Kort verhaal

Neo/liberalisme

Door Robbert Meijntjes | beeld: Martien Bos
17 juni 2019

Soms kom ik weleens mensen tegen die vragen wat ik nu doe. Op verjaardagen, vooral. De interesse neemt af zodra ze mijn antwoord horen. Mijn lange haren en volle baard leiden tot speculatie. Wilde verhalen worden mij toebedeeld. Activist, natuurmens, reiziger. Het leven van een muzikant. De waarheid stelt teleur.
            Na mijn repliek probeert men het gesprek dan maar gauw voort te zetten naar een verlossend eindpunt door gehaast, maar zo beleefd mogelijk, een onbesproken aantal gesprekspunten over te slaan, het kort te houden. Of ze vragen me mee te gaan roken, terwijl ik ze van de spanning op hun onderlip zie bijten, hopende dat ik dat niet zal doen.
            Soms, héél soms, beweegt er weleens zo’n nerd tussen de horde. Zo’n puber van een kennis of familielid, met weke huid en futloos haar, die zich net zo verdwaald op die feestjes weet als ik. Doelloos voortbeweegt door de ruimte en her en der wat te knabbelen pakt, toch nog maar een glas volschenkt of zich van een vers biertje bedient, nogmaals ‘ja’ antwoordt op de woorden ‘alles goed’, en veel vaker gaat plassen dan nodig is, al is het maar om even op zijn blote krent in alle rust appjes te checken die hij toch niet heeft. In die rij voor datzelfde toilet, sta ik.

 

De lift gaat open. Het tl-licht beschijnt de beschilderde wanden vanaf het vergeten plafond. Links en rechts hangen affiches met lachende mensen in lijsten. Om de zoveel meter staat een ficus in pot. Deze wandelgang, voorheen gebruikt als opslagplaats voor papierwerk, is groter dan ons kantoor. Het kantoor van onze met vijf sterren bekroonde firma, althans volgens de Google-gebruikersrecensies. En volgens Esquire hét antwoord op de vraag van digitale privacy: PowerProg.
            Het bureel, dat ooit aan de top van de toren prijkte, is na jarenlang mismanagement op zijn retour. Met zijn voortzetting op het spel, bevindt onze dienst zich inmiddels in het absolute afvoerputje van de Groot Beursgebouw-toren: de kelder.
         Het is tien minuten over acht. De Nederlandse tijd hangt boven de receptie tussen de tien over drie in Beijing en de tien over twee ’s nachts in New York. De namen van de steden staan er niet bij vermeld, daar moet je zelf naar vragen. Een echte conversation starter, zo vond Reinier tijdens zijn inauguratie. Met 35%-kortingsupermarktdonuts vierde hij vorige maand met ons zijn komst als onze nieuwe interim.
         De receptie zelf is onbemand. Op de stoel ligt een lilablauwe rugzak. Passerend zie ik nu tevens het computerscherm in de slaapstand springen en de telefoon van de haak liggen. Ik knijp in het handvat van mijn aktetas. Het zal Isa wel weer zijn.
            PowerProg valt of staat met contracten met grotere corporaties die ons betalen om hun software te ontwikkelen, te updaten of om ze digitaal veilig te stellen voor hackersaanvallen.
         In het veld was PowerProg ooit dé pionier, dat geef ik toe. Mijn sollicitatiesucces voelde destijds als het behalen van olympisch goud. Ik herinner me het nog goed. Nog thuiswonend ontpopte mijn inmiddels wijlen moeder direct de verstofte champagnefles die jarenlang bewaard lag in het dressoir, ingeslagen tijdens onze laatste gezinsvakantie in Frankrijk ter ere van de gouden toekomst die ze mij, haar enige zoon, eigenlijk na die bewuste zomervakantie al had toebedeeld. ‘Beter laat dan nooit,’ zei ze wrang, met als toevoeging: ‘jammer dat je vader niet lang genoeg leefde om het mee te maken.’
            Iedere programmeur wilde in die tijd deel uitmaken van PowerProg. Ik was erbij toen wij werden ingehuurd door flinke strooplikkers als Shell, CroMag en Samsung. Met een riant pand in de top van de toren met uitzicht over de hele stad. Maar die tijd is al jaren voorbij.
            Het is ongewoon druk rond de koffiemachine. Er wordt hard gelachen. Bert giet zijn derde zakje suiker in het plastic bekertje. De twee vorige zakjes houdt hij tussen zijn vingers geklemd. Ik mompel een goedemorgen. Hij merkt me niet op. Zijn blik, net als die van de andere collega’s, blijft onvermurwbaar gericht op onze pr-stagiaire, of was het marketing, terwijl het lepeltje razendsnel tussen zijn duim en wijsvinger rondjes door zijn troost draait.
         Mijn gewaardeerde collega’s: kalend, zwaarlijvig, grijzig uitgedost en minstens oud genoeg om jegens Isa ooms en grootvaders te kunnen zijn, lachen allen mee om haar anekdotes over een middagje highteaën met haar besties.
            Gideon, met als toepasselijke achternaam de Wolf, kijkt van een afstand gebiologeerd toe, terwijl Edmund, zoals iedere maandag, meeluistert vanachter de gesloten deur van de wc.
         Ik passeer.
         Op mijn bench van het eiland Bora Bora plof ik mijn aktetas neer, klik het leren riempje los en spreid mijn laptop, waterfles en telefoonoplader uit over mijn bureau. Mo kijkt op. Hij knikt zonder zijn oordopjes uit te doen. Mo is oké. Hij is dagelijks als eerste op kantoor en vertrekt wanneer hij wil. Niemand zegt er iets van, want Mo zegt zelf nooit iets en is desondanks al acht maanden employee of the month. Niemand snapt Mo. Hij is mijn enige, doch zwijgzame vriend.
           Ik klik de aktetas weer dicht en schuif deze onder mijn bureau, rechts tegen de wand. Eigenlijk moeten tassen tegenwoordig in kluisjes: de teugels zijn hier al zo aangescherpt dat ik bijna stik. Mijn laptop start op. Terwijl de rest van mijn collega’s nog rondom de koffiemachine lummelt, daalt Gideon als eerste met zijn bekertje neer op Tahiti. Mijn taken plingen mijn inbox in.
            ‘Geluid,’ roept Gideon direct. ‘Kantoorregels’.
            ‘Je drinkt toch geen koffie aan je bureau, Gideon?’ antwoord ik luider
 dan nodig.
          Mo kijkt op en heft zijn wenkbrauwen. Ik gebaar een excuus. Gideon is gaan zitten. Vanuit mijn ooghoeken zie ik zijn tic opkomen als een klaproos in zonlicht. Met zijn wijsvinger hamert hij routineus op zijn spatiebalk tot hij vliegensvlug opstaat, zijn bekertje van zijn bureau grist en deze met inhoud en al krachtig in de gezamenlijke prullenbak smijt. Even is het stil rond de koffiemachine. ‘Unnnghhh,’ klinkt het kort wanneer hij achter zijn bureau aan zijn Rubiks kubus draait, terwijl zijn mond als een mantra een geluidloos riedeltje lispelt. Daarna typt hij zwijgend codes in.

Ik steek nog een kaasstengel in mijn mond. We zijn gaan zitten. Het haar dat normaliter voor gezicht hangt, heeft hij achter zijn oren gestoken. Welke software gebruik ik, welke opleiding heb ik gevolgd, hoe is het om de hele dag zo lekker met computers bezig te zijn? Ben ik soms ook een gamer? Doe ik aan CoD? Welke ranking heb ik in Overwatch? Hij zit voorover gebogen. H-O-O-P staat er in zijn blik geschreven. Ieder woord uit mijn mond zuigt hij op als een toiletplopper. Ik ben, al zij het voor heel even, Jezus, en ik knaag aan mijn stengel.
            Vanbinnen moet ik huilen.
            Programmeren heeft iets spannends gekregen. Iets romantisch, bijna. De wereld is ingewikkeld. Ouders zijn ongelukkig. Vrienden zijn moeite. Seks is eng, maar toch lekker, en gedegradeerd tot tissues met VR hentai. Met programmeren kunnen misfits zoals hij geld verdienen met wat ze het liefste doen: de hele dag in isolatie met hun smoel achter een scherm zitten.
            Ik begrijp het wel. Ook ik dacht fuck the system. Ook ik had ongelukkige opvoeders en een doelloze jeugd. The Matrix heeft mij en een hele generatie aan pubers hoop gegeven. Het wonder heeft mij als de digitale Messias onder haar mantel genomen, met codes als brood en uploads als wapens. Mr. Robot doet hier vandaag nog een schepje bovenop. Ook ik zou me vrijvechten. Me losmaken van de corrupte samenleving en alles dat scheef staat in de wereld. Maar dat was toen.
            Op deze zaterdagavond bevecht ik vooral de neiging om het voordeelpak stengels niet op mijn schoot te planten.

Reinier loopt binnen met zijn grijs geverfde haar en montuurbril. ‘Zo, ook eens op tijd, Steven?’ vraagt hij zonder me aan te kijken. Hij is als enige dagelijks in pak.
            Mijn blik verstart. ‘Goedemorgen, chef,’ gniffelt Gideon.
            Voor ik een gevatte repliek heb bedacht, veegt de baas met een gebaar de koffiemachinekliek uiteen en sluit hij de deur van zijn hok. Zwijgend gaat men aan het werk. Isa steekt nog vlug haar hoofd Reiniers kantoor in, vast om te melden dat er geen bellers zijn geweest, sluit de receptie af en verdwijnt met haar tas haar eigen kamer in. Wat ze daar de hele dag toch doet is me een raadsel.
            Een toilet wordt doorgetrokken en Edmund komt tevoorschijn. Hij en zijn opgetrokken schouders nemen plaats op Tahiti, tegenover Gideon. Het stel tikt gedreven.
            Dat is wat wij doen bij PowerProg: codes intypen. Ik hoef mijn agendataken er niet eens op na te slaan. Regel na regel, dag na dag, week na week hetzelfde liedje. Het eruit rammen van codes tot ze een taal vormen die we zelf onmogelijk kunnen uitspreken. Wij creëren meer dan we daadwerkelijk zijn.
            Ik leun met mijn handen in mijn nek achterover en kijk om me heen. Met drie eilanden en twee kantoorruimtes, een voor de directie en een voor de stagiairs, waarvan de laatste ook als overlegruimte dient, is PowerProg een klein kantoor. Een klein kantoor voor een klein bedrijf waar niemand ooit van heeft gehoord, op de omgekochte Esquire-redactie na. De receptie is er vooral voor de sier.
            Tegenover me begint Mo te huilen. Een plaatselijk buitje noemen we dat, het komt vaker voor en vrijwel niemand slaat er ooit achting op, behalve nu. Mo kan huilen? De gehele afdeling houdt haar adem in. Verbouwereerd staar ook ik als een ramptoerist naar zijn biggelende tranen. Bert van Fuerteventura komt aanlopen. De knopen van zijn overhemd staan strak. Ik vang de woorden op dat Mo het allemaal niet meer weet. Mo kan praten! Zijn stem klinkt hoger dan ik dacht. Bert slaat zijn flinke arm om hem heen. Hij biedt aan om samen nog maar een bekertje waterige koffie te halen, want iets anders is er tenslotte niet.
           PowerProg loopt nu echt op haar laatste benen. Enkel met langetermijncontracten van kwestieuze opdrachtgevers houden we ons hoofd boven water. Het bedrijf werd gemakzuchtig terwijl de internationale en bovendien goedkopere concurrentie in moordend tempo groeide, ik was erbij. Interims kwamen en vertrokken. Mismanagement leidde tot bezuinigen. En met ieder seizoen zakte PowerProg een verdieping in de toren als een falende kermisattractie. Niet voor niets zijn wij recent van een achterafkamertje op de begane grond van het Groot Beursgebouw gedegradeerd naar de absolute kluis van de kelderverdieping: het opslagmagazijn, twee verdiepingen onder de grond. Een ruimte die men bij constructie als atoomkelder in gedachten had, een hermetisch territorium waar men enkel met de personeelslift en een speciale sleutel arriveren kan. Ik begrijp Mo wel.
            Men is hier onder de grond langzaam aan het ontsporen. De laatste vaste contracten zijn tot piñata’s gedegradeerd waar al lang geen snoep meer in zit, maar waar men van hogerhand gewoonweg op blijft slaan. Geen leasewagens meer, geen verzorgde lunches, pauzes worden strikt gecontroleerd en ieder toiletbezoek wordt geklokt. Op een maandag was zelfs ons Senseo-apparaat verdwenen, met in zijn plaats een verklarend briefje van Reinier om kosten te drukken.
            Het was deze dag dat Bert begon te gillen, met zijn voorhoofd op het toetsenbord ramde en verklaarde om morgen voor de bus te springen in plaats van erin te stappen.
         Hij is er nog steeds. Ik zie hem met waterige ogen neerstrijken bij de receptie.




Met de bak kaasstengels naar ons toegeschoven, en met ieder een blik lauw bier in onze handen, kijken we elkaar samenzweerderig in de ogen. Voor het eerst vanavond zie ik er oprecht hoop oplichten Ik heb het hem weer geflikt! Ome Jezus maakt gelukkig. Met een volgende proost en een bemoedigende schouderklop leg ik mijn geweten het zwijgen op.
De blauwe pil, echoot het nog na. Geef hem de blauwe pil. De jongere lacht echter vol moed en er knapt een puist. Gideon heet hij. Met iedere slok vermindert zijn tic. Iets met zijn wijsvinger. Hij probeerde het voor me verborgen te houden. Dat geeft niet. Hij gaat leren, zegt hij. Solliciteren. En noemt als doel die prijkende toren in het betonnen centrum van de stad, wanneer ik hem vraag waar hij terecht wil komen.
            Van binnen gingen de sluizen open.



De receptietelefoon rinkelt. We hebben een beller! Eensgezind kijken alle eilanden verschrikt op. Mo, als een menselijke bal ineengezakt nabij het toestel, schrikt met het bekertje koffie nog in zijn hand zo plotseling overeind dat de inhoud Bert vol in het gezicht raakt. Hij begint luidkeels te schreeuwen. Isa rent haar hok uit om de telefoon op te nemen. Mo en Bert strompelen het toilet in. Ik zie hoe Reinier een blik door zijn kantoorglas werpt. Hij sluit de lamellen. Isa deelt ons mee dat de beller verkeerd verbonden was. Men zucht wat.
           Ook ik tik verder.
           De vijf sterrenrecensies op Google berusten op dealtjes met omkoopbare ex-stagiairs, schrijf ik verder in mijn artikel. Een apart tekstbestand op mijn laptop wanneer ik de codes echt niet meer kan zien. De lethargie van de Beurs is mijn mindfulness.
            Er klinkt een harde knal op mijn bureau. Ik zit in een keer recht. Alle blikken zijn op mij gericht, zelfs Edmund heeft grote ogen. Ik klik snel mijn laptop dicht.
            Voor me ligt Gideons vettige Rubiks.
            ‘Je quota liggen lager dan die ooit geweest is!’ roept Gideon vanaf Tahiti.
            ‘Ik heb net de cijfers van vorige week verzameld. Je wordt de ondergang van ons allemaal!’
            Ik sta op, grijp de kubus, en smijt haar met al zijn kleuren richting Gideons hoofd. Edmund duikt opzij. Raak. Er stroomt bloed uit zijn mond dat langs zijn trillende vingers naar beneden sijpelt. ‘Unghhh,’ kreunt hij. ‘Ungh!’ En rent met zijn hand voor zijn mond naar het toilet.
            Isa staat bij de koffiemachine. Reinier gluurt door de lamellen van zijn kantoor met een telefoon aan zijn oor. Ik zie hem praten en zich de schouders ophalen. Er heerst totale stilte op de afdeling.
            ‘Gaat het, lieverd?’ vraagt ze bezorgd. Haar stemgeluid wringt zich door de lucht. ‘Zaterdag liet je op het verjaardagsfeestje je bier ook al vallen.’ Alle hoofden draaien zich om en weer terug. Ik gebaar dat het zo oké is en schuif mijn stoel aan. Men blijft doodstil. Edmund is alweer aan het werk. Af en toe zie ik hem zijn schouders nog wat hoger optrekken.
           Boven de grond ziet het er mooi uit hoor, met die toren tot aan de hemel waar op diens gevel ons logo prijkt tussen al die grote multinationals. Het Groot Beursgebouw. Het symbool van succes. Het symbool van de stad. Jongeren gaan er op hun knieën voor een job. Al jaren.
Men moest eens weten.
          Er klinkt een alarm. Op Gideons bureau trilt een fluorescerende wekker. Een miniatuur in de vorm van het commandoschip uit die film waarmee het begon.
         Het geluid houdt aan. Pauze.
         Onverstoorbaar haal ik mijn lunch uit mijn aktetas naar boven. De rest sloft naar de kluisjes. Ik kauw langer op mijn boterhammen dan nodig is.

Over de auteur

Robbert Meijntjes is geboren in Rotterdam. Hij organiseert literair podium Frontaal; het literaire podium van Rotterdam, met maandelijks gevestigde en toekomstige auteurs op de planken. Hij publiceerde eerder in NRC, Trouw en op Hard//hoofd en trad op bij o.a. het Lezersfeest, het Poetry International Festival en Where The Wild Things Are. Het einddoel: de kost kunnen verdienen met het fulltime schrijven. Al is het maar in een donkere tweekamerflat, in een afgelegen hoek van de stad, net boven de vuilnisbakken. Ondertussen werkt hij hard aan zijn literaire non-fictiebundel over polyamoreus leven.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De man die naar fruit keek

Door Pieter Van de Walle

Je ziet ze wel vaker: uitgebluste echtgenoten die zich even afzonderen in een van de keurig ingerichte demo-keukens of woonkamers, kinderen die een dutje doen op de afgeprijsde sofa’s, een vergeten grootmoeder in een kinderkamer, maar dit is anders.

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper