Kort verhaal Proza

De duellist: De jam is op

Door Anne Steenhoff | beeld: Yvonne Hop
11 juni 2020

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.

Ik gaf de pindakaaspot door zoals ik het ticket naar de veerboot door had willen geven: niet meer mijn probleem. Ik was mijn hele leven nog nooit op een eiland geweest, en nu woonde ik er al ruim een jaar. Ademhalen ging zwaar doordat de warmte op mijn borst drukte, maar het kon eveneens ook de aanwezigheid van Mevrouw Grootman zijn, ik wist het niet.

Ik wist dat ze snel dood zou gaan, en dat ik dan een ander huis moest zoeken. Ze was al oud en elke nacht leek ze iets trager adem te halen. Ik stond dan in het pikkedonker naast de bank in de woonkamer waar ze al bijna een jaar sliep. Dat was om haar heupen te sparen, zei ze. Maar ik denk dat mensen die weten dat ze gaan sterven zich voorbereiden om aan de grond vast te grijpen als het zo ver is, bang om op te stijgen en weg te vliegen alsof ze nooit echt hebben bestaan.

Ik wilde verdwijnen, soms. Niet helemaal weg, maar als lucht willen zijn, rondom mensen kunnen hangen, dingen kunnen zien zonder zelf gezien te worden. Ik kon volledig opgaan in mijn alledaagse fantasie, ik vond er steun, houvast, vreugde zelfs. Daar liep ik niet mee te koop, het is immers niet iets wat bij volwassenen als normaal wordt gezien. Alhoewel, er geloven ook mensen in dingen als God of de woorden van de persvoorlichter van Schiphol.

Ik was naar het eiland gebracht door Ida. Ida, de sociaal werkster van de opvang voor jongeren. Ik was eigenlijk net iets te oud voor hulp van de jongerenopvang, maar Ida was een vrouw die weigerde haar werkzaamheden door bureaucratische regels te laten bepalen. En dus had ze me op de drempel van het huis van mevrouw Grootman geparkeerd, aangebeld en enthousiast geroepen: ‘Hier is hij dan!’, alsof ik een blijde verrassing was, een pakketje waar ze al een tijdje op wachtte of een pasgeboren kind.

Ik was twaalf de eerste keer dat ik het snapte. Op de vensterbank bij het raam had een torretje gelopen. Een klein zwart beestje. Hij kon niet bijten of steken, zelfs niet eens vliegen, hij liep daar gewoon. Ik had hem gevangen onder een klein Picardie-glaasje en hem, met mijn hoofd heel dichtbij het glas, aandachtig bestudeerd. Eerst kwam het idee in me op hem in de felle zon die door het raam scheen te laten verbranden. Ik moest in een tekenfilm gezien hebben dat dat mogelijk was want ook al snapte ik het natuurkundig principe niet, ik wist dat ik een vergrootglas nodig had. Ik liep naar de badkamer en rommelde wat in de toilettas van mijn moeder. De tas bevatte een heel arsenaal aan spulletjes maar geen vergrootglas, echter bij het aanzien van het pincet kwam er een andere gedachte in me op. Een betere. Tevreden over de uitvoerbaarheid ervan huppelde ik terug naar mijn kamer.

Ik tilde het glaasje op en drukte het beestje stevig klem tussen mijn duim en de vensterbank. Zijn zes pootjes uitgespreid aan weerszijden van mijn duim. Toen ik het laatste pootje los trok, schrok ik. Misschien was het de aanblik van het torrenkopje dat nog heftig met zijn voelsprieten bewoog. Misschien was het de verzameling pootjes die ik geordend, bijna chirurgisch naast elkaar had uitgestald. Een diep gevoel van schaamte overviel me, het gevoel dat ik iets verloren had. Ik liet het pincet abrupt los en deed met mijn handen omhoog drie stappen achteruit, alsof ik verbaasd was dat hetgeen ik voor me zag überhaupt had plaatsgevonden.

Vanaf dat moment begreep ik dat de gekte altijd  dichtbij is. Ik kon waar dan ook ter wereld, op elk moment van de dag besluiten niet meer aan de norm te conformeren en buiten het kader van de mogelijkheden te treden. Ik kon besluiten  te doen wat ik eigenlijk wilde. Het was puur het gevoel wanneer ik mezelf onder controle wist te houden waardoor ik het niet constant deed, ook al vormde het leven elke dag weer grote uitdagingen. Ik wilde winnen.

Hoe ouder ik werd hoe vaker mijn momenten van verslapping als storend werden ervaren. Het waren geen échte verliezen; een trap richting een hond, het aansteken van een brandje. Tot ik uit huis werd gezet en ik me na drie nachten buiten geen andere raad wist dan me bij de jongerenopvang te melden. Ze hadden daar alleen: ‘We gaan je helpen!’, geroepen en me verder niet naar mijn gedachten gevraagd en dus had ik er niets over gezegd.

Maanden waren verstreken en ik was aan het dagelijkse ontbijt met mevrouw Grootman gewend geraakt. Ze at altijd dezelfde dingen in dezelfde volgorde. Twee bruine boterhammen die ze met jam besmeerde, gevolgd door een handsinaasappel. Ze sloot het ontbijt af door haar thee, waar ze tussen de boterhammen en de sinaasappel door wel van genipt had, met een teug naar binnen te gieten. ‘Zo’, zei ze dan voordat ze op stond en wegliep. Het was een klankzuiver ritueel geworden, melodieus bijna. Vandaag echter was de jam op, iets wat mevrouw Grootman in haar leven zelden was gebeurd: gebrek aan iets. Tot haar grote onvrede moest ze het met de pindakaas stellen.

‘En wat ga jij vandaag doen?’, vroeg mevrouw Grootman met haar blik op de krant gericht. Ze had bij het lezen van de krant altijd een Don Quichot-strijdhoedje op, ik begreep dat wel, hij vocht tegen windmolens en zij tegen nieuwsberichten over Boko Haram. Ze was pas halverwege de eerste boterham. Ik haalde mijn schouders op, ‘ik weet niet, heeft u nog hulp nodig in de tuin?’ Ze schudde afkeurend haar hoofd en stak van wal met het pleidooi voor een opleiding en een goede baan later. Ze leek soms te vergeten dat later voor mij eigenlijk nu al was en dat goede banen niet zijn weggelegd voor mensen zoals ik. Ze wist überhaupt niet wat ze in huis gehaald had, dat zag ze door haar zure goedheid over het hoofd.

Ik bekeek haar aandachtig. Het was hoe ze de pindakaas op haar brood deed waardoor ik me afvroeg of ze nog één dag zou hebben of nog een week. Maar de manier waarop ze haar mes aan de randjes afsmeerde zei me dat ik er dichtbij was, bij verlies. Iedereen die speelt, verliest ooit een keer. De vraag was wanneer ik zou verliezen, écht verliezen. Ik stelde me voor hoe het zou voelen als ik het broodmes dat zo dichtbij mijn hand lag in haar nek zou duwen. Mijn vingers die het heft omklemmen, een korte haal, of wellicht heel langzaam terwijl ik in haar uitpuilende ogen keek. Mijn rechterpink raakte het mes heel zachtjes aan.

Er vloog een bij door de openslaande deuren naar binnen. Hij zoemde rond het hoofd van mevrouw Grootman die zonder aarzeling en met meer handelingssnelheid dan ik van haar gewend was de krant oprolde en wild om zich heen sloeg.  ‘Hé! Héé! Stop eens!’, schreeuwde ik, ‘dat is een beschermde diersoort ja!’ Mevrouw Grootman stopte verbaasd met rondmeppen. Als zij het dier doodsloeg verstoorde dat mijn wedstrijd, zo kon ik me niet concentreren.

Het was even stil.

Ze stond op en begon de borden af te ruimen. Toen ze het mes wilde pakken, hield ik haar hand tegen. ‘Ik doe het wel’, zei ik. Ze keek me aan, knikte en trok haar hand terug. Het oogcontact verbrak niet. Het viel me nu pas op hoe donker het in het huisje was, hoe slecht je van buiten zou kunnen zien wat er zich binnen afspeelde. Eerst hield ik mijn gezicht neutraal, maar toen voelde ik hoe mijn mondhoeken langzaam opkrulden. Ik glimlachte, ik glimlachte zoals ik die middag had geglimlacht in de gebroken weerspiegeling van het glas. Mevrouw Grootman bleef me aankijken, wantrouwend, verontrust bijna, alsof ze me toen pas voor het eerst zag. Ze draaide zich om en liep het bedompte gangetje in naar de keuken. Ze voelde mijn ogen in haar rug want halverwege de kamer keek ze even over haar schouder of ik haar achterna kwam. Dat deed ik niet. Ik zat in de stoel en staarde even voor me uit. De zon die in mijn ogen scheen, deed me besluiten dat het er de dag niet voor was. Ik legde het mes terug. Vandaag nog niet.

Over de auteur

Anne Steenhoff (1996) schrijft en maakt films. Ze studeerde in 2019 af aan de masteropleiding film aan de UvA. Ze won de tweede prijs bij WriteNow! Amsterdam en schreef voor de NRC een opiniestuk over het deurbeleid van Nederlandse universiteiten. Werkt momenteel aan verscheidene schrijf- en filmprojecten en haar eigen instagramplatform the_quirky_queer_shortstories.

Over de illustrator

Yvonne Hop (1988) is een ontwerper met een fascinatie met alles dat net een beetje ongemakkelijk is. Naast haar baan als Media Redacteur maakt ze portretten, tekent ze over haar kinderfoto's heen, houdt ze een blog bij over duistere vakantiebestemmingen en probeert ze haar kat te trainen als een hond. Je vindt andere tekeningen van haar op haar Instagram en website.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

Coming out

Door Vincent Bakkum

Deze week vertelt schrijver (en illustrator!) Vincent Bakkum over zijn coming out. De stewardess sluit de bagageruimte boven mijn hoofd. Ik voel me als een jongen in de schoolbank op het moment dat de juffrouw over zijn schouder meekijkt. Ze heeft mooie benen en ruikt lekker fris. Als een hond speur ik haar bouquet af naar een […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper