Proza

Ze kwamen uit de diepte

Door Eileen Ros | beeld: Zep de Bruyn
24 april 2020

‘Ron! Ronnie! Je pijp valt weg!’
    Ronnie Delano Esajas Jr., twintig meter ver in zee, hoorde alleen het kolken van het water. Dwingend trok het langs zijn benen, in kronkelige banen naar de waterkant. Ze moesten snel zijn nu, voor de kade helemaal zou instorten en het werk voor niets zou zijn. Een groepje rode ibissen scheerde laag over het water langs de kustlijn. Als het zo nat ging worden als gisteren, zou hij een keertje zonder wetsuit gaan, bedacht Ronnie, maar meer tijd om na te denken over wat hij dan wel aan zou trekken kreeg hij niet. Zijn collega’s waren harder gaan roepen en hielden nu een witte kabel omhoog. Ronnie grinnikte. De verbindingspijp. Vergeten. Snel trok hij zijn waterdichte North Face-tas aan een touw om zijn middel naar zich toe, haalde de waterpomptang eruit en begon onder water te draaien.
    Weken, maanden – voelde zo een yari? –  stond hij iedere werkdag tussen wal en zee, omringd door slangen, pijpjes, kabels, zijn North Face. Soms andere dingen. Dingen die langs zijn benen gleden of hun koppen nieuwsgierig boven het wateroppervlak uit staken. In de slangen zaten de nieuwste glasvezelkabels voor internet naar Suriname en Ronnie, die sinds zijn stage bij het telecombedrijf was blijven werken, had geen nee gezegd toen zijn manager hem vroeg bij de waterdienst van district Coronie te komen. Zijn tante was tekeergegaan. Coronie. Welke law gaat werken in de wateren bij Coronie? Van al de mensen die er woonden, waren de voorouders als slaaf gedwongen. Coronie de uithoek, Coronie waar niemand ooit kwam. Wist hij het van de slavin met de afsneden borsten, van de baby die de oude blanken hadden gegooid? Waar rusten de takroe sani’s, wat gaan ze doen? Dan de zee, daar was ze ook niet over te spreken. Er was daar vreemde tokotoko. Een geelachtige prut die in je poriën ging zitten en als je er lang genoeg in stond, ging je geel hoesten. Plus, dat had ze van een zus die er een zwager had wonen, er huisden heel kleine doorzichtige visjes die via je je-weet-wel naar binnen gingen en langzaam je nieren opaten. Natuurlijk vroegen ze de stagiair.
    Ronnie had erom gelachen en zijn schouders opgehaald. Hij en zijn mooie verloofde, zijn gudu, zijn queen, het was zijn eerste en enige liefde, ze hadden de beslissing al gemaakt. 24080 Surinaamse Dollars per maand, netto $ 20600,-! Genoeg voor de bevalling in het koele Sint Vincentius ziekenhuis, de opknap van de carport en dubbeldeurige koelkast met ingebouwde ijsmaker. Tot het einde van de zwangerschap zou hij daar werken en dan zouden ze wel zien. Hij met de slangen in de zee en zij, met haar lichtbruine buik die steeds groter werd, die hem steeds minder bekend voorkwam, zij was thuis op de pas aangeschafte sofa, straightte haar pony voor de spiegel, deed de administratie van de nagelstudio of zag vriendinnen in de Pepo. Zij was daar en hij was hier. Alleen de nachten samen, het leek genoeg.

Druppeltjes zweet op zijn voorhoofd schitterden in de zon. Een slecht afgevijld stuk glasvezel had gemeen in zijn arm geprikt. Helderrood van een straaltje bloed mengde zich met het gele water. Even had het hem geduizeld. Iets zwaars leek aan zijn armen te hangen, zijn voeten dieper de zachte zeeklei in te duwen. Hij dacht aan haar, zijn queen, probeerde haar gezicht voor zich te zien, maar het beeld kwam niet. Verontrust keek hij richting de kade. Shit! De modderwal! Met een paar minuten zou die ingestort zijn. De slang moest dringend afgeseald. Met een automatisme dat zich die maanden meester van hem had gemaakt, vond hij direct het juiste pijpje in de tas, maakte de kwart-draaiing links aan de onderkant van de kabel, stak het draad van de glasvezel een paar centimeter verder in de buis en schroefde het hele zaakje dicht met de kniepoer. Toen ze hem ophaalden en er naar wezen, was hij het voorval alras vergeten.
    ‘Ron, kijk daar. Je hebt brudu. Wat is er met je arm?’ Op de plek waar de vezel had geprikt, was een geelrode korst gekomen. De ader ernaast was dikkig en opgezet, er leek iets in te bewegen. De mannen van de wal waren in een cirkel om hem heen gaan staan. Een verhaal kwam langs over een tekenbeet uit het binnenland die er vergelijkbaar had uitgezien. Iemand wist iets over moordzuchtige alen uit de zee bij Venezuela, liet een filmpje rondgaan. Er klonk gelach. Ronnie keek van dichtbij naar zijn huid, die nu strak samengetrokken was rondom het gat van de wond. Het bloeden was gestopt.

De hele weg naar huis had hij in foetushouding op de achterbank van de pick-up van een collega geslapen. Soms gromde hij iets, of schokte krampachtig met zijn benen. Onbekende mannen verschenen in zijn dromen. Koortsachtig dansten ze met armen en benen in tegengestelde ritmes langs hem heen. Op hun bezwete gezichten stonden vreemde figuren. Ze probeerden hem iets te zeggen, maar steeds als ze wilden praten, kwamen bubbels die snel uit elkaar spatten. Alles om hem heen werd donker. Hij bibberde van de kou die opeens gekomen was. In de verte klonk het ruisen van de oceaan. Ze stonden in een zompige, verrotte ruimte omringd door donker hout. Het water kleurde zwart en er dreven harde en zachte dingen in. Steeds verder kroop de brij langs zijn lichaam naar boven. Alles in zijn lijf wilde weg, weg van daar. Naast hem krulde een trap omhoog, van boven afgesloten door een luik waar fel licht door de kieren scheen. Maar hoe hard hij er ook tegen aan beukte, of, op het laatst, ondersteboven tegenaan schopte: hij kreeg het met geen mogelijkheid in beweging. De mannen stonden beneden, hun enkels in dikke kettingen onder water. Gelaten keken ze hem aan, hun hoofden inmiddels onder water. ‘Waarom doen jullie niets!’ gilde Ronnie vanaf de trap. Hij trilde over heel zijn lichaam. ‘Zeg me iets, doe iets! Waar zijn jullie!’

Ze hadden hem met vier man uit de auto moeten dragen zijn huis in, waar hij direct op de bank opnieuw in slaap viel. Soms maaide hij in de rondte met zijn armen of maakte hij krassen met zijn nagels in het glanzende leer van de bank. Zijn queen had direct gezien dat er iets mis was en iedereen gebeld en geappt. Vele leden van de familie Esajas hadden het huis bezocht. Wat ernstig kijkende moeders, een vader, de dode vader was er ook, nichten in nachthemden, oma’s met duivelsnaaigaren en gebeden. Dokter Bramie was geroepen en had gezegd dat het slapen bij het herstellen hoorde. De wond genas naar behoren.
    ‘Naar behoren, naar behoren. Foe san ede foeroe sma e bribi taki wi man libi foe têgo? Ja ja. Dit is geen wond, dit is geen slapen.’ Tante, die zich die nacht tegenover hem op de bank had geïnstalleerd en weigerde weg te gaan, had haar neus opgehaald, hoewel ze ook genoot van haar gelijk. “Dit komt ervan hmm. Ik heb het jullie gezegd jullie jonge mensen. Ga niet naar het watra van Coronie.’
    Ronnie vond zichzelf terug in een wirwar van fleecedekens naast de bank. Het zacht snurken van zijn tante mengde zich met het getik van de regen op het dak van de carport. Hij was vergeten zich ziek te melden, bedacht hij, zou hij de afdeling rechtstreeks moeten bellen? Van de wond was al snel niks meer te zien. Alleen zijn arm bleef stram als hij de draaiing probeerde te maken. Precies de beweging die je nodig hebt bij het vastzetten van de pijp op de kabel. Alles in zijn onderarm protesteerde en wat Ronnie de weken daarop ook probeerde, vingergymnastiek op Youtube, sportmassage, zes speciale asana’s via de Hindoestaanse madame: niets hielp. Zijn spieren weigerden zo ver te gaan als eerst, alsof zijn arm hem niet meer toebehoorde. En zo kwam een andere voormalig stagiair in de zee te staan bij Coronie.

Nadat zijn zoon geboren was, en iedereen het voorval allang vergeten, zelfs zijn tante was opgehouden erover te spreken, voelde hij van tijd tot tijd de stromingen van de zee door zijn lichaam. Als hij dan niets te doen had en kon blijven liggen, zag hij ze weer. Ze stonden, liepen wat, keken hem aan zonder iets te zeggen. Hij slikte. De mannen konden niet weg, konden niet weg toen het water kwam. 

Over de auteur

Eileen Ros (34), Amsterdam. Dagelijks leven: moeder van drie kinderen, in bezit van rijbewijs.

Over de illustrator

Zep de Bruyn is een tekenaar en visueel ontwerper. Hij is ook redacteur bij De Optimist. www.zepdebruyn.nl is zijn website, @zepdebruyn zijn Instagram.

Lees meer van

In de leer bij een optimist

Door Eileen Ros

Beeld: Joram Esveld U kent hem niet, Jeroen Meijer (33). Zijn levensgeluk werd op het nippertje van een wisse dood gered door het lezen van Sartre. Misschien wilt u toch een kijkje nemen dan. Jeroen is dan wel niet één van de Coen Brothers, niet de zoon van Harry Mulisch, Anna Drijver in eigen persoon […]

Lees meer uit de categorie Proza

Kiepeneuker

Door Vincent Bakkum

Pertti ligt languit op de houten bank onder het keukenraam. Met een lucifertje dat hij van de vensterbank heeft gepakt, poert hij in zijn oor. De televisie belooft sneeuw, nog meer sneeuw. Op de kaart van Finland zitten wolkjes met sterretjes geplakt, boven de Botnische Golf en de Oostzee pijltjes en nummers. Langs het raam […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper