Proza

Plaatselijk verdoofd

Door Hans van Rijkom | beeld: Joris de Jong
18 november 2019

     Het geruststellende van een herfstdag is dat je zelf niets aan de dag kunt bederven. In tegenstelling tot de zomerdag, die je moet benutten. Mijn blik glijdt langs het meubilair dat tegen de muren geschoven houvast tracht te vinden. Zonder de foto’s die op het buffet staan te kunnen onderscheiden weet ik dat ik naar de ingelijste krantenfoto van vader en moeder kijk, op weg naar de als stemlokaal ingerichte gymnastiekzaal van mijn school. Moeder met dat kokette hoedje en in dat met witte biezen afgezette Chanelpakje, terwijl ze behendig de losliggende straattegels mijdt. En vader die haar, nadat hij de wagen heeft afgesloten, nonchalant volgt.
     Jaren geleden ben ik daar nog eens verzeild geraakt. Warrige herinneringen overschreven de werkelijkheid. Op slag bevond ik me weer in de tijdens de oorlog gebombardeerde woonwijk en doorkruiste de door brandnetels overwoekerde overblijfselen van funderingen. Omringd door een steeds levendiger verleden bewoog ik me door de straten. Te midden van renovatiewerkzaamheden in het schoolgebouw, zonder acht te slaan op de schaftende werklieden, trad ik licht en lenig in mijn voetsporen van weleer. Met onverwachte souplesse nam ik de op- en afstapjes in de gangen en sprong blindelings van halverwege de trap de gymnastiekzaal in. Het gebouw opende zich liefdevol. De herkenning was wederzijds. Hier was ik thuis, ofschoon de school me destijds vreemd was gebleven.
     Ik hoor mijn vrouw naar buiten gaan. Ze zwaait in het voorbijgaan naar me. Ik neem aan dat ze boodschappen gaat doen. Plots staat ze opnieuw voor het raam en wijst met gespreide vingers naar me. Ik moet bij het autoverhuurbedrijf nog vingerafdrukken laten afnemen. Een identiteitskaart volstaat niet meer.
     In de weerspiegeling van het andere raam zie ik mezelf aan tafel zitten. Achter de ruit staat een bordje met de naar buiten gekeerde tekst: ik kies voor glasvezelkabel. Mijn vrouw kiest voor glasvezelkabel. Op mijn laatdunkende houding tegenover alles wat sneller is informeert ze doorgaans gepikeerd wat er volgens mij vroeger dan beter was. ‘Luchtpostpapier,’ zei ik laatst. En luchtpostenveloppen met het opschrift air mail. Of gewone enveloppen, waarop je een zegel met par avion plakte.
     Ik moet opletten niet in slaap te vallen. Dit is leven na de dood. De ziekte van Ménière. ‘Dat kan er echt niet meer bij.’ Je moet evenwel door al die ziektes heen voordat de geneeskunde je laat gaan. Wat blijft is een paringsdans van scheefgegroeide herinneringen. Ik zie mijn hoofd verder tussen mijn schouders zakken en schuif de stoel naar voren zodat ik meer rechtop ga zitten.

    Stijfkopje staat voor de passpiegel te dansen. Ik had mezelf op die leeftijd nog nooit van top tot teen gezien. Vaders scheerspiegel hing buiten mijn bereik aan de post van de keukendeur. Wanneer ik alleen thuis was haalde ik de scheerspiegel van de spijker en onderzocht mezelf in de overtuiging dat ik ziek moest zijn.
     De keren dat ik nog de liefde met mijn vrouw bedrijf moet ik er mijn aandacht bij houden. Onze bewegingen verlopen niet meer synchroon. Plotseling komt ergens een been vandaan, of ik zoek naarstig naar een houding die ik vroeger aannam. Waar zich eens de spanning van wederzijdse aantrekkingskracht een weg naar binnen zocht, doolt nu de onrust van onvermogen en verlies. De strelingen voelen ongemakkelijk aan. Onze zintuigen zijn immuun voor elkaar geworden. Tenslotte krijg ik dan een kus op mijn voorhoofd alsof ik gezegend word.
     Stijfkopje komt me haar tekening laten zien.
     Ik heb nooit genoeg van mijn vrouw gehouden. Al wat ik uit de weg ben gegaan en onaangeroerd is gebleven. Al wat geheel of gedeeltelijk is misgegaan en niet af te wenden was. Je moet een ondeelbaar leven kunnen delen. Vervalste beelden.
     Met in elke hand een kleurpotlood is Stijfkopje weer in haar eigen wereld verzonken. De buitendeur wordt geopend. Stijfkopje loopt met haar tekening naar oma toe. Ik sta op en kijk vanachter het raam de straat in. De wijk is voor het verkeer afgesloten. De onlangs geplaatste lantaarnpalen zijn bij de storm van vorige week omgewaaid. Een buurman staat met een van de arbeiders te praten. We knikken elkaar goedkeurend toe. Ik steek mijn duim op.
     Mijn vrouw stapt binnen met een monter ‘Haj!’. Ze is op een tijdelijk bestand uit omdat we dadelijk met haar broer en diens vrouw uit eten gaan. Niettemin ergert ze zich alweer. ‘Kijk niet zo!’ Ik weet dat ik een zeker ongenoegen uitstraal, ook wanneer daar geen directe aanleiding toe is. ‘En je begint straks niet weer over die “aanstellerige” menukaart,’ bijt ze me toe. Als ze zo op die dikke hoge hakken door de kamer banjert, vormt de plankenvloer een klankbord voor het gemis dat me omsluit.
     De postbode komt de straat in en ik haast me naar buiten om de post te onderscheppen. Ik draai me om en zie mijn vrouw naar me kijken alsof ze zojuist met iemand over me heeft staan roddelen, nog met de woorden ‘Nu zie je het zelf!’ op de lippen. Ik weiger daarentegen een feestneus op te zetten om de neergang te verzachten.
     ‘En…? Heeft opa je vandaag nog wat geleerd?’ vraagt mijn vrouw aan Stijfkopje.
     Ik fluister: ‘Als je een gezin sticht…’
     Stijfkopje vervolgt: ‘Dan kun je de wereld nooit meer buitensluiten…’
     ‘Wat heb je dat kind nu allemaal weer verteld?’ vraagt mijn vrouw. Ze buigt zich over Stijfkopje. ‘Begrijp je wel wat je zegt?’
     Stijfkopje schudt haar hoofd zonder mij en mijn vrouw aan te kijken.
     Ik zeg Stijfkopje: ‘Maar je moet het wel onthouden, hoor!’ Ze huppelt met hoge sprongen weg. Ze weet hoe ze met mensen moet omgaan. Intussen maak ik aanstalten om haar terug naar huis te brengen.
     ‘Draag je geen masker?’ roept mijn vrouw terwijl ze Stijfkopjes jas dichtknoopt.
     ‘Het begint te misten… Een masker is overbodig…’
     Onderweg vraag ik mezelf af hoe ik het zo ver heb laten komen. Als het leven zinloos is, waarom gaat daar dan geen bevrijding van uit? Ik gluur her en der de huizen binnen. Stijfkopje zoekt op de tast mijn hand. We zijn echter al bij het muurtje waar ze altijd met losse handen overheen wil lopen. Bij een volgend muurtje, dat veel hoger is, pakt ze me weer vast. Naast ons stopt een auto. ‘Meneer, bent u hier bekend?’ Ik ben zo’n buurtvader geworden die je gegarandeerd de juiste kant op stuurt. Op het voetbalveld staat de grensrechter vanwege de opkomende mist met zijn vlaggetje tussen de lijnen.
     Stijfkopje groet een jongen die veel ouder is dan zijzelf.
     ‘Wie is dat?’ vraag ik.
     ‘Manu…’
     ‘Manu?’
     De jongen is huis-aan-huisbladen aan het bezorgen.
     ‘Die moet je zo half in de brievenbussen stoppen,’ klinkt het naast me.
     ‘Hoe weet je dat?’
     ‘Ik help hem soms met flyers. Die moeten uit de brievenbussen blijven steken.’
     ‘Weet je waarom dat is? Om te kunnen zien waar bewoners afwezig zijn…’ Het boeit haar niet. ‘Weet mama dat je met Manu omgaat?’ Ze reageert niet meer. Ze wekt de indruk dat ze liever tot de wereld van de jongen behoort dan de mijne. Ik bel bij haar huis aan en wacht tot er wordt opengedaan. Stijfkopje klopt tegen het raam. Er is een zoemtoon te horen en de deur zwaait open zonder dat er iemand verschijnt. Een kind uit een ander huwelijk.
     Vanaf de dijk zie ik het verkeer op de snelweg in een lavastroom van oplichtende en uitdovende remlichten tot stilstand komen. Zelf voel ik me allesbehalve gevangen in de gestaag dichter wordende mist. Het vervagen van de beelden werkt als natuurlijke anonimisering. Even betast ik mijn gezicht.
     Ik schuifel over het natte gras het talud af. Op het woonerf zijn al die dakkapellenbouwers en hun tot parkeerplaats geplaveide voortuinen in de nevel opgelost. Ik laat me gaan en begin spontaan bokkensprongen te maken als een koe die in het voorjaar de winterstal verlaat.
     ‘Waar bleef je nou?’
     Het verbaast mijn schoonzus dat mijn vrouw en ik het vergruizelen van het beton niet meer horen. Mijn vrouw sluit de ramen. Mijn zwager verdedigt de sloop van de winkelstraat. Hij maakt daarbij uit de losse pols een relativerende golfbeweging met zijn hand. Mijn schoonzus schiet hem te hulp met het woord ‘fluctuaties’. Golven in het luchtledige. Levens die niet door een nulpunt kunnen zakken.
     In de tussentijd open ik de horeca-app om me ervan te vergewissen dat het restaurant nog niet vermeld wordt. Nu ik hen er nogmaals op attendeer dat we geen masker hoeven te dragen, vergeet mijn schoonzus even haar goede manieren. Ze is altijd wel voor gekkigheid te vinden. Buiten staan mijn vrouw en zwager gelaten met een masker over het gezicht op ons te wachten. Een verre, vage stem in de mist schept een veilige afstand tot passanten. Naarmate de beide dames inzien welke speelruimte dit biedt, stijgt hun opwinding. Hand in hand dartelen ze uitgelaten in het rond. Mijn zwager praat aanvankelijk nog door over zijn vrijheid om elke maand zijn bundel te wijzigen, totdat mijn schoonzus hem met kroelende gebaren als een striptease-act van zijn masker ontdoet. ‘Ik ga meteen een foto van ons maken!’ gilt mijn vrouw. De dames worden steeds baldadiger. Met het masker in de nek en het hoofd in de wolken draait mijn vrouw als de kunstrijdster van weleer de dubbele axels en pirouettes van de vrije kuur.
     Zodra de hoogbouw uit de mist opdoemt, schuiven we alle vier in een reflex ons masker voor.

Over de auteur

Hans van Rijkom heeft onder andere de richting Film van de Vrije Academie in Den Haag gevolgd en in de filmindustrie in Berlijn gewerkt.

Over de illustrator

Joris de Jong (1993) studeerde Comic Design aan Artez en Animatie aan de Willem de Kooning. Momenteel werkt hij als freelancer voor verschillende bedrijven en particulieren. Bekijk zijn werk op Instagram.

Lees meer uit de categorie Proza

Weekwater

Door Maren Vandenhende

Sommige dingen moet je ondergaan, zoals het koude water aan het begin van een douche, de hard geworden stukjes brood in smeerpasta en de doorsteekweggetjes die naar ochtendurine ruiken. Met mensen is dat ook zo. Ze zeggen dat we enkel voorkomen in paren. Sneetjes kaas die nu eenmaal bij elkaar horen alsof ze één dikke […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper