Essay

In mijn vel

Door Jantine Broek | beeld: Martien Bos
12 augustus 2019

‘Niet lekker in mijn vel.’ Het is een zin die ik de afgelopen jaren vaak heb gebruikt, tegen vrienden, ouders en mezelf. Een cliché dat soms verhult hoe je je echt voelt, variërend van een flinke griep tot een sudderende depressie. In mijn geval was het angst, die even heftig en onverwacht als een golf over me heen sloeg. Angst dat ik niet de beste versie van mezelf was en die ook nooit zou zijn. Angst dat ik nooit, door niemand, volledig geaccepteerd zou worden. Was ik maar iemand anders, dacht ik steeds. Had ik maar minder tegenstrijdigheden, lelijke plekken, extreme emoties. Was ik maar simpeler en toegankelijker. Kon ik mijn oude, vuile vel maar afstoten en een glimmende nieuwe huid in de plaats laten groeien, net zoals een krab zijn oude pantser kan verruilen voor een nieuwe. Maar helaas, hoeveel kilo’s we ook aan huidschilfers kwijtraken, ons mensen is dat wonderlijke biologische proces niet gegund.

Als kind was ik al gefascineerd door krabben, vissen, en andere zeebewoners. Eigenlijk wilde ik er het liefst eentje zijn. Met de hulp van mijn moeder was mijn zolderkamertje omgetoverd tot aquarium: groene muren, blauwe balken, een schitterend kralengordijn en een visnet aan het plafond, waar we zelfgetekende en uitgeknipte vissen, kwallen en dolfijnen aan hadden opgehangen. Ik verslond literatuur over kinderen die naar zee gingen, zoals Pippi Langkous, Paul Biegels Juttertje Tim en Jim Hawkins in Treasure Island. Met hen struinde ik het strand af op zoek naar zeemeerminnensporen en voer ik naar onbekende landen vol piraten, tovenaars en exotische dieren. Ik was een stadskind en ging zelden naar zee, maar door de boeken die ik las leerde ik de zee kennen als een plek waar alles kon gebeuren. Waar je jezelf tegen kwam en uiteindelijk werd wie je eigenlijk, diep vanbinnen, was. Op vakantie in Frankrijk struinden mijn zus en ik vroeger uren door de branding terwijl we zelfbedachte liedjes zongen over zeewezens. Of we lieten ons naar de bodem van het zwembad zakken terwijl we deden alsof we zeemeerminnen waren. Ik voelde me thuis in de kalme, stille lichtblauwte om mij heen.

Mijn hersenen kunnen slecht onderscheid maken tussen daadwerkelijk fysiek gevaar en angstgevoelens waarvan ik weet dat ze irrationeel zijn, maar die toch levensecht voelen. Het zijn niet zozeer specifieke horrorscenario’s waarbij dingen fout gaan – bij de meeste mensen flitst het einde van Jaws wel eens door hun hoofd tijdens het zwemmen in de zee. Voor mij is het een onderliggend gevoel dat er iets heel ergs staat te gebeuren, iets waartegen ik me niet kan verweren, maar… wat? Dat is niet altijd duidelijk. Een gesprek met die ene vriendin, van wie ik denk dat ze me stiekem haat, voelt als oog in oog staan met een haai. In beide gevallen versnelt mijn hartslag en word ik benauwd. Mijn gedachten raken verstrikt in een net van dubbele betekenissen en mijn woorden zwemmen weg als een school vissen. Had dat nou maar niet gezegd. Houd gewoon je mond. Hoe heb ik ooit een normaal gesprek met haar kunnen voeren? Zelfs als er geen haai te zien is, voel ik me hulpeloos bij de gedachte dat hij elk moment op kan duiken.

Als je de Bijbel mag geloven is onze wereld ontstaan uit de oceaan. Ook de Maori geloven dat de god Maui de twee eilanden van Nieuw-Zeeland aan zijn hengel uit de zee omhoogtrok. De zee is de oorsprong, maar ook het einde van het leven. Zo stuurden de Vikingen hun doden per met giften beladen boot over zee naar het hiernamaals. Mensen die liever in de evolutietheorie geloven wijzen naar de sporen en fossielen in de diepste kleilagen: onze voorouders waren vissen die pootjes en een staart groeiden, aan land klauterden en besloten het te kolonialiseren. Wat zegt het over mensen dat wij onze levensloop met de zee verbinden en haar zo veel verschillende religieuze en culturele betekenissen toekennen? Willen we haar alleen naar onze hand zetten, zoals we alles in de wereld naar onze hand hebben gezet, inclusief de manier waarop we praten en denken over onze gemoedstoestand? ‘Angststoornis’, ‘depressie’: dergelijke termen zijn te nauw voor iets dat komt en gaat als eb en vloed, en dat voor iedereen weer andere vormen aanneemt. 

Maar de zee stribbelt tegen. De zee spuugt de versplinterde planken en verdronken lichamen van een schipbreuk gewoon terug op het strand. De onverschilligheid waarmee zout water erodeert, verroest, oplost; de geheimen uit de onpeilbare dieptes, waarover we minder weten dan over het heelal; de plotselinge overgang van kalm naar woest – voor mij ligt daar haar echte kracht, en haar vermogen tot transformatie. Shakespeare laat in The Tempest de nimf Ariel de volgende regels over de verdronken koning zingen: 

‘Those are pearls that were his eyes: 
Nothing of him that doth fade 
But doth suffer a sea-change 
Into something rich and strange.

Erop of erin, kort of lang – net als een periode van angst of depressie zorgt de zee ervoor dat je hoe dan ook transformeert in iets anders. 

Elke cultuur heeft verhalen over kelpies, selkies, zeemeerminnen, merfolk of waternimfen, wezens die tussen water en land in leven, of die half mens, half zeewezen zijn. Maar ook echte zeewezens laten zich niet categoriseren: kwallen, inktvissen en palingen hebben geen geslacht of wisselen regelmatig. Shakespeare gebruikt de zee regelmatig als metafoor in zijn stukken vol gedaanteverwisselingen en gender swaps. Juist daarom is het ironisch dat de zee van oudsher met een vrouw wordt vergeleken, omdat beiden wispelturig, wreed en bedreven zouden zijn in het lokken van mannen naar hun noodlot. Is deze eeuwenoude, cultureel bepaalde gendertoewijzing de reden waarom ik me als vrouw zo verbonden voel met de zee? Nee, het is juist het feit dat ze zich niet laat temmen, haar lelijke en mooie kanten met evenveel trots toont, en stroomt, altijd in flux is, net zoals mensen. Omdat zij niet bang is voor welke betekenis of reputatie men haar toeschrijft, maar er gewoon ís. Althans, zo zie ik het graag

Ook queer-icoon avant la lettre en mijn idool Virginia Woolf, wiens beroemde personage Orlando niet alleen door de tijd reist maar ook van geslacht wisselt, haalt de zee regelmatig aan als motief in haar boeken. Woolf, die in 1941 zelfmoord pleegde, wist ook dat mentale problemen niet statisch zijn, maar net als golven steeds weer een andere vorm aannemen; ze kunnen je overspoelen, soms tot aan verdrinking toe, maar je kunt leren om erop te navigeren. Haar dood wordt als tragisch en onvermijdelijk beschouwd, maar in feite was ze 45 jaar lang, bijna haar hele leven, de winnaar in haar strijd met depressie. ‘The depths of the sea are only water after all,’ schreef ze in To the Lighthouse.

Na jarenlang niet lekker in mijn vel te hebben gezeten besloot ik dat ik niet langer in angst wilde – kónleven. De stappen die ik zette tijdens mijn therapie dwongen me om terug te kijken naar vroeger, en wekten daarbij een nostalgisch verlangen naar de zee op. Ik herlas de boeken uit mijn jeugd, maakte tekeningen van zeemeerminnen, vuurtorens en duikertjes, en wandelde regelmatig langs het strand. Terwijl ik het simpele, escapistische plezier dat ik als kind uit de zee haalde herbeleefde, was ik voor het eerst sinds tijden blij dat ik niemand anders dan mezelf was. Het was niet alleen een vreugde van herkenning, maar ook de triomf van het overwinnen van onbekend terrein. Ik leerde waar de angstgolven zo plotseling vandaan kwamen, en hervond de moed om het avontuur aan te gaan en zomaar het water in te plonzen, zelfs al wist ik niet wat er zich in de zwartblauwe dieptes bevond, wat er langs mijn benen kon strijken, en wanneer mijn voeten opeens de zanderige bodem kwijt zouden raken. De zee leende mij haar vermogen tot transformatie: een sea-change die al mijn angst en verdriet kristalliseerde into something rich, en mijn doffe en gebutste vel soepeler maakte, eindelijk op maat.

De mens ziet zichzelf graag als een autonoom wezen dat zijn eigen richting en koers bepaalt. Ons westerse hokjesdenken duldt weinig hybriditeit, verwacht stabiliteit, en wantrouwt fluïditeit, of het nu over gender, de natuur, of de menselijke geest gaat. We dwingen onszelf om op te splitsen en delen van onszelf op te geven zodat we passen in te krappe huiden die anderen ons voorhouden. Ik denk dat het geen kwaad kan om af en toe te doen alsof we een krab, een kwal, of een zeekomkommer zijn. Door mee te gaan met de getijden van onze gevoelens en de wereld om ons heen, worden we wellicht minder snel overspoeld, en minder gebeten op het varen van een bepaalde koers. De diepten van de zee bieden iedereen genoeg ruimte voor verandering. Voor haar is iedereen gelijk.

Over de auteur

Jantine Broek (1992) woont in Utrecht. Ze ziet de stad als één groot palimpsest en verdiept zich graag in de emotionele geschiedenis van plekken. Ze schrijft Engelstalige reisblogs, essays en opiniestukken op haar eigen blog en publiceerde eerder in Frame – Journal of Literary Studies en TXT Magazine. Nostalgie, herinneringscultuur en feminisme spelen een grote rol in haar werk. Ze werkt als vertaler en redacteur en maakt daarnaast graag beeldende kunst.

Over de illustrator

Martien Bos is naast freelance tekstschrijver ook illustrator voor diverse tijdschriften, kranten en uitgeverijen in binnen- en buitenland. Hij tekende onder andere voor De Optimist, NRC Handelsblad, VPRO, De Standaard, uitgeverij Boom en Athenaeum–Polak & Van Gennep. Zie martienbos.com.

Lees meer uit de categorie Essay

De dood van een ideaal

Door Joost Heijthuijsen

Tekst: Joost Heijthuijsen De omgeving van mijn oude middelbare school is de omgeving van Dood van een leraar, de debuutroman van journalist, schrijver en oud-docent Cyrille Offermans. Ik had gehoopt dat dat er niet toe zou doen, maar de docent die mij de regels van fictie en literair engagement leerde voegt nu zelf te veel […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper