Proza Voorpublicatie

Voorpublicatie: Max Hermens

Door Max Hermens | beeld: Jasha Minkjan
22 november 2019

Hieronder lees je een fragment uit het titelverhaal van Toch zonken ze niet, het chapbook van Max Hermens, dat eind november verschijnt bij Wintertuin Uitgeverij.

De hoofdpersonages in de verhalenbundel Toch zonken ze niet zijn jong en groeien op in een dorp waar ze ieder op hun eigen wijze worstelen met klassenverschillen, armoede, eenzaamheid en sociaal isolement. Vanuit hun slaperige omgeving trekken ze de buitenwereld in. Daar maken ze avonturen mee die klein lijken, maar op hen een diepe indruk maken.


Toch zonken ze niet

voor Lars

Ik loop het dorp uit en neem de kortste weg naar de jachthaven, over de camping. Het seizoen is net afgelopen, op de parkeerplaats staan twee Duitse auto’s met mountainbikes op de fietsendragers. Een camper pruttelt bij de uitgang. De chauffeur staat bij de receptie en leunt over de balie om mee te kijken met de receptioniste. Ik klem mijn schooltas tegen mijn rug en schiet onder de slagboom door, sprint naar de eerste bocht in de weg
    Sommige mensen wonen er langer dan toegestaan is. In hun tuinen staan rond geknipte struiken, parasols, porseleinen poezen bij de voordeur. Vogelhuisjes en potten pindakaas aan de muur. Ik loop langzaam, ik heb geen haast, het is nog vroeg in de ochtend. Ik bedenk me dat ik minstens tot twee, drie uur in de middag moet wachten voordat ik weer naar huis kan. Eerder zal opvallen. Sinds het gedoe met de lening van de bank hebben we geen vaste telefoonlijn meer. Pap heeft de kabels gewoon uit de muur getrokken. Dat is in ons voordeel, heeft hij gezegd, en voor mij betekent het in ieder geval dat school niet kan bellen om te vragen waar ik ben.
     Aan de waslijnen hangen afritsbroeken, badpakken en synthetische sportshirts in felle kleuren. Ondergoed ook. Wit of beige, met verkleuringen bij het kruis. Ik fantaseer dat ik een meisje van mijn leeftijd tegenkom. Of al iets ouder. Zestien, zeventien. Dat ze ligt te zonnen in haar voortuin, lichtblauwe bikini, bruin haar. Slank maar niet te slank. Het maakt mij niet eens uit als ze nog geen borsten heeft. Daar gaat het niet om. ‘Mijn ouders zijn de hele dag weg,’ kan ze zeggen. ‘Ik verveel me.’ Of zoiets. De gulp van mijn broek wordt naar voren gedrukt. Het verbaast me, ik heb voor het ontbijt nog gemasturbeerd. Ik doe mijn handen in mijn zakken en bal ze tot vuisten, zo valt de bult minder op.
    Ik stop bij de stacaravan waar we zijn gaan kijken met de man van de gemeente. Mam zei tegen Ralf en mij dat het goed voor ons is om mee te denken over zulke beslissingen. In de tuin staan twee klapstoelen en een wasmolen met plastic knijpers waarvan de kleuren door de zon zijn vervaagd. Over de plexiglas ramen van de caravan lopen gelige strepen; schimmels die met het regenwater meegroeien. Ik kan er aan de ene kant naar binnen kijken en door de achterkant weer naar buiten. De gemeenteman heeft ons de slaapkamers laten zien zonder er zelf naar binnen te gaan, dat was te krap. De deuren waren een soort stijve, leren gordijnen. Ik sloot de deur van wat mijn slaapkamer zou worden en kon de gesprekken in de woonkamer nog horen. Mam vroeg aan mijn broer of hij ons hier wel zag wonen. Ralf schreeuwde dat hij over een jaar toch het huis uit ging.
    De camping ligt aan een inham van de rivier. Het water stroomt er niet en wordt daardoor in de zomer een stuk warmer, maar het heeft wel dezelfde roestige kleur. Er is een zandstrand aangelegd, met schelpen en een houten steiger. Als je diep genoeg graaft stuit je op grijze rivierklei. Ik loop naar de achterkant van de camping, daar wonen de Polen. Er is een hek met een tweede slagboom en een informatiebord in het Pools. De caravans staan in rechte rijen opgesteld, hun perken hebben geen gras maar grind.
    Een vrouw ligt te zonnen op een vergeelde ligstoel. Het verrast me, het is toch al herfst, hoewel het nog niet koud is. Ik zak door mijn knieën. De vrouw ligt op haar buik, haar gezicht van mij weggedraaid. Haar badpak is naar beneden gevouwen. Ik kan haar hele rug zien. Ze is misschien zo oud als mijn moeder, maar ze is niet mijn moeder. Ik kijk om me heen. Het is stil op de camping. Ik doe mijn rugzak af en zet hem voorzichtig in het grind, verstop mezelf onder een caravan. Ik lig op mijn buik en pak mijn telefoon. Ik druk hem onder de caravan door, zo kan ik de vrouw net zien. Er zitten barsten boven in het scherm. Ik heb hem van mijn oom gekregen, toen was het scherm nog heel. Mijn oom is een keer in Amerika geweest. Ik weet dat mijn ouders het niet kunnen betalen, maar ik heb toch om een nieuwe gevraagd.
    Ik zoom in, nu is alleen nog maar haar rug te zien. Het beeld is wel scherp, dus ik steun met mijn kin op mijn handpalm en wacht geduldig. Het zand onder de caravan ruikt vochtig. Het is grijs, de rivier is hier ooit hoger geweest.
    De vrouw leunt op haar ellebogen om op haar telefoon te kijken. Ze houdt hem op een afstandje en knijpt haar ogen klein. Ik kan haar borsten zien, ze hangen in de schaduw van haar eigen lichaam. Het gestreepte patroon van de ligstoel is in haar huid gedrukt. Bovenaan worden de borsten smaller, daar zitten diepe rimpels in de huid, alsof deze onder de spanning droog en leerachtig is geworden. Ik voel mijn piemel tegen het zand duwen. Ik hou mijn adem in en druk op de fotoknop. Het sluitergeluid! Ik trek de telefoon naar me toe en hoop dat ze het niet gehoord heeft.

Ik ren de dijk op en daal aan de andere kant af naar de oude jachthaven. Het prikkeldraad hangt doorgezakt tussen de houten palen. Onkruid groeit er ongestoord, bramen, haagwinde – allemaal zwermende slierten die over elkaar klimmen. Ik trek de prikkeldraden uit elkaar, stap ertussendoor. Rond de rottende steiger liggen zes sloepen, de meeste afgedekt met zeil dat groen ziet van de algen. Ik kom voor de blauwe, de enige sloep in de haven met een kajuit. Aan de deur hangt een stevig kettingslot, daar is niet doorheen te komen, maar in het dak zit een smal luik dat als luchtgat dient. Het klapt knarsend open en is net breed genoeg voor mijn heupen. Binnen in de kajuit een hoekbank en wat schappen met opgebrande kaarsen en lege wijnflessen. Op de vloer verpakkingen van koeken en chips – die laat ik altijd gewoon achter.
    Ik neem een sigarettenvloeitje en sla mijn biologieboek open. Daarin bewaar ik de wietkruimels. Ik heb ze vanochtend van Ralf gejat, hij is toch nooit thuis. Sinds het gedoe met de bank slaapt hij steeds vaker bij zijn vriendin. Hij zegt dat dat is omdat ze tegenover de bushalte woont, maar hij slaapt er ook in het weekend en dan is er geen school om met de bus naartoe te moeten. Tegen de muur van zijn kamer staat zijn oude drumstel, onder in de bassdrum bewaart hij de wiet, tussen de dekens. Ik krabde wat korrels van de wietknoppen, niet te veel, dan zou hij het merken. Daarna trok ik de knoppen uit elkaar, zodat het leek alsof er niets uit het zakje was gehaald.
    Met een scheve joint ga ik op mijn rug liggen en sluit ik mijn ogen. Ik adem diep in en hou de rook lang vast in mijn longen. Dan word ik sneller high en verbruik ik ook minder wiet, op die manier kan ik vaker blowen zonder dat Ralf erachter komt. Ik blaas richting het luik in het plafond. De boot slaat tegen de steiger, een holle bons gonst door de kajuit.
    Ik bekijk de foto’s die ik van de vrouw gemaakt heb. De meeste verwijder ik, ik bewaar alleen de  beste. Haar rimpelige hoofd knip ik eraf, daar schaam ik me een beetje voor. Ik bewaar alleen haar druppelvormige borsten. Deze foto’s doe ik in een speciale map, die goed verstopt is op mijn telefoon. ‘Kwartaalcijfers’ heet de map. Dat woord staat op een klapper in de woonkamerkast, het lijkt me precies saai genoeg.
    In de map zitten al zeven foto’s. Op de eerste twee staat de ex van een vriend van mij – die heeft hij naar mij doorgestuurd omdat ze de piemel van een klasgenoot had aangeraakt tijdens de schoolreis naar Krakau. De foto’s zijn niet heel helder, maar als je goed kijkt zie je haar billen onder de dekens uitkomen. Dan zijn er nog twee foto’s van Floor. Die zijn niet naakt, maar wel scherp. Ik heb ze zelf gemaakt toen ze in haar zwarte bikini naast mij lag. Op de eerste foto houdt ze haar handen voor de camera, onder in beeld nog net de schaduwlijn tussen haar borsten. Op de tweede vormt haar bikinibroekje een brug tussen haar heupbotten. Het lijkt alsof je er naar binnen kan kijken. Natuurlijk is dat niet zo, maar het gaat om het idee. Bovendien is hij haarscherp, die foto. Onder haar navel glimmen blonde donshaartjes.
    De laatste drie foto’s in mijn map zijn van Jellie Jordaan, die heeft iemand stiekem gemaakt na het gymmen. Daarop zie je alles, maar die heeft iedereen op school en dat geeft ze iets smerigs.
    Ik doe de twee nieuwe foto’s erbij. Nu zitten er negen foto’s in de map. Natuurlijk bestaan er miljoenen naaktfoto’s, maar deze zijn het beste. Deze mensen heb ik zelf gezien.
    Eerst kijk ik of er niemand in de buurt van de boot is, daarna schuif ik de muffe gordijnen van de kajuit dicht. Ik knoop mijn broek los en bekijk de foto’s van de vrouwenborsten. Het voelt nog beter als ik high ben. Toch lukt het niet met alleen de nieuwe foto’s, ik moet de andere ook bekijken. Als ik klaarkom draai ik vlug op mijn zij. De druppels vallen dik en wit op de vloerplanken. Daarna worden ze doorzichtig.
    Een meeuw landt op de kajuit. Ik hoor zijn poten over het dak krassen. Hij tikt met zijn snavel tegen het metaal. Ik til mijn hoofd op om hem te bestuderen, maar ik moet meteen hoesten. De meeuw vliegt krijsend weg.

Ik herken haar meteen. Jellie Jordaan loopt over de dijk, haar fiets in de hand. Op de bagagedrager haar blauwe rugzak, omhooggehouden door een metalen beugel. Het verbaast me, ik heb hier nog nooit iemand van mijn leeftijd gezien. Haar fiets maakt een knarsend geluid, alsof er iets tegen het wiel schuurt. Ik stop mijn telefoon weg en trek mijn broek omhoog. Steek mijn hoofd door het luik naar buiten.
    ‘Fiets kapot?’ roep ik.
    Ze begint harder te lopen. Haar fiets maakt snellere schaafgeluiden. Ze hoopt natuurlijk dat ik haar weer zal vergeten. Even denk ik dat ik haar gewoon moet laten gaan, maar ik verveel me, ik heb de hele dag nog niemand gesproken.
 ‘Wacht! Je fiets, wat is ermee?’
    Ze stopt. Ik beklim de dijk. Ze blijft met haar rug naar mij toe staan, haar hoofd verstopt tussen haar schouders, alsof ze op elk moment een mep in haar nek verwacht. Haar haren zitten in een warrige knot, ik kan niet zien of ze krullen of gewoon heel droog zijn. Ze komt niet van hier. Ik bedoel, ze komt uit een stad in het westen, ik weet niet meer welke. Ik hurk bij haar achterwiel. Wrik aan de kettingkast. Het is een oude fiets, de kast nog van leer in plaats van kunststof. De roestige ketting ligt eraf en klemt tegen het wiel.
    ‘Gevallen?’
    Het duurt lang voordat ze reageert. Haar stem is zacht, ik moet goed opletten, anders hoor ik haar niet.
    ‘Nee… Gewoon.’
    ‘Til eens op.’
 Ze durft mij nog steeds niet aan te kijken, maar ze klemt haar hand achter het zadel en tilt het achterwiel op. Ik geef het wiel een ruk en meteen schuift het zichzelf klem.
    ‘Je ketting ligt eraf, maar dat is niet moeilijk,’ zeg ik. Ik wijs op de scheur in het leer van de kettingkast. ‘Heeft iemand dit onderweg gedaan?’
    Jellie lijkt verbaasd dat ik kan zien dat haar fiets met opzet kapot is gemaakt. Ze schudt haar hoofd.
 ‘School.’
    Meer zegt ze er niet over. Drie foto’s. Ik wil haar een beetje geruststellen, ik wijs op de dijk die langs de inham slingert.
    ‘Dit is een mooie route, hè? Fiets ik ook soms. Heb hier een keer een wilde das gezien.’ En omdat ze daar niet op reageert: ‘Een soort wasbeer, maar dan dikker. Luister, ik kan hem wel repareren, maar dan moet-ie…’
    ‘Hoeft niet,’ zegt ze en vouwt haar handen om het stuur, haar rechtervoet al op de trapper.
    ‘Zo gebeurd hoor. Echt.’
    Ik klap het fietsstandaard uit en til haar rugzak van de bagagebeugel. De blauwe kleur is vervaagd, de stof heeft iets groenigs. Meteen grijpt Jellie de schouderbanden en trekt hem naar zich toe. Ik laat de rugzak los, ze klemt hem tegen haar borst. Ondertussen ga ik op de bagagedrager zitten en leun naar achteren, het voorwiel komt omhoog als een steigerend paard. Voorzichtig laat ik het stuur op de grond zakken.
    Ik laat haar zien dat ik de fiets ook echt wil repareren, dat ze niet bang hoeft te zijn. Ik ruk aan een ijzeren lus. Het oude leer komt los, ik buig het krakend van de ketting. Eindelijk draait ze zich naar mij toe.
    ‘Jellie, trouwens,’ zegt ze en drukt een wijsvinger tegen haar borstkas.
    ‘Weet ik.’
    Ze bijt op haar lip. Mijn naam vraagt ze niet. Ik trek de ketting recht en leg hem over het tandwiel bij de trappers, rol hem er langzaam weer op.
    ‘Was je al vroeg uit?’ vraag ik.
    Ze pulkt aan de rits van haar rugzak.
    ‘Gaat alles wel goed?’
    ‘Ben weggegaan.’
    ‘Geen zin meer?’ lach ik.
    Ze schudt van niet.
    ‘Ik ben vandaag helemaal niet gegaan,’ zeg ik.
‘Soms wil het gewoon niet, of zo.’
    Een korte lach schiet door haar mond naar buiten, ze lijkt er zelf van te schrikken, ze zuigt de ademtocht meteen terug en klemt haar lippen op elkaar. Ik plaats de leren kast over de ketting. Jellie helpt me, met haar vrije hand duwt ze de ijzeren draad terug de gaatjes in, haar andere hand verlegen tussen haar bovenbenen gedrukt. Daarna stapt ze op en fietst een paar meter. De fiets kraakt aan alle kanten, maar hij doet het weer. Ze draait haar hoofd om.
    ‘Dank je.’
    Haar ogen laten het asfalt niet los.

Ben je benieuwd naar het vervolg van dit verhaal of naar meer van Max’ werk? Je vindt zijn chapbook in de webshop van De Nieuwe Oost | Wintertuin. Op zaterdag 30 november presenteren Max en Merel hun werk in unieke performances tijdens het Wintertuinfestival in Doornroosje. Daar kun je de chapbooks ook aanschaffen en laten signeren. Meer info en kaartjes vind je op www.wintertuinfestival.nl.

Een voorpublicatie uit het chapbook van Merel vind je hier.

Over de auteur

Max Hermens schrijft verhalen en essays. Zijn werk verscheen onder andere in Das Magazin en op Rekto:Verso, deFusie, Hard//hoofd, De Optimist en De Internet Gids. Max draagt zijn werk voor op verschillende podia en geeft daarnaast schrijfcursussen op de Radboud Universiteit. Zijn verhalen gaan over het platteland en de natuur, en over kinderen die op onbenullige avonturen gaan. Max zit in een talentontwikkeltraject van De Nieuwe Oost | Wintertuin.

Over de illustrator

Jasha Minkjan is een Zwolse animator en theatermaker, samen met Lynn de Rijk maakt ze onder de naam Studio Opus animaties en voorstellingen. Ze ziet animatie als een statisch medium en wil met het vluchtige karakter van theater animatie meer laten beweging. Ze maakte werk voor het Rijnstate ziekenhuis in Arnhem, de Universiteit voor Humanistiek en in de kerk de Peperbus is tot en met april een animatie over de stad Zwolle te zien.

Lees meer van

Verhalen die bijna geen verhalen zijn. Over Alice Munro

Door Max Hermens

In samenwerking met De Nieuwe Garde – een platform dat de krachten van de literaire, culturele en wetenschappelijke velden verenigt, en die inzet om beloftevolle schrijvers hun weg in de essayistiek te laten vinden – publiceert De Optimist met gepaste trots en groot enthousiasme ‘Verhalen die bijna geen verhalen zijn. Over Alice Munro’, een essay van Max Hermens. Van […]

Lees meer uit de categorie Proza Voorpublicatie

Voorpublicatie: Merel van Slobbe

Door Merel van Slobbe

Hieronder lees je vier gedichten van Merel van Slobbe uit Aan de rand van een lichaam, haar chapbook dat eind november verschijnt bij Wintertuin Uitgeverij.  In de bundel Aan de rand van een lichaam brengt Merel van Slobbe poëzie en filosofie bij elkaar in een zoektocht naar online en offline identiteit. Ze experimenteert met zichtlijnen om […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper