Proza Vertaling

De agro-alien (deel 1)

Door Carlos Velázquez | beeld: Zep de Bruyn
10 februari 2020

Het verhaal ‘De Agro-Alien’ verscheen oorspronkelijk als ‘El alien agropecuario’ in La marrana de la literatura rosa (Sexto Piso, 2010) en is vertaald door Joep Harmsen met een Ontwikkelingsbeurs van het Expertise Literair Vertalen onder mentoraat van Brigitte Coopmans. De Optimist publiceert in twee delen een ingekorte versie van het verhaal.

*

In tijden van crisis gaat er niets boven een flinke boost voor je ego, las ik op de vrouwen-wc van een poppodium. Lauro ging door zo’n moeilijke periode. Wat hij nodig had, was een egostreler van formaat. Hij was de gitarist, zanger en frontman van Xanax. De rest van de band bestond uit Agus op drums en ik op bas.
      Na een jaar of vijf aanklooien, met als hoogtepunt het voorprogramma van de lokale band Bandera Roja, hadden we besloten een toetsenist te rekruteren. En toen was daar ineens de egostreler: Pepe, een knul met down. Iedereen met enige kennis van buitenaardse mythologie zou beamen dat Pepe, meer nog dan op een jongen met het syndroom van Down, leek op een alien. Of dat nog niet genoeg was, woonde hij niet eens in de stad. Hij kwam van de boerderij. Een agrarische alien is heel wat anders dan een buitenaards wezen uit de stad. En dan was hij ook nog donker. Heb je ooit een jongen gezien met het trisomie 21-syndroom die een kleurtje heeft? Ze zijn allemaal hoogblond. 
      Hij kwam de oefenruime binnen met een speelgoedkeyboardje. Agus zei dat we die gast echt geen auditie konden laten doen. Maar Lauro, die een artikel had gelezen over Reynols, een Argentijnse band met een down als grootste publiekstrekker, gaf Pepe de kans om zijn kunstje te laten zien. De knul startte een voorgeprogrammeerd deuntje op zijn piano. Een kinderriedeltje dat hij meeneuriede, als een echte mongool. En hoe gek het ook mag lijken, hij bleek de beste van de casting. Zijn sound kon zich meten met een track van een echte dj.
      Het was liefde op het eerste gezicht. Lauro was helemaal stapel op dat mongooltje dat ervan droomde om rockster te worden. Deze jongen, zei hij, kan worden wat hij wil – profvoetballer, dokter, missionaris – maar hij heeft voor de muziek gekozen. Hij is onweerstaanbaar. Die moeten we bij de groep hebben, toch? 
      Ondanks Agus’ protesten namen we hem op in onze band. Pepe is een naam van niks, zei Lauro. Zoiets sufs past niet bij een punkband. Hij moet een artiestennaam hebben. Vanaf nu zal hij anders heten. We dopen hem de Agro-Alien.

Het demovirus begon weer te kriebelen. Ongemerkt was de band in een eindeloze sleur van liveoptredens geraakt. Een plaat was een vorm van mentale zelfbevrediging die we al een fucking eeuw geleden achter ons hadden gelaten. Maar de komst van de Alien op aarde overtuigde ons ervan dat het mogelijk was om een paar songs op een demo te knallen.
      Lauro schreef vier nummers. In een week hadden we er muziek bij. Agus was er van meet af aan op tegen dat de Alien meespeelde. Zijn keyboard was maar voor de show. Het paste niet bij onze sound. We waren verdomme een punktrio. Een synth zou slecht voor ons image zijn. Hoe goed de Alien zijn instrument ook bespeelde, het maakte niet uit, hij stond er alleen om de band een beetje aan te kleden, als een soort decorstuk. 
      Tijdens het repeteren ontstonden er grote zorgen om het gedrag van de Alien. We zetten hem achter zijn keyboard maar hij kon niet stil blijven staan. Hij dwaalde steeds rond. Hij botste tegen Lauro aan, tegen Agus, struikelde over de snoeren en kabels. Op een gegeven moment liep hij het drumstel omver. Pas aan het einde van het nummer hadden we in de gaten dat hij bloedde. Wij drieën konden niet constant op hem letten en achter hem aan rennen. Zijn geestelijke leeftijd lag zo rond de zeven jaar. Een punkband was niet zijn habitat. We waren bang dat hij geëlektrocuteerd zou worden. 
      De Alien was inmiddels vier weken officieel lid van de band. Voor het eerst begon Agus over de problemen die zijn gedrag tijdens een optreden konden geven. We hadden de Alien bij de groep gehaald als een attractie, maar zijn aanwezigheid op het podium leek Agus te chaotisch en risicovol. Actieve deelname was bij voorbaat uitgesloten, we konden hem er nog uitzetten.
      De Alien blijft, verordonneerde Lauro. Xanax bestaat uit drie weirdo’s en een down. We zijn een viertal. Nee, ik ben niet onverantwoord bezig. Ik heb geen schijt aan de veiligheid van de Alien. Voor mij is die even belangrijk als die van jou of van mijn meissie. We hebben toch een verbandtrommel? De Alien gaat mee. 
      Voordat Agus er een rits steekhoudende argumenten tegenin kon brengen, ging Lauro ineens heel maf doen. Hij begon te flippen. Alsof hij te veel crack had gerookt. Met zijn handen op zijn oren als teken dat hij zich doof hield, begon hij wild om zich heen te trappen. Tegen de manager die we niet hadden. Tegen de platenmaatschappijen die ons links lieten liggen. Uit zijn mond kwam een eindeloze la lalalalaaaa la lalala (la la la).
      En hij was niet de enige. Door ons geruzie hadden we het niet in de gaten, maar de Alien was hetzelfde aan het doen. Hij stapte door de oefenruimte en deed alle bewegingen van Lauro na. Plots begon onze frontman en gitarist met zijn hoofd tegen de muur te bonken. En de Alien volgde zijn voorbeeld. Hij ging er zo in op dat Agus en ik hem van de muur moesten wegtrekken.
      De middag voor ons eerste optreden als viertal twijfelden we of we de Alien wel los moesten laten lopen. Agus stelde voor hem vast te binden zodat hij niet van het podium zou donderen. Ik vond dat nogal wreed, hij was geen beest, maar als hij te pletter zou vallen dan draaiden wij de bak in. Per stemming besloten we hem vast te ketenen. We zetten zijn keyboardje op de gebruikelijke plaats, achter Lauro en Agus, bij het drumstel. Maar de Alien tilde de hele boel op en zette het weer rechts naast Lauro neer. Nee Pepe, zei ik. Jouw plaats is achterin. 
      Agus zette het keyboardje weer terug achter op het podium. Opnieuw sleepte de Alien het naar voren. Hij was dan wel een downie, maar hij hield er niet van om weggemoffeld te worden. Hij wilde in de spotlights staan. Om de zoveelste bandruzie uit de weg te gaan, lieten we het ego van de Alien met rust. Tijdens de soundcheck besloten we om zijn linkervoet met een twee meter lang touw aan Lauro’s rechtervoet vast te binden. 
      We speelden in het voorprogramma. Na ons kwam een heavymetalband. Er bestaat geen kritischer publiek dan metalheads. Zelf luisteren ze naar pure rommel, maar alles wat anders klinkt dan de rotzooi die ze normaal tot zich nemen, zien ze als een aanslag op hun oren. Hoe belachelijk het ook klinkt, dit was de opgave die ons te wachten stond. We mochten blij zijn als we heelhuids van het podium kwamen. 
      In geen enkele documentaire heb ik ooit zo’n wonderbaarlijke metamorfose gezien. Ten overstaan van het publiek veranderde de Alien in een volwaardig bandlid. Hij was gefocust en bleef op zijn plek. Hij sloeg niet met zijn handen op de bekkens, zoals hij tijdens de repetities weleens deed. Hij beet niet op de kabels en bleef niet gehypnotiseerd naar de basversterker staren. Hij keek strak voor zich uit, alsof hij naar de vlag salueerde. Zijn kapster zou er een moord voor doen als hij tijdens het knippen van zijn haar ook zo stil zou blijven zitten.
      De Alien viel goed bij de metalheads. Ze vonden het schattig dat hij het publiek aanspoorde om mee te klappen. Diep vanbinnen zijn alle metalheads watjes. Ze waren ontroerd omdat achter dat grote downhoofd een ware vedette schuilging. Onze down was geen doorsnee trisomie 21-geval. Hij was een down met charisma.

Na vier maanden optreden in kleine buurtkroegen werden we uitgenodigd om op tour door de deelstaat te gaan. We zouden in het voorprogramma van de indieband Las Madrastras staan. Het was dé kans om de Alien uit te proberen buiten de lokale scene. Niet gaan zou een stap terug betekenen. Dat konden we de band niet aandoen. Dat konden we de Alien niet aandoen. Maar hij was nou net het probleem. Ik weet niet waarom, maar omdat de Alien altijd in zijn eentje naar de repetities kwam, dacht ik dat hij vanuit het niets was opgedoken. Dat hij daadwerkelijk door een ruimteschip was afgeleverd. Dat onze planeet hem zo beviel dat hij zijn thuis had achtergelaten om tussen de mensen te blijven wonen. Maar nee. De Alien had een familie. 
      Mama-Alien vertikte het om Pepe aan ons toe te vertrouwen. Haar bedenkingen waren niet ongegrond: drie schooiers die eruitzagen als junkies wilden zoonlief mee op reis nemen. Wat zat daarachter? Misschien wilden ze zijn organen wel doorverkopen. De Alien mocht laat thuiskomen, bij Lauro blijven slapen, bier drinken (we hadden hem al twee keer dronken gevoerd), maar hij mocht niet de grens van de deelstaat over.
      De weigering van Mama-Alien was zo categorisch, zo punk, dat die leidde tot onze eerste grote fout als band: we ontvoerden de Alien. Wat kon ons nou gebeuren, vroegen we ons af, dat de NASA ons zou komen zoeken? Vol moed, arrogantie en zelfvertrouwen gingen we op tour, zonder te weten dat we recht op een veel groter gevaar afstevenden: een groep coöperatieboeren.
      We lokten de Alien mee zoals je een beer lokt. Maar in plaats van een pot honing kochten we een echte synthesizer voor hem. Je had zijn gezicht moeten zien, hij was de blijste down op aarde. Hij was de gelukkigste alien van het sterrenstelsel. Pepe had de vuurdoop doorstaan om een volwaardig lid van de band te worden, om zijn eigen instrument te hebben, om op de hoes van de plaat te staan, als we die ooit zouden uitbrengen. Alles wat zijn hartje begeerde. Waar hij maar zin in had. De Alien mocht alles doen en laten, behalve spelen.
      Op een zondag kwamen we terug van onze tour. We werden opgewacht door busladingen vol dorpelingen afkomstig uit Vergel, Durango – het gat waar de Alien was grootgebracht. Zodra we de touringcar uitstapten werd Lauro in de boeien geslagen. Eerst dachten we dat hij gearresteerd werd, maar tussen de mensen was geen agent te bekennen. We werden in een veewagen met tralies gesmeten – zo’n kar die ze gebruiken om varkens mee te vervoeren – en naar een rancho gereden. We zouden gelyncht worden: Lauro, Agus en ikzelf. Op beschuldiging van ontvoering en sodomie met een minderjarige. Zie je nou, Agus, wat er godverdomme van komt als je geen vriendin hebt? 
      In het dorp bonden ze ons elk aan een boom. Zes uur lang besprak een tribunaal bestaande uit de hotemetoten van Vergel en de familie van de Alien in afzondering ons lot. Het volk wilde bloed zien. In hun huizen verheugden de mensen zich al op een lynchpartij. Het plan was dat we aan de varkens zouden worden gevoerd nadat ze ons afgemaakt hadden. Een enkeling zag ons liever gefrituurd. Dat zou een spektakel opleveren waarbij de avondmis zou verbleken.
      De Alien zat opgesloten in een kooi. Niemand had hem ooit gevraagd of we hem hadden verkracht, maar voor de dorpelingen was het een voldongen feit dat hij van achteren was genomen. Bij zonsondergang legden een paar jonge kerels op vijf meter van ons een stapel stenen neer. Ons doodvonnis zou worden voltrokken met een berg keien. We zouden worden gestenigd. Zoals in de Bijbel. De bomen waaraan we waren vastgebonden stonden op slechts twee meter van elkaar op de open vlakte. Ik was rechts van Lauro vastgebonden en Agus aan zijn linkerkant. We ijlden van de honger, de dorst en de angst.
      Red ons, Lauro, smeekte Agus. Jij bent toch de Messias van de punk?
      Laat hem met rust! schreeuwde ik. Alleen God kan ons nog helpen.
      De punk zal uit de dood herrijzen. Die is niet kapot te krijgen, raaskalde Lauro.
      Om tien over half acht werden we bevrijd door een hanenfokker uit het dorp. Opschieten! schreeuwde hij. Het bos in. Maar welk bos? We waren in de godvergeten woestijn.

*

Lees hier deel twee.

*

Joep Harmsen (Enschede, 1993) is vertaler Spaans-Nederlands en redacteur. Hij neemt momenteel deel aan het vierjarige talentontwikkelingsproject Connecting Emerging Literary Artists (CELA). 

Over de auteur

Carlos Velázquez (Mexico, 1978) bouwt sinds zijn debuut La biblia vaquera (2008, *De cowboybijbel) aan zijn eigen, gemythologiseerde versie van het Noorden van Mexico. Hij speelt met het clichébeeld van deze grensregio vol cowboys en narco’s en vergroot de absurditeit van het dagelijks leven in El Norte uit met humor en ironie. Rock ’n roll, zowel de muziek als de levenshouding, loopt als een rode draad door zijn werk en leven. Zijn laatste verhalenbundel Despachador de pollo frito (*Gefrituurdekipbezorger) verscheen in 2019 bij de Mexicaanse uitgeverij Sexto Piso.

Over de illustrator

Zep de Bruyn is een tekenaar en visueel ontwerper. Hij is ook redacteur bij De Optimist. www.zepdebruyn.nl is zijn website. @zepdebruyn is zijn Instagram.

Lees meer van

De agro-alien (deel 2)

Door Carlos Velázquez

Het verhaal ‘De Agro-Alien’ verscheen oorspronkelijk als ‘El alien agropecuario’ in La marrana de la literatura rosa (Sexto Piso, 2010) en is vertaald door Joep Harmsen met een Ontwikkelingsbeurs van het Expertise Literair Vertalen onder mentoraat van Brigitte Coopmans. De Optimist publiceert in twee delen een ingekorte versie van het verhaal. Lees hier eerst deel […]

Lees meer uit de categorie Proza Vertaling

De levenden (fragment)

Door Mariana Torres

Vertaald door Heleen Oomen Mama is eenzaam en langzaam gestorven. De doodsoorzaak, zeggen de artsen, was vergiftiging. Vergiftiging, mama. Wat een idiote gedachte. Ik ben niet met de dokters in discussie gegaan, ik heb alleen de papieren getekend en de begrafenis geregeld. Als mama iets goed kende, was het wel haar huisapotheek. Ze doseerde altijd […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper