Essay

Spionnen

Door Sonja Schulte | beeld: Amarens Eggeraat
7 januari 2020

I: De oplawaai

Toen Viktor & Rolf jaren geleden tijdens hun zomergastenavond een scène van Al Pacino lieten zien was ik daarvan onder de indruk. Het was een moment uit Angels in America, een tv-serie uit 2003, naar het bekende toneelstuk van Tony Kushner uit 1991. Pacino’s personage, Roy Cohn, fulmineert tegen zijn dokter, die na een onderzoek probeert het beestje bij de naam te noemen: aids.   

‘Zoals alle labels vertelt het je maar één ding. […] Geen ideologie, of seksualiteit, maar iets veel simpelers: invloed. Niet wie ik neuk of wie mij neukt, maar wie de telefoon opneemt als ik bel. Wie me iets verschuldigd is – dát is waar een label naar verwijst. Homoseksuelen zijn niet mannen die met andere mannen slapen. Homoseksuelen zijn mannen die, met vijftien jaar proberen, het níét lukt een anti-discriminatiewet erdoor te krijgen bij de gemeenteraad! Homoseksuelen zijn mannen die niemand kennen, en wie niemand kent. Die geen enkele invloed hebben. Klinkt dit als mij, Henry?’

Cohn, een machtige man, legt uit dat hij misschien wel gay is, maar niet gay. Met zijn zwarte, vervaarlijk flitsende ogen en vooral die raspende, intimiderende stem maakt Pacino hier eens en voor altijd duidelijk dat zijn personage inderdaad seks heeft met mannen, maar de maatschappelijke connotatie die aan de identiteit ‘homoseksueel’ kleeft pertinent afwijst. Die connotatie zou hem machteloos maken en dat is juist niet wat hij is. Hij ontkent niet homo te zijn, hij weigert zich daardoor bij een groep te laten insluiten. Hij presenteert zich als een individu, en wat voor een: iemand die veel meer aanzien in de maatschappij heeft dan bij ‘a homosexual’ het geval kan zijn.
            Dokter Henry concludeert braaf dat hij onder de indruk is van Cohns passionele monoloog. Maar daar gaat het Cohn niet om. Hij zegt dat hij niet wil dat Henry onder de indruk is, maar dat hij het begrijpt: ‘Dit is geen drogredeneren. En het is geen hypocrisie. Dit is de realiteit.’

Inmiddels weet ik dat Roy Cohn echt bestaan heeft en geen mens was om naar op te zien. Zijn succesvolle carrière was een resultaat van gewiekste gewetenloosheid: de advocaat was een van de aanjagers van McCarthy, haalde de broer van Ethel Rosenberg met een dwingend kruisverhoor over om te liegen, wat ertoe leidde dat het echtpaar op de elektrische stoel terechtkwam, en vertegenwoordigde de huidige president van Amerika tegen beschuldigingen van racisme. Bizar genoeg is hij zelfs een van de mensen geweest die Eisenhower in de jaren vijftig beïnvloedde een wet te tekenen die ‘homosexuals’ verbood deel uit te maken van de regering.
            In 1986 werd hij uit zijn beroep ontheven en twee maanden later stierf hij aan die ziekte, aids, die hij altijd leverkanker heeft genoemd. Maar toen ik destijds Zomergastenkeek, wist ik dat allemaal nog niet. Ik zag alleen iemand een monoloog afsteken waarvan ik zodanig onder de indruk was dat die me bijbleef. Vooral begreep ik wat Viktor & Rolf hiermee wilden laten zien: dat labels niet zo belangrijk zijn.

Een paar jaar later stond ik met een vriendin in het park te genieten van het nieuws dat zij mij in haar lunchpauze eindelijk had kunnen vertellen: ze was zwanger van de donor die zij en haar vrouw hadden gekozen. Terwijl zij gloeiend van trots haar boterham opat, vroeg ik haar weer eens gefrustreerd hoe ze zo zeker wist dat ze op vrouwen viel. Ze lachte schamper. Dit gesprek hadden we al vaker gevoerd.
            Ik wist het eigenlijk ook wel, van mijn eigen label, maar wilde er niet aan geloven. Ik zei tegen haar: ‘Het is net of ik twee schoenmaten heb, de ene keer 37, de andere keer 38. Het ligt aan de schoenen.’ Zij vond dat een leuke analogie voor biseksualiteit. Ik zei: ‘Het is zo vreemd dat iets wat zo volkomen normaal en natuurlijk is als een afwijking wordt gezien.’ Daarop knikte ze geduldig. Ze wist het al.

Langzaam en door de jaren heen werd mij steeds duidelijker dat een van de onderdelen van mijn identiteit buiten de norm van onze maatschappij valt. In dat proces is een van de opvallendste ervaringen geweest dat wat voor mij vanzelfsprekend is, dat voor anderen niet altijd hoeft te zijn. Ik ontdekte niet dat ik biseksueel ben, maar dat anderen dat niet zijn.
            De scène uit Angels in Americais een van de van de belangrijkste onderdelen in dat proces geweest. Dat komt omdat de kluwen die ik maar niet ontward kreeg steeds weer te maken had met twee kanten, die elkaar maar niet ophieven: zwart of wit, links of rechts; man of vrouw. Op wie viel ik nou en wat was ik dus? Hetero was het meest logisch. Kon ik wel lesbisch zijn als ik nog nooit een relatie met een vrouw had gehad? Was ik wel hetero als ik steeds weer op vrouwen viel? Was ik wel lesbisch als ik op een vrouwenfeest een crush had op de barman? Was ik wel hetero als… Ik dacht dat ik moest ontdekken, door middel van deductie, wie ik was.
            Het is niet zo dat ik nog nooit van biseksualiteit had gehoord, het is dat ik dat niet wilde zijn. Omdat ik dan geen houvast zou hebben. Omdat er geen duidelijke regels voor zijn. Omdat ik al had geleerd dat biseksueel zijn, zowel in de hetero- als de homowereld, niet altijd juichend wordt ontvangen. Ik had relaties met mannen gehad die het eerst wel amusant en opwindend vonden dat ik bi was en daarna toch best bedreigend. In een kroeg praatte ik een avond urenlang met een leuke vrouw die, toen ze erachter kwam dat ik ook op mannen viel, vriendelijk bedankte. Ik had een tweede date met een vrouw die lacherig en een tikje betrapt toegaf dat ze het eigenlijk ook niet echt tof vond. ‘Zeker niet als je hoort dat ze daarna weer teruggaan naar een man. Ik bedoel, je voelt je dan toch gebruikt.’
            Ik was er moe van steeds voor een deel niet te voldoen. Ik probeerde dus uit te zoeken welk deel het minst sterk was en probeerde dat af te snijden, zodat ik voor niemand ambivalent of bedreigend zou zijn. Ik wilde door deze fase heen, een basis hebben, landen, rust.  
            Ik wilde geen spion zijn, want zo voelde ik me.

Wat is een spion? Een spion is iemand die op de verkeerde plaats is. Een spion is bovendien iemand die dat expres doet, dus iemand die je niet kunt vertrouwen. Iemand die ergens is waar zij eigenlijk niet aanwezig hoort te zijn, iemand die stiekem kan meeluisteren met een groep waar zij niet toe behoort. Een spion hoort bij de vijand.

Ik wilde, o zo simpel, horen bij een van de twee groepen. Want wie wil nou een relatie met een spion? Jarenlang probeerde ik me, belachelijk genoeg, zo lesbisch of juist zo hetero mogelijk te gedragen, probeerde ik te voldoen. In al die tijd kwam het vooral niet in me op dat er niets gededuceerd hoefde te worden,­ dat deductie nu juist het probleem was. Roy Cohn hielp me daarbij.  

II: De kuil

Nadat die strijd was gestreden was het tijd voor de volgende stap: ik kwam uit de kast. Dat gaat niet in één keer, leerde ik, dat moet heel vaak opnieuw. Ten eerste bij mijn vrienden, mijn familie. Een paar collega’s. Vervolgens bij de rest van de maatschappij. En daarbij bleek al snel: uit de kast komen is een van de vreemdste dingen die er zijn.
            Tot nu toe zag niemand aan je dat je anders was. Tot nu toe was er niets aan de hand. Maar nu maak je duidelijk dat je niet volledig voldoet aan de norm. Je zorgt daar zelf voor, dat is de crux. Als je niet uit de kast komt kun je rustig doorleven, niets aan de hand, hetero, incognito. Maar je doet het wel, om onontkoombare redenen, en nu, elke keer dat je een nieuwe collega ontmoet, of zomaar iemand op een feestje, of op welk moment dan ook dat je besluit hardop te weerleggen dat je hetero bent, zet je jezelf in de marge. Het voelt alsof je een beetje in een kuil zakt.
            Het is bitterzoet: vanaf nu ben je eindelijk jezelf, wat een opluchting, maar ook hoor je er nu niet meer helemaal bij. Als een film wordt geschreven over jouw leven is het vanaf nu geen film, maar een gay film. Als je trouwt is het ineens een gay wedding en als je kinderen krijgt komen die uit een gay gezin. Als je thee wilt drinken is het gay thee, de schoenen die je draagt zijn gay. Dat is voor jou misschien nieuw, maar het is net als: geen voetbal maar vrouwenvoetbal, geen schrijvers maar ‘women writers’, geen muziek maar zwarte muziek, geen taal maar slang, geen dansen maar urban moves. Al deze termen zijn leugens.
            Ik vond het verwarrend dat sommige dingen die ik al jaren leuk vond ineens ‘gay’ waren en sommige ook weer niet. Het verschil was voor mij totaal niet duidelijk, voor anderen wel. Eerst voelde dat als verraad. Als mijn geaardheid zo zichtbaar was, waarom had ik er dan zo in mijn eentje mee moeten worstelen? Tot ik iets ontdekte aan deze bevestigingen: ze werden met terugwerkende kracht gevonden. Wat er gebeurde was niets minder dan dat een heleboel dingen die eerder niemand opvielen, nu in het licht van de regenboog begonnen te glanzen.
            Mijn verbazing hierover sloeg eerst om in irritatie. Op mijn werk vroeg ik snerend om lesbische thee en vertelde ik dat ik het liefst lesbische telefoonopladers kocht, maar qua toestel juist koos voor een heteroseksuele. Soms werd op zo’n opmerking serieus gereageerd, waarop mijn frustratie groeide. Nu volstrekt neutrale objecten van inhoudelijke betekenis veranderden, voelde ik mijn stemming die van Roy Cohn naderen.
            Toen ik de scène voor het eerst zag begreep ik hem, nu wist ik ook hoe het voelde.

Tot mijn verbazing kwamen zowel de kuil als het concept van de spion duidelijk terug in een Amerikaanse satirische horrorfilm uit 2017. Als in Get Out op een gegeven moment blijkt dat de   hoofdpersoon in gevaar is en hij zo snel mogelijk weg wil van die plaats, kan zijn vriendin hun autosleutels niet vinden. Ze blijft stilstaan op de trap, zoekend in haar tas. Terwijl hij langzaam buiten zinnen raakt van angst blijft zij nerveus herhalen, als een bange vogel: ‘Ik zoek! Ik ben aan het zoeken!’ In het Engels zegt ze: ‘Looking!’ En omdat dat hetzelfde als kijken betekent, zegt ze dus (ook) het volgende terwijl ze in haar tas rommelt:
            ‘Ik ben aan het kijken!
            Ik ben aan het kijken!
            Ik ben aan het kijken!’
            Je maakt mij niet wijs dat Jordan Peele, de maker van de film, hier niet heel duidelijk een punt maakt: dit is dus wat je als witte geliefde níét moet doen. Kijken, kijken, kijken en niets doen: dat is niet naast hem in de kuil gaan liggen, dat is alleen maar kijken hoe je vriend erin ligt.
            Toen ik deze scène zag, herkende ik in de bange vogel mijzelf. Dat lijkt me dan ook Peeles bedoeling. Ze lijkt ook echt op mij: we hebben schouderlang bruin haar, hetzelfde postuur, zijn even oud, hoogopgeleid, we proberen zo goed mogelijk te begrijpen hoe racisme werkt en daar niet aan mee te doen. En we zijn niet in gevaar. We zijn niet zwart, zoals haar vriend. We zijn niet de man die de kuil in zakt. Want in deze satirische, maar ook bloedserieuze horrorfilm over het gevaar dat de witte Amerikaanse buitenwijken voor zwarte mensen vormen, komt de kuil allersterkst terug. En wel verrukkelijk briljant: letterlijk.
            Toen ik zag hoe de hypnose van de hoofdpersoon werd verbeeld als het wegzakken in de grond, tot hij geen houvast meer heeft, tot hij helemaal alleen machteloos rondzweeft in een leegte, dacht ik: ‘Ja! Dat ken ik!’ Ik vond het een geniale, brutale, eerlijke, moedige vondst: die kuil gewoonte laten zien.

III: De plotwending

Nu ik wist dat ik niet hetero was realiseerde ik me ook sterker waarin ik wél aan de norm voldoe, en vroeg ik me af of ik daarvoor verantwoordelijkheid zou moeten nemen. Rap kwamen er, naast biseksueel, nieuwe non-identiteiten bij: niet zwart, niet gehandicapt, geen vluchteling, geen tweede- of derdewereldbewoner. Ik besefte dat er veel kuilen moesten zijn waar ik niet in zat. Ik wilde die mensen helpen. Ik voelde de drang daar iets aan te doen, maar ook grote onzekerheid. Want hoe doe je dat, niet langs de kuil van een ander te lopen? Ik wil niet die hysterische vriendin zijn die panisch haar sleutels ‘zoekt’.

Toen ik hierover nadacht, herinnerde ik me nog een spion. Ik dacht aan een plotlijn uit een roman. Open stad van Teju Cole is een boek dat gaat over discriminatie op basis van ‘ras’ (ook al zo’n leugen). Het vertelt het verhaal van een zwarte man uit Nigeria die in New York moet leren leven. Het onderwerp is huidskleur en discriminatie. Maar is dat wel het enige onderwerp?
            Gedurende het verhaal komt de hoofdpersoon steeds, toevallig, of misschien wel niet toevallig, een vrouw tegen. Ze is iemand die hij kent van vroeger, ze was het zusje van een vriend van hem. Ze irriteert hem een beetje, maar verwart hem vooral. Waarom is ze steeds overal waar hij ook is? Wat moet ze van hem? Er is iets met haar, ze laat hem niet los. Dat is mooi gedaan: het personage kun je ook lezen als een allegorie van irritante gedachten die blijven knagen aan je brein. Wat is er nou toch, wat ontglipt hem steeds?  
            Aan het eind komt hij erachter. De hoofdpersoon ontdekt dat er een reden is dat zij hem steeds volgde, dat er inderdaad iets is dat ze van hem wil: erkenning. Onze held komt erachter dat hij een verkrachter is.
            De hoofdpersoon van Open stad is dus niet alleen een zwarte man die witte mensen uitlegt hoe het is om gediscrimineerd te worden, maar ook een man die niet geluisterd heeft toen een vrouw ‘nee’ tegen hem zei. Hij is slachtoffer én dader.
            Dat hij haar verkracht heeft, wist hij niet. Hij kan zich, dronken als hij was, niet veel van die avond herinneren. Dat Cole hiervoor kiest is een meesterlijke zet. Het maakt een heel sterk punt, namelijk: voor een man is een verkrachting, of een verkrachtingscultuur, niet iets waar hij veel mee bezig hoeft te zijn. Hij komt het nergens tegen. Zelfs niet, of juist niet, als hij de dader is.      
            Drie weken na het lezen van het boek doe je de afwas en denk je nog eens na. Over slachtoffer zijn, over dader zijn. Twee maanden na het lezen ervan loop je naar je werk en ineens begrijp je een situatie uit je verleden beter. Iemand die ooit boos op je werd, toen jij vond dat hij of zij overdreef. Je had het toch helemaal niet vervelend bedoeld? En weer eens afwassend denk je opnieuw na, over het beeld dat je van jezelf hebt. Ben je eigenlijk best wel racistisch? Hoeveel vriendschappen met zwarte mensen heb je? Hoeveel met vrouwen? En ga je anders met hen om dan met je witte of mannelijke vrienden?
            De man die dit boek leest en zich identificeert met de hoofdpersoon wordt door Cole precies zo met zijn neus op de feiten gedrukt als het vrouwelijke personage dat bij de hoofdpersoon doet. Zo geeft de auteur haar op ingenieuze wijze toch alle ruimte. Cole maakt gebruik van zijn machtspositie als man om een vrouw uit de marge te halen.
            Zo is Teju Cole een spion. Hij is iemand die hoort bij de vijand, hij is iemand die de macht heeft van de man. Maar hij gebruikt die kennis om een vrouw, ‘de vrouw’, te helpen. Hij laat mannen die zijn boek lezen iets ervaren. Naar hem luisteren ze wel. Hij is als het ware een spion voor de vrouwen. Hij maakt gebruik van zijn eigen ervaring en kennis om zich in te leven in een andere gemarginaliseerde persoon, ‘de vrouw’, en denkt erover na hoe hij in zijn positie daarin kan helpen. En levert vervolgens een briljante bijdrage af.
           
Op die manier denk ik dus nu ook na. Waar kan ik een spion zijn? Over homoseksualiteit durf ik wel te schrijven, over biseksualiteit al helemaal, en ook over feminisme en seksisme durf ik wat te zeggen. Maar wat weet ik nou van racisme? Wat weet ik van islamofobie? Wat weet ik van transfobie? Wat weet ik van echte armoede? Wat weet ik van de vormen van discriminatie die – exact – niet eens bij me opkomen?
            Wat is de verantwoordelijkheid die hoort bij mijn perspectief? Dit is de vraag die ik mezelf graag wil stellen. Om daar een antwoord op te vinden is wat Cole deed voor mij een richtlijn: kom erachter waar jouw machtsaandeel zit en leid daaruit af wat je kan doen.     

IV: De norm

Wat als je nog nooit in de kuil bent gezakt? Wat als dat waarschijnlijk ook nooit zal gebeuren? Is dan empathie, of zelfs begrip, wel werkelijk te bereiken?
             Er is nog iets hoogst merkwaardigs aan de hand met die kuil. Hij werkt sympathie wel in de hand, maar empathie niet. Iemand voelt zich geroepen zijn eigen groep, de mensen die in dezelfde kuil zitten, te helpen, maar blijft blind voor andere kuilen om hem heen. Ook al is het logisch dat je blind bent voor dat deel van je identiteit waarin je een machtspositie hebt, het is wel mogelijk je het gewaar te worden. Met macht bedoel ik niet een hoge stoel in een belangrijke zaal, maar het simpele onderdeel zijn van de norm. In mijn geval is dat mijn witte huid, bijvoorbeeld. Iets waar ik, voordat ik bi ‘werd’, nooit bij stil had gestaan. En ook, wanneer ik een relatie heb met een man, mijn schijnbare heteroseksualiteit.
            Ervaring is dus geen vereiste, slechts een pré.

Onderdeel zijn van de norm is geen slechte daad, gewoon een situatie. Maar onderdeel wíllen zijn van de norm is ook geen slechte eigenschap. Sterker nog, het is logisch en instinctief, want normaal is veilig. Als ik een relatie zou hebben met een man, wil Mike Pence me niet ophangen. Die kant van schijnbare heteroseksualiteit is erg aantrekkelijk. En ach, ik val ook echt op mannen, ik doe mezelf niet eens zo heel veel aan. Het is zo dat je als biseksueel niet altijd uit de kast hóéftte komen, en een hoop mensen doet dat dus niet.
            Concludeer daaruit dat het een voordeel is om te kunnen kiezen of je je kuil laat zien. Concludeer daaruit dat men dat niet altijd wil, omdat het in het beste geval vervelend, in het slechtste uiterst gevaarlijk is. Als je geen minderheid hoeft te zijn, doe je dat gewoon niet. Je zal wel gek zijn.
            Maar als we willen, kunnen we spionnen zijn.

Over de auteur

Sonja Schulte schrijft, tekent en maakt geluid. Van 2017 tot 2018 liep ze met een geluidsrecorder op zak, waarvan elke week een compilatie van tien minuten verscheen en ze zo haar project 'Een jaar in geluid' volmaakte. Haar multimediaal reisverslag 'Vlieland' was een van de Internet Cahiers van De Gids; een klein e-book met eigen tekeningen en ambient geluid. Altijd werkt ze aan een nieuw essay en momenteel ook aan het finetunen van een eerste boek, dat het midden houdt tussen essay, reisverslag en roman.

Over de illustrator

Amarens Eggeraat (1992) is illustrator, schrijver en journalist, voor o.a. Vrij Nederland en Vice.
Amarens op Instagram

Lees meer van

De Liefhebber

Door Sonja Schulte

We openen de thema-maand over eten met een essay over zestiende-eeuwse eetschilderijen en hedendaagse foodporn. Eet smakelijk!   Op een zestiende-eeuws schilderij van Joachim Beuckelaer is het meteen duidelijk wat het onderwerp is: die man daar in de verte, die net binnenkomt. Toch? We zouden ons hoofd eerbiedig laten zakken, de handen vroom gevouwen, als […]

Lees meer uit de categorie Essay

Kleine dikke paarden

Door Miriam van Ommeren

Tekst: Miriam van Ommeren Muziek en beeld: Kiki Dierenliefde. Ik ben ermee geboren en opgegroeid, letterlijk. Ik ben dol op dieren, echt stapelgek. Elke hond die ik tegen kom wil ik aaien, ook als die hond aan de overkant van de straat loopt. Mijn hart slaat een slag over als ik een konijn zie en […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper