Kort verhaal

Geuzenveld

Door Lisa Rooijackers | beeld: Bo Yuan
4 april 2020

‘Stap in!’ Hinten smeet haar wandelstok in de auto en hield het portier voor me open. Het was stervenskoud. Ik vroeg me af of ik me nog om kon draaien, terug het huis in. Onrustig stond ze te wiebelen op haar orthopedisch verantwoorde gympen. Ze lachte breed en wierp haar armen wijd in de lucht. Een clown na een act.
   ‘Ik kan ook best lopen, hoor.’
   ‘Naar Geuzenveld?’
   Ik nam de rode Canta nog eens goed in me op. Het nummerbord hing scheef, een deel van de verf was vaal als lippenstift na een maaltijd. Ik wist dat een van de deuren niet meer openging. Hinten stond ongeduldig naar me te kijken naast het portier. Niet meegaan betekende alleen zijn, en daar had ik inmiddels genoeg van. Niet meegaan betekende bovendien dat ik die tomeloze opgewektheid de rug toe moest keren, en dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Hinten wilde op avontuur. Ze was vijftig jaar ouder dan ik, maar tien keer zo koppig. Ik gaf mezelf over en riep dat we dan maar eens moesten vertrekken. Ik spiegelde haar houding, zodat we gezamenlijk een welkomstcomité vormden voor de buurman die net de hoek om kwam en zich knorrig om ons heen manoeuvreerde zonder iets te zeggen. Ik wierp een been in de auto en wurmde me langs het stuur om me op de bijrijdersstoel neer te laten ploffen, die was bekleed met een zachte zebraprint. Op het moment dat ik ontspande, stootte de invalidenwagen een gebrul uit dat niet zou misstaan op een racecircuit. Hinten trok de versnellingspook met een ruk uit het dashboard en we lieten ons achteruit van de stoep glijden. Toen we eenmaal op de straat stonden, ramde ze de pook weer terug. Ze spande duidelijk al haar armspieren aan, maar liet het eruitzien alsof ze de hele dag met antieke schakelsystemen knokte. Ik zag voor me hoe ze zeventig jaar geleden met hamertje-tik een stervormig blok door een vierkant gat moest hebben gestampt. 

Na een minuut of vijf in het vibrerende wagentje merkte ik dat niemand onze aanwezigheid op prijs stelde. Hinten bewoog zich zo vaak als ze wilde en compleet ontspannen van de rijbaan naar het fietspad en andersom. Zowel fietsers als automobilisten keken verstoord op als we ons bij hen voegden. Het ontging Hinten volledig, of het kon haar geen fluit schelen.
   ‘Heb je haar nog gezien?’ liet ze nonchalant vallen.
   ‘Nee.’
   ‘Heeft ze je nog gebeld?’
   ‘Nee.’
   ‘Geappt?’
   ‘Nee.’
   Het bleef even stil. Ik speelde piano op mijn bovenbenen en negeerde een plotselinge buikkramp.
   ‘Hoe ga je het aanpakken met de rest van je spullen?’
   ‘Ik wil alleen mijn fiets terug,’ zei ik, ‘maar ik weet niet wat ik hiermee moet.’
   Ik toonde haar het zwarte fluwelen doosje met daarin een dun gouden armbandje dat ik bij de juwelier had laten inkorten voor het meisje met de meest vertederend smalle polsen van de stad.
   ‘Verpats het en geef het aan Stichting Aap.’
   Hintens betrokkenheid met apen boezemde me altijd warmte in, al was het maar omdat ik mezelf van alle dieren het meest met een slingeraap vergeleek. Als klein meisje had ik gehypnotiseerd naar mijn moeder geluisterd wanneer zij vertelde, niet zonder enige verbittering, van de festiviteiten die ik als foetus in haar baarmoeder hield. Ik slingerde aan haar organen door haar buik alsof het lianen waren, en trappelde met mijn lange ledematen tegen de wanden. Toen ik mijn weg naar buiten eenmaal had gevonden en op haar buik lag uit te puffen, wierp ik mijn spaghettiarmen om haar heen, die zo ongemakkelijk uitgerekt waren dat mijn vingers bijna het matras raakten. Later hing ik als kleuter met regelmaat in de gordijnen en klauterde ik op elke ladder die op mijn pad kwam. Er waren een serieuze val van de kapstok, een retourtje ziekenhuis en vijf hechtingen voor nodig voordat ik toegaf dat ik misschien net zo was als alle andere mensenkinderen. Op enkele zaken na, zoals de continue drang om te knuffelen, een paar slecht ontwikkelde duimen en een chronische lompheid, was ik zo tragisch gewoon als iedereen. Hinten niet. Zij was een paradijsvogel.

‘Waar moeten we nu heen?’
   Onthutst probeerde ik de navigatie verder voor te lezen.
   ‘Naar rechts,’ zei ik vlug.
   ‘Naar rechts?’
   ‘Naar rechts.’
   ‘Lieverd,’ begon Hinten kalm, ‘dan we gaan de A10 op.’
   Ik kreunde en sloeg mezelf hard tegen mijn voorhoofd. ’Sorry,’ zei ik vermoeid, ‘ik heb hem ingesteld op een autoroute.’
   ‘Geen probleem,’ zei ze vrolijk, en ze wierp het stuur naar links terwijl ik het uitschreeuwde en de automobilisten achter ons mij massaal bijvielen met hun claxons. Zonder er verder nog woorden aan vuil te maken, reed ze de omgekeerde richting op en vroeg me de fietsroute aan te klikken. Tot mijn opluchting verruilden we de weg redelijk gauw voor een verlaten pad. Google Maps gaf aan dat we nog 6,7 kilometer moesten afleggen om Geuzenveld te bereiken. Daar hing mijn fiets tegen een tuinhek. Langzaam kwam ik weer op adem. Wat overbleef was de kramp die maar niet weg wilde gaan, het gevoel dat iemand met een 88 millimeter-kanon bommen op mijn maag bleef afvuren. Nog 6700 meter, dan zou ik naar huis fietsen en precies nul redenen hebben om ooit nog terug te keren. Ik zag dat Hinten me om de zoveel tijd vanuit haar ooghoeken in de smiezen hield.
   ‘Hebben we nog wijn thuis?’ Me op onmogelijke momenten doen glimlachen was een van haar meest charmante eigenschappen.
   ‘Nog anderhalve fles.’
   ‘Hebben we daar wel genoeg aan?’

Inmiddels waren we dusdanig omgereden dat de routeplanner ons naar fietspaden en zandwegen stuurde die zelfs Hinten nog nooit had gezien. ‘Dit is toch Amsterdam helemaal niet meer,’ mompelde ze.
   Halverwege een nauw pad zag ik ineens twee paaltjes opdoemen. ‘Volgens mij mogen we daar niet tussen.’
   ‘Maar daarom heb ik dit koffieblik toch? Zodat ik op de fietspaden mag?’
   ‘Volgens mij kúnnen we daar niet tussen.’
   ‘Denk je dat?’
   Ze drukte het gas weer wat harder in en begon te gillen. Ik schreeuwde mee en sloeg mijn handen voor mijn ogen. Het was te stom voor woorden als we op dit uitgestorven fietspad kwamen te overlijden. Vooral voor Hinten, die niet haar kansarme jeugd en haar probleemgevallen van exen had overwonnen en had gestreden tegen de tijdsgeest die altijd decennia op haar achterliep, om op een maandagochtend uitgeschakeld te worden door een onhandig geplaatst Amsterdammertje. Voor mij was het eigenlijk wel een passend einde. Het was volledig in harmonie met de aaneenschakeling van miniatuurrampen. ‘Ze mieterde van de kapstok, later stierf ze in een Canta.’ Pas toen ik Hinten maniakaal hoorde lachen durfde ik mijn snotneus af te vegen en mijn handen weer op mijn schoot te leggen.
   ‘God konijnen. Als dat geen wedergeboorte was, dan weet ik het ook niet meer!’
   ‘Jaja. Eerst mijn fiets terug, Hinten.’
   Ze klopte zachtjes met haar hand op mijn bovenbeen. ‘En daarna gaan we zuipen.’

Over de auteur

Lisa Rooijackers (1994) komt uit Gemert en woont in Amsterdam. Ze studeerde Nederlands in Nijmegen en Gent. Lisa schrijft. Poëzie, verhalen, en liedjes. Soms een mix van alledrie. Ze componeert voor piano en gitaar, en treedt op met muzikale poëzie. Haar werk verscheen onder andere in Kluger Hans, Tijdschrift Ei, DW B, Opium (NPO4) en De Internet Gids. Voor meer info, zie www.lisarooijackers.com.

Over de illustrator

Bo yuan is een Illustrator uit Rotterdam met een specialisatie in digitale kunst. Via deze medium creëert hij werelden en karakters met een focus op kleur en atmosfeer. Naast commercieel werk houdt Bo zich bezig met persoonlijke projecten waarbij hij gevoelens omtovert tot beeld dat surreal maar ook herkenbaar is. Zie Bo's Instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal

De hond

Door Wiebe Brouwer

Als mijn auto eindelijk bij mijn bejaarde moeder op de oprijlaan staat, loop ik meteen naar haar voordeur. Ze klonk door de telefoon flink in paniek, maar ook al heb ik een sleutel, toch druk ik eerst op de bel. ‘Jij!’ Blijkbaar stond ze me op te wachten, want ze doet meteen open. Haar ogen […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper