Proza

Een stuk berg

Door Sholeh Rezazadeh | beeld: Bonny Kiran
20 april 2020

Er ligt sneeuw op de toppen van de Mishoodaghiberg. De zon schijnt op mijn gezicht en de koele bergwind waait langs mijn wangen. Van waar ik sta zie ik witte sneeuwaders die als dunne vingers langzaam de gerimpelde nek van de berg grijpen. We hebben een groot tapijt op de verse grasvelden gelegd en ik hoor vrouwen lachen en praten, kinderen schreeuwen en spelen. Mijn moeder, mijn grootouders, tantes, ooms en hun kinderen, ze zijn er allemaal. Onder het voorwendsel van de Natuurdag, de dertiende dag van de lente, zijn we, zoals alle andere Iraniërs, bijeengekomen. Iedereen moet buiten in de natuur zijn en daar blijven tot zonsondergang. We moeten barbecueën, theedrinken, rond het vuur zitten en zingen, ongeacht wat voor weer het is.
         Ik hoor mijn moeder lachen met andere vrouwen en kijk naar mijn kleine neef, die zichzelf in de armen van zijn moeder heeft genesteld. Ze heeft een deken om hem heen gewikkeld en geeft hem dikke kussen. Ik knuffel mijn knieën en zoek met mijn ogen mijn vader. Hij is bladeren gaan zoeken die in de thee kunnen worden verwerkt of in salades kunnen worden gebruikt. Ik weet niet wanneer hij terug zal komen. Mijn rug doet pijn. Ik voel een scherpe metalen lepel die in mijn buikwand krast. Leunend tegen een boom denk ik aan de bloedige afbraak die zich in mijn lichaam voltrekt, een oorlog die sinds enige tijd maandelijks in mij woedt.
         Mijn oom geeft me een kopje thee en vraagt ​​waarom ik zo moe ben. Glimlachend schud ik mijn hoofd.
         Mijn nicht, die twee jaar ouder is dan ik, komt naar me toe en zegt dat ik wit ben geworden en vraagt ​​of ik ziek ben. Ik drink mijn thee en zeg: ‘Nee, ik ben niet ziek.’
         Jongens van mijn leeftijd volleyballen samen of fluisteren in elkaars oren. Mijn tante wijst naar ze: ‘Ga ook met jongens spelen.’
         Ik haal mijn schouders op en zeg dat ik daar geen zin in heb.
         ‘Waarom? Is er iets aan de hand?’ vraagt ze ​​bezorgd.
         Wat moet ik zeggen? Over die vreemde pijn kan ik niet praten. Ze komt dichterbij en raakt mijn hoofd zacht aan: ‘Is er iets aan de hand?’
         Ik blijf stil en kijk haar aan.
         ‘Ik gok dat je verliefd bent geworden! Nou? Is het zo?’ zegt ze met een zachte stem.
         ‘Nee,’ zeg ik lachend.
         Zonder haar blik van me af te wenden schreeuwt ze tegen mijn moeder: ‘Waarom zit je dochter ineengedoken?’
         Mijn moeder, die bezig is een spanend verhaal te vertellen aan mijn oom, kijkt ons even aan en zegt: ‘Net als haar vader houdt Arghavan niet van de gezelligheid. Ze is altijd stil in de menigte.’
         De metalen lepel krast plotseling in mijn hele lichaam. Ik sta op. ‘Baba!’ roep ik paar keer en ik kijk om me heen.
         ‘Pas op!’ schreeuwt een jongen en er valt een bal naast me op de grond. Ik doe alsof ik niets heb gezien of gehoord en loop verder. Nadat ik een tijdje heb gelopen en mijn vader niet kan vinden, keer ik terug naar het tapijt. Zonder iemand aan te kijken ga ik liggen terwijl ik mijn hoofd met een deken bedek. Dan hoor ik opeens mijn vader mijn naam roepen. Ik trek de deken van mijn hoofd af en sta op.
         ‘Kom, ik wil je iets laten zien!’ zegt hij tegen me. Zonder iets te vragen ga ik met hem mee. Ik houd zijn hand vast, de zachtheid en warmte van zijn handpalm verminderen mijn pijn. Overal hangt de geur van vuur, rijst en kebab. Op de grote en kleine samowars staan kleurrijke theepotten. Er zijn huilende baby’s en lachende mensen te horen en er klinkt verschillende muziek. De bomen zijn tot bloei gekomen en het gras heeft zich in het lichtgroen gestoken. Ik kijk mensen niet aan. Ik ben bang dat ze aan mijn gezicht en loopje zullen zien dat een oorlog in mij woedt.
         We hebben thuis eenkamer met een grote dikke bruine deur, waarin mijn vader meestal wat gedichten zit te lezen. Ook als we bezoek hebben, zit hij daar. Soms word ik verdrietig dat mijn vader, na een korte groet en gesprek met gasten, die meestal vrienden of familie van mijn moeder zijn, een excuus maakt en vervolgens naar die kamer gaat. Maar als ik ouder word, kom ik er steeds meer achter dat hij snel moe wordt van de mensen en zijn toevlucht in de kamer zoekt, in de boeken, in de bergen en in alles wat geen tong heeft. Het is alsof die grote bruine deur twee werelden scheidt. Een wereld vol herhalende en saaie gesprekken, en een wereld vol stilte en verhalen.


        
Zonder iets tegen elkaar te zeggen, laten we de mensen en geluiden achter ons. Na een lang stuk te hebben gelopen, zien we een paar grote ronde tenten omringd door schapen en geiten. Mijn vader zegt dat het nomaden zijn. Met zijn hand wijst hij naar een van de tenten en zegt: ‘Kijk eens, dit is hun huis.’ Hij gebaart naar de omgeving vol bergen en grasvlaktes en zegt: ‘Dit is hun tuin. Zie je hoe rijk ze zijn en hoeveel smaak ze hebben?’
         Een vrouw zwaait naar ons. Ze draagt een lange kleurige jurk en heeft een grote bloemensjaal om haar hoofd en mond geslagen. Mijn vader knikt en ik lach. Hoe dichterbij we komen des te beter de tenten te zien zijn. Ze zijn gemaakt van stro en dierenhuiden. Buiten de tent spelen enkele kinderen en melken vrouwen een paar geiten. De vrouw die naar ons zwaaide nodigt ons uit voor een kopje thee. Met de hoop dat hij de uitnodiging accepteert kijk ik mijn vader aan. Ik wil heel graag de tent in en theedrinken met deze vrouw wier kleren op een schilderij lijken.
         De tent ligt vol met gekleurde tapijten en kelims. Tapijten waarop herten, geiten, bomen en bloemen staan. Er staat een weefgetouw in een hoek van de tent met een frame gemaakt van boomstammen, waarachter een meisje van mijn leeftijd zit te weven. Haar lange gevlochten haar steekt onder haar bloemensjaal uit. Ze kijkt ons kort aan en weeft dan verder. Haar wangen zijn rood. Haar vingers maken heel snel kleurrijke knoopjes. Er ligt overal kookgerei en in de tent hangt een geur van ingelegde wol en jonge kaas. De vrouw brengt ons twee koppen thee en een paar klontjes suiker op een klein houten dienblad en gaat naast ons op het tapijt zitten. Zoals altijd dipt mijn vader zijn suikerklontje in de thee, stopt het vervolgens in zijn mond en zuigt er dan aan terwijl hij zijn thee drinkt.
         Ik kijk naar het meisje achter het tapijt en hoop dat ze ook met ons thee zal komen drinken. De vrouw ziet mijn blik. Haar thee drinkend lacht ze even en kijkt naar het meisje. Mijn vader streelt een rood blad op het tapijt. Woeden in het meisje ook oorlogen? Het feit dat ze rechtop zit betekent dat ze niet bang is dat anderen haar kleine borsten zullen opmerken, of is ze gewoon nog te jong? Het meisje geeft niet om ons, ze weeft. Het enige geluid dat af en toe te horen is, is van een ijzeren kam waarmee het meisje de verse knoopjes in een rij zet. Ik drink mijn thee, die naar vuur ruikt, op. De metalen lepel voel ik niet meer. Mijn vaders hand is van het blad naar een blauwe vogel bewogen. Welke dieren is het meisje aan het weven? Hoeveel dieren kent ze?
         ‘Zijn de tapijten te koop?’ vraagt mijn vader zonder zijn blik van de vogel af te nemen.
         ‘Ja, maar niet allemaal!’ zegt de mevrouw.
         ‘Welke heeft uw dochter gemaakt?’ vraag ik zachtjes.
         De vrouw toont me een tapijt waarop een geit staat afgebeeld die op een rots staat en in de verte staart. Het meisje kijkt ons aan. Mijn vader koopt het tapijt. Het meisje lacht ons toe.

‘Woorden zijn de meest voorde hand liggende middelen om met mensen te communiceren, maar niet altijd de krachtigste. Je hoeft niet afhankelijk te zijn van de woorden en als het moeilijk is voor jou om op die manier met mensen te communiceren, hoef je jezelf niet te dwingen,’ zegt mijn vader op de terugweg naar huis, terwijl ik op de achterbank van onze Peugeot 504 naar buiten zit te staren.
         ‘Heb je de thee geproefd? Zag je die mooie kleurrijke kelims waarop we mochten zitten? Ze zeiden allemaal dat we welkom waren in de tent. Als je geen warm gevoel zou krijgen en jezelf niet welkom voelde, wat zouden de woorden daaraan kunnen toevoegen?’ gaat hij verder. ‘Luister, ik praat met stille lippen. Antwoord met een blik die de taal van jou en mij is,’ mompelt hij en zegt vervolgens: ‘Van dichter Sayeh.’
            Ik zeg dat ik het mooi vond om daar in de bergen te zijn en dat ik het jammer vind dat we niet vaker de bergen komen beklimmen.
            ‘Je kunt de bergen misschien niet mee naar huis nemen, maar als je de bergen mist zal dit tapijt je een beter gevoel geven.’
            De oranje vingers van de zon liggen op het kleine tapijt dat ik op mijn schoot heb gelegd.

Over de auteur

Sholeh Rezazadeh is een Iraanse dichter en schrijver die sinds 2014 in Nederland woont. Met haar werk won ze El Hizjra Literatuurprijs 2019. Haar eerste Nederlandstalige roman De hemel is altijd paars zal in het najaar van 2020 door Ambo|Anthos worden uitgegeven.

Over de illustrator

Bonny Kiran (1992) is in 2017 afgestudeerd aan de Willem de Kooning academie. Momenteel werkt ze als freelance illustrator. Je vindt illustraties van haar onder andere op haar website: bonnykiran.com.

Lees meer uit de categorie Proza

De Duellist: Het eiland

Door Luuk Schokker

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.   We hadden het nooit zo bedoeld, maar voor onze gasten was Het Oude Eiland een romantisch toevluchtsoord geworden. Voor jonge stellen wekte de overtocht alleen al lust op, bij oudere koppels leek de ingedutte liefde spontaan […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper