet mee, Leah zegt bijna niets. Ray praat er wel over met zijn vrouw Isabel. Ze hebben geen kinderen en praten vaak over Leah.

We komen er pas achter wat ze voor Ray betekent wanneer Leah tijdens een sneeuwstorm vermist raakt en hij het ondergesneeuwde dorp moet afkammen om haar te vinden. Hij bekommert zich om Leah zoals een ouder zich om een kind zou bekommeren, maar dat zegt Munro natuurlijk niet hardop. Dat Isabel vanwege een ziekte geen kinderen kan krijgen, daar moet de lezer het mee doen. Bovendien weet Leah niet dat Ray naar haar op zoek is, ze weet niet dat hij om haar geeft. De onuitgesproken liefde maakt zijn zoektocht door het ondergesneeuwde dorp ontroerend.

Er volgt geen dramatisch moment waarin Ray haar terugvindt en heldhaftig in de armen neemt. Nee, Leah duikt een paar dagen later gewoon weer op. Ze is in het geheim getrouwd met de zoon van de predikant. En ondanks deze ontgoocheling is er toch sprake van een belangrijke ontwikkeling, vrij onverwachts zelfs, bij het hoofdpersonage. ‘Ray did not reveal and could hardly believe the desolation he had felt during the time when the girl was missing.’ Zelfs na haar vermissing durft Ray nog niet helemaal toe te geven wat hij voelt voor Leah. Het is alsof zijn ouderlijke gevoelens voor Leah hem ongemerkt passeren. De Amerikaanse schrijver Jane Smiley verwoordde het zo: ‘Since Munro’s chosen form is the short story, her overriding theme is brevity—look now, act now, contemplate now, because soon, very soon, this thing that involes you will be over.

In ‘Leaving Maverley’ gebeurt hetzelfde als wat ik met Raoul meemaakte: omdat het verhaal zich niet als verhaal laat herkennen, dreigt het te verdwijnen. ‘It all sounds pretty commonplace, after all,’ merkt Isabel op, waarmee ze suggereert dat er misschien toch niets te vertellen valt over Ray en Leah. Een soort anticlimax, hun ontmoeting lijkt ineens op de vele ontmoetingen in het leven waarvan we achteraf zeggen dat ze niets voorstelden. De korte momenten van verwezenlijking die Ray doormaakt lijken willekeurig, alsof er niet naartoe is gewerkt maar het toevallige bijproducten zijn van het dagelijkse leven.

De ziekte van Isabel verergert. Ray en Isabel verhuizen naar de stad, waar het ziekenhuis ligt. De jaren die daarop volgen brengt hij door aan haar ziekbed. Er komt nog een gerucht aanwaaien uit Maverley, over een affaire waarbij Leah de voogdij over haar kinderen heeft verloren. En dan komt Ray haar nog een laatste keer tegen, op de benedenverdieping van het ziekenhuis. Ze werkt er als therapeute. Het gesprek verloopt niet soepel, Leah is emotioneel over het verliezen van haar kinderen. Wel vraagt ze aan Ray hoe het met Isabel gaat, en Ray is verbaasd te horen dat ze deze naam, na al die jaren, nog zo vers in haar geheugen heeft (terwijl de twee elkaar nooit ontmoetten). Het is een spaarzame referentie naar de innerlijke wereld van Leah en de ruimte die Ray en Isabel daarin innemen. Munro zet de deur op een kier.

Isabel sterft. Het is een van de weinige momenten in het verhaal waarin Munro de vrije indirecte rede toepast. ‘She had existed and now she did not,’ mijmert Ray. Not at all, as if not ever.’ Tot dit moment in het verhaal wordt Rays belevingswereld concreet, helder, en zelfs met enige emotionele afstand beschreven. Munro wacht precies op het juiste moment om in het verwarde hoofd van Ray te kruipen. De zinnen hebben een ogenschijnlijke simpliciteit: ‘She had existed and now she did not,’ wat klopt als een bus, het klopt en toch is het een vreemde manier om te spreken over je overleden vrouw. ‘Not at all, as if not ever.’ Dit laatste klopt natuurlijk niet, of niet helemaal, want Isabel heeft wel degelijk bestaan, vooral voor Ray. Het verhaal dat hij zichzelf vertelt hapert; hij komt niet tot heldere zinnen. Het is een mooie knipoog naar Tsjechovs ‘De steppe’, een verhaal waarin een jongen aan zijn overleden oma denkt: ‘Before dying, she had been alive.’ Het is een gedachtegang die niet helemaal klopt en toch ook weer wel, die precies vormgeeft hoe we tegen onszelf verhalen vertellen. Literatuurcriticus James Wood schreef: ‘Before dying, she had been alive. It is one of those obviously pointless banalities of thought, an accidental banality which, being an accident, is not banal, is never banal.

De dood van Isabel lijkt daarmee de centrale gebeurtenis van het verhaal. Maar waarom dan al die pagina’s gewijd aan Leah? Pas helemaal aan het einde van het verhaal moet Ray weer aan haar denken. Leah werd haar huis uitgezet en verloor haar kinderen. Ze heeft hem zelfs verteld hoe dat was. ‘I’m pretty much okay,’ heeft ze gezegd. ‘But sometimes things get to me. I mean particularly at suppertime. That’s when things can start to feel weird.’ Deze korte zinnen bezitten meer dan genoeg om de tragiek van haar verlies te omvatten. Want natuurlijk: etenstijd is het moment waarop een normaal gezin met de kinderen aan tafel zit. Dat moment is haar ontnomen. Het is een stille verwijzing naar Munro’s oeuvre, waarin moederschap en het verliezen van je kinderen centrale thema’s vormen. (‘The Children Stay’, ‘My Mother’s Dream’, ‘Nettles’, ‘Dimensions’.)

Ray vindt uiteindelijk een soort geruststelling in het bestaan van Leah. ‘An expert at losing, Leah might be called—he himself a novice by comparison. … A relief out of all proportion, to remember her.’ Hiermee eindigt het verhaal en tegelijkertijd wordt de opzet ervan omgedraaid: waar Ray haar eerst nog moest vertellen over bioscoopfilms en verhaallijnen, de wereldse dingen die hij begreep en zij niet, leert Leah hém nu iets over verlies – misschien is het slechts de verzachtende gedachte dat hij niet de enige is.

Het is een verhaal dat zijn centrale thema verhult – pas op de laatste pagina wordt duidelijk waar het werkelijk over gaat: verlies. De rol van Leah in het leven van Ray én in dit verhaal, wordt pas helder in de laatste zinnen. Haar bestaan overkomt Ray; het overkomt (hopelijk ook) de lezer.

‘Leaving Maverley’ heeft een verhaallijn die ontzettend los en speels lijkt, maar is dat werkelijk zo? Haal de scène met de sneeuwstorm weg, schrijf niets over de roddels uit het dorp, verwijder de momenten waarin Ray en Isabel over Leah praten – en de laatste scène verliest zijn kracht. Geen enkel onderdeel kan ontbreken zonder dat het geheel in elkaar stort. Het is een willekeurige samenloop van gebeurtenissen en tegelijkertijd een nauwkeurig geconstrueerd geheel. Stiekem werkt elke scène toe naar het slot, alles heeft een functie, maar omdat het allemaal zo willekeurig lijkt – net zoals het leven vaak aanvoelt – heeft het verloop iets heel natuurlijks, iets geloofwaardigs. In een interview in The New Yorker praat Munro ook over haar personages alsof het mensen zijn die nog steeds voortbestaan: ‘I rather hope that Leah and the man whose wife is dead can get together in some kind of way.

Een vraag: Wat als ik de foto van Raoul Blekema als boswachter nooit gezien had? Was er dan een verhaal geweest? Waarschijnlijk niet, want je kunt een verhaal toch niet ‘onverteld’ bij je dragen? Verhalen moet je vertellen, al is het alleen aan jezelf. Bovendien was het zien van die foto ook een moment dat perspectief bood op dat onrustige jaar uit mijn jeugd. Het zette alles in één lijn, als een opwaartse spiraal, het maakte het overzichtelijk. Maar wat een precaire dingen zijn het dan, de verhalen die ik vertel, die we vertellen. Het zien van een foto kan ze een bestaansrecht geven; het horen of niet horen van een roddel kan ze vormen of breken. Ook Munro’s verhaal scharniert op de meest subtiele wendingen, op enkele details na had de rouwende Ray geen geruststelling gevonden in de gedachte aan Leah. Maar misschien zijn dat wel de mooiste verhalen, de meest geloofwaardige: verhalen die fragiel zijn, die stevig leunen op toeval zonder eraan ten onder te gaan, verhalen die bijna geen verhalen zijn.

Over de auteur

Max Hermens schrijft proza en essays. Zijn werk verscheen onder andere in Das Magazin en op deFusie, Hard//hoofd en De Internet Gids. Hij schrijft verhalen over het platteland en de natuur, en over kinderen die op onbenullige avonturen gaan. Hermens zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost|Wintertuin.

Over de illustrator

Richie Walker is geboren in Nederland in 1991 en groeide op in Amstelveen. Nadat hij de oriëntatiejaar aan het Rietveld academie te Amsterdam had voltooid ging hij naar Zwolle om de bachelor Stories and Design te volgen aan ArtEZ. De studie bevatte onder andere illustratie, kunstgeschiedenis en filosofie. Gedurende zijn afstudeerjaar onderzocht hij de toegankelijkheid van kunst en van commerciële galerieën. Hij studeerde af met prenten van het culturele erfgoed en met illustraties die metaforen vormden voor zijn gedachten, emoties en worstelingen met wat het betekent om kunstenaar te zijn. Het liet hem zien hoe verwisselbaar kunst en illustratie kunnen zijn. Na het afstuderen heeft hij zich gewijd aan verscheidene projecten waarbij hij onderwerpen onderzoekt door de creatie van kunst en illustratie waarbij het beeld fungeert als communicatie van wat hij ontdekt. Zie zijn Instagrampagina en illustrich.com.

Lees meer uit de categorie Essay

Het zwart

Door Miriam Rasch

Filosoof, literatuurwetenschapper en blogger Miriam Rasch brengt een full circle ode aan het zwart. Een ode aan het zwart – kan dat wel als gelegenheidsoptimist? Toegegeven, het zwart is allereerst het angstaanjagende, overrompelende zwart, dat je kan omsluiten als plotseling invallend duister – zo ondoordringbaar dat je bijna niet durft te ademen. Een groot doek […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper