De Regelname Poëzie

Weerballon

Door Peter de Voecht | beeld: Jelko Arts
11 juni 2019

Klecks – hét platform voor poëziekritiek – en uw geliefde podium voor hedendaagse poëzie, De Optimist slaan de literaire handen ineen en presenteren de reeks ‘De Regelname’. Eens per twee maanden vragen we een dichter welke regel hij of zij zelf geschreven zou willen hebben – en waarom. En we vragen hem of haar met die regel iets nieuws te schrijven, dat op ‘De Optimist’ wordt gepubliceerd. Een creatief-kritische kruisbestuiving, dus, bestaande uit een interview en een gedicht.
 
In deze aflevering: Peter de Voecht koos voor de regel ‘Their shadows must cover Canada’ uit: ‘Crossing the Water’.

Met deze regels schreef Peter het onderstaande nieuwe gedicht. Waarom? Zie hier het interview!

 

1. Het bed

 

‘Their shadows

must cover Canada.’

(Sylvia Plath)

 

Hoe ben ik hier beland? Zelfs ruimtevaarders

zoeken alleen maar zichzelf, in de kieuwen van de hemel.

 

Je op het bed gelegd nu je dood moedert. Je ligt als vreemd wezen

op de bodem van een put                                        zoals iedereen.

In een kamer waar op het behang de bomen vergaan.

 

Wat is nog van jou nu je gezicht

geen gezicht meer is? Op het bed gelegd als een laken

op het laken. Hoe je weerloos, roerloos kan zijn.

Je moerast als een jong landschap, je rug knipt zo

 

de wolken kapot.                                 Hoe ben je hier beland?

Waarom kozen we                              de kinderkamer?

Je hemellichaam wijkt                       millimeter per millimeter

weg van de aarde.                               (Onzichtbaar als de zon.)

 

Word gasbel, opgezwollen droomdier, ik

die in de hoek van de kamer de ballon

zie die niet van jou is maar van een doodgemoederd

kind. Omdat al je angsten netjes opgevouwen

 

in je schoot liggen. Je hebt jezelf geleerd

(uitzonderlijk goed zelfs) niet te leven.

 

Je probeerde schoon te vegen

waar geen bloed was, je hoofd hoog

zonder adem, stil

als de bomen op het behang.

 

Stil tot                                                             Hoe koud voel je je nu

je weer leeft. Iets levends wordt               zonder alles

waar je voor vreesde.

 

Faal maar. Laat gebeuren wat

is. Laat de bomen nu bomen zijn.

 

2. Daarin

 

‘Voor doodgaan, alle doden

Voor dood zijn misschien iets minder

Voor deze constatering

Voor constateren

Voor kinderen die vragen stellen

Maar meer nog voor die vragen

Voor alles bang geweest

Voor alles altijd bang geweest’

(Wende Snijders en Joost Zwagerman)

 

3. Daarboven

 

Want waar anders te kijken? Nu je terugdeinst

en ik niet weet waar naartoe.

 

Tot in de muren?          Stroop je huid af

                                         als behang

                                         zodat iedereen

ziet                                  waar je woont

 

en je in dat bos staat, niet meer in de kamer ligt.

Je stelt je open als bos na het rooien. Je bent zwart

als het binnenste van de zon. Zwart

als de kop van een lucifer, smekend

                                                                       ontvlam me

 

maar het is te laat. Want ook wij zijn niet

meer in de kamer. Vergeet haar lichaam

op het laken, op de tast.                            De gasbel in haar buik:

ze is alleen nog de afdruk                        van een moeder.

 

Hol als schors zonder boom kijk ik

naar boven                                                  (Hoe ben ik hier beland?)

naar de honderden weerballonnen

die neerdalen op het bos, met koude

                                                     witte gezichten

(Wat is de breedte                    van een schelp

waarop iemand is                    gaan staan?)

 

Ik hou stil verstijf mijn hand

op de kruin van je buik. Ik blijf

tot de ballonnen de naalden

op de bodem raken en de bomen

 

de zon. Hun schaduwen moeten wel

Canada bedekken. Als een laken.

Hun schaduwen moeten wel.

 

 

Over de auteur

Peter De Voecht (1982) is doctor in de Amerikaanse Letterkunde. Hij doceert aan de SchrijversAcademie in Antwerpen en de Academie van Mortsel. Hij publiceerde proza en poëzie in onder meer Deus Ex Machina, Het Liegend Konijn, Samplekanon, Kluger Hans, en Gierik & NVT. In 2015 verscheen zijn debuutroman Slachtvlinders (uitgeverij In de Knipscheer). Bij De uitgeverij Eenhoorn verschenen twee geïllustreerde verhalen voor volwassenen: Dwarrelstad (2017), met illustraties van Erika Cotteleer, en De vrouw van de schilder, met illustraties van Trui Chielens (2019).

Over de illustrator

Jelko Arts (1991) tekent verhalen en beeldessays, schrijft proza en poëzie en mengt literatuur met theater. Hij werd geselecteerd voor het Slow Writing Lab, stond als performer, presentator en interviewer op festivals als Zwarte Cross, Nijmeegs Boekenfeest, Zomerparkfeest en het Wintertuinfestival en zit in het talentontwikkelingstraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin, waar afgelopen voorjaar zijn stripnovelle 'Hoe bijen de ruimte vullen' verscheen.

Lees meer van

Poëzie: Peter de Voecht

Door Peter de Voecht

Sisyphus Je rolt een steen opzij en weet: je voetsporen worden nooit groter dan je schoenen. Je zit wakker in de zetel, je hebt anderhalf uur geslapen, anderhalve dag gedacht. Als je droomt laat je alles los. Wanneer je waakt week je ochtend los van nacht. Onbedoeld schrijf je lijf en vel toe aan de […]

Lees meer uit de categorie De Regelname Poëzie

Vers in de Etalage

Door Tim Pardijs

Nieuwe bewoners Ze schuurden de voordeur, legden een nieuwe vloer, verfden de kamer, installeerden een fornuis, vervingen de kozijnen en repareerden de trap. De voordeur klemt, het deukje in de vloer werpt een kleine schaduw, de kleuren vloeken, het fornuis is vet, de kozijnen zijn verrot en de derde tree van boven kraakt. Ik zal […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper