Proza

De Duellist: Het eiland

Door Luuk Schokker | beeld: Stephanie Bloemendal
4 juni 2020

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.

 

We hadden het nooit zo bedoeld, maar voor onze gasten was Het Oude Eiland een romantisch toevluchtsoord geworden. Voor jonge stellen wekte de overtocht alleen al lust op, bij oudere koppels leek de ingedutte liefde spontaan weer tot leven te komen als we aanmeerden om naar het restaurant te lopen. We omarmden onze identiteit als hotspot voor geliefden; we hielpen graag om de liefde te vieren, al was het maar met vuurwerk in de crème brûlée en hartvormige bonbons bij de koffie.

Wat ik bedoel te zeggen: we begrepen die dag al meteen dat er iets niet klopte. Het was een ongewoon warme herfstdag. Vanmorgen had het geregend, nu was het windstil en zonnig, perfect weer voor een eindje varen, maar geen van de gasten leek zich te verheugen op een bijzondere avond. De vrouwen op de boot leken nerveus, alsof ze naar de frontlinie werden verscheept in plaats van naar een luxe privérestaurant. Ze trommelden op hun tasjes en herschikten hun haren. Hun mannen staarden stilletjes voor zich uit.

‘Ligt het aan mij,’ zei mijn collega Miriam, ‘of is dit een rare groep?’

‘Liever een rare groep dan dit,’ zei Carolien. ‘Dit is helemaal niets.’

Ik maakte aan het einde van de overtocht mijn gebruikelijke rondje om de gasten nog een drankje aan te bieden. Daarna verscheen Carolien om haar uitgebreide inleiding op de avond te geven. Er klonk zowaar een beleefd applausje voor ze haar verhaal begon.

‘Jullie krijgen straks eerst een korte rondleiding over het eiland,’ zei ze. ‘Het is er heerlijk rustig. Er wonen alleen wat schapen. Het enige gebouw dat in gebruik is, is de voormalige loods waar wij ons restaurant gevestigd hebben. Voelt u zich vrij om tussendoor een wandelingetje te maken. Met glas, zonder glas, het mag allemaal. U mag zelfs uw mandje brood meenemen. Als u de arme schapen maar met rust laat.’

Normaal hoorden we alleen een beleefd gegrinnik na Caroliens routinegrapjes. Nu werd er uitbundig gelachen. Wandelen met een broodmandje, mijn hemel, hadden deze mensen nog nooit een grap gehoord?

Miriam stootte me aan. Ze wees op een vrouw met felrood geverfd haar die een zakdoekje in de zak van haar witte broek duwde.

‘Niet te geloven,’ zei ze, ‘er biggelden tranen over haar wangen. Echte tranen. Wat hebben we in vredesnaam voor volk aan boord?’ Ze zwaaide met een vinger in mijn richting. ‘Geen grappen bij het uitserveren straks, vriend. Ik zweer je dat we dan lijken moeten rapen.’

Met het afzetten van de motor stierf ook het laatste geluid uit de groep weg. De gasten vormden volgzaam rijtjes, twee aan twee, gedwee op pad met Carolien als akela voorop. Ze wandelden zwijgend langs de schapen, lieten zich mak naar hun tafeltjes leiden – identieke tweetallen, even weinig gespreksstof.

Het was benauwd in de loods. In de winter was het er niet behaaglijk te krijgen, maar als we de ruimte eenmaal op temperatuur hadden bleef het er broeierig warm tot ver na de zomer. Tot aan het begin van de herfst probeerden we zo veel mogelijk in de buitenlucht te doen, maar het terras was nog vochtig en dus zaten we binnen. Ik zag de eerste zweetdruppels al over voorhoofden lopen, maar de meeste gasten hielden hun extra lagen kleding aan. De truttige vesten, de vormeloze fleecevesten – niet alleen hun gevoel voor humor was ernstig onderontwikkeld.

‘Mevrouw?’ vroeg ik. ‘Zal ik uw vest aannemen?’

‘Niks daarvan,’ bromde de vrouw aan tafel 2. Haar man schudde buiten haar gezichtsveld meewarig zijn hoofd.

Ik zette op alle acht tafeltjes een mandje brood naast het vaasje rozen en lichtte het menu toe: seizoensgroenten, biologisch vlees, bijpassende wijnen, roept u me vooral als u nog vragen hebt. De gasten leken het nauwelijks te registreren. Weer dat verdwaasde geknik, weer die zombieachtige blikken. De hysterische lachbuien op de overtocht leken hun laatste energie te hebben opgeëist.

In de keuken ontstond inmiddels een pooltje rondom de vraag wat er ‘in de naam van de Heilige Jozef’ (aldus Carolien) met deze mensen aan de hand was – de mannen die tegen hun zin mee de boot opgesleept leken, de paar vrouwen die af en toe vluchtig contact met elkaar maakten en dan snel weer wegkeken, haast alsof ze niet gezien wilden worden op hun extravagante avondje uit. We waren gewend dat onze gasten juist glunderende blikken uitwisselden. Eerst die gezamenlijke boottocht, dan het restaurant waar niemand anders zomaar binnen kon lopen. Het Oude Eiland was een plek voor een avontuurlijk groepsgevoel, maar hier leek de ene vrouw nog gegeneerder dan de ander. Ik leunde tegen de deurpost van de keuken en verbaasde me hardop over de troosteloze uniformiteit van de groep, acht witte, ontevreden heterostellen van middelbare leeftijd.

‘Er klopt inderdaad iets niet,’ zei Miriam. ‘We worden in de zeik genomen. Dit komt op tv.’

‘Het is een fokking sekte,’ zei Jerry, onze kok, met een vette grijns. ‘Ik houd mijn messen in de gaten.’

Carolien dacht dat de gasten collectief aan het rouwen waren: ‘Alleen als er iemand dood is begrijp ik dat niemand blij is. Dit is een plek om vrolijk van te worden, mensen!’

‘Of het is toevallig een lichting die weinig zegt of weinig te zeggen heeft,’ opperde ik. ‘Alleen maar saai volk. Kan gewoon.’

‘Ik was vorig jaar met oud en nieuw bij een feestje met alleen maar saaie mensen,’ zei Miriam. ‘Zaten we met z’n allen glazig naar de tv te staren. Echt, man, ik dacht dat ik doodging.’

‘Wacht maar,’ zei Jerry. ‘Straks geeft hun sekteleider een seintje en dan gaan we er allemaal alsnog aan.’

Ik gaf hem lachend een mep tegen zijn schouder en schoof een briefje van vijf euro naar Carolien.

‘Toeval,’ zei ik. ‘Niet meer dan dat.’

Ik opende een fles Albariño voor bij de eerste gang en liep de zaal weer in. Miriam dribbelde achter me aan. Op haar onderarmen balanceerden borden met groene asperges, bloemkoolpuree en gestoofde wortel. We serveerden uit, schonken in, knikten vriendelijk. Daarna trokken we ons terug in de keuken.

‘Krijg jij contact met ze?’ vroeg Miriam. ‘Echt hoor, als je zwijgend tegenover elkaar gaat zitten schrokken, maak dan gewoon thuis een bord hutspot.’

‘Zitten we in zo’n zegeltjesactie?’ vroeg ik aan Carolien.

‘Ik sluit de tent nog liever,’ antwoordde ze kortaf. ‘Misschien staan we in een of ander tijdschrift.’

‘Nee hoor,’ zei Jerry, terwijl hij een grote snijplank op zijn werkblad zette. ‘Mijn moeder heeft een plakboek met alles wat we hier doen. Ik had het wel gehoord als we in een artikel waren verschenen.’

Vlak voor we de borden wilden ophalen stond een van de vrouwen op. Ze tikte hard met haar trouwring tegen haar wijnglas. Jerry sneed bijna in zijn vinger van het plotselinge geluid.

‘Mag ik even de aandacht?’ vroeg ze. Haar stem trilde. Onder haar ronde brilletje kleurden haar wangen zo rood als haar fleecevest. Ze veegde haar handen af aan haar broek en keek de zaal rond, alsof ze wachtte op toestemming om verder te spreken. Ik probeerde haar vriendelijk toe te knikken, maar haar blik schoot alle kanten op. Ze schraapte grondig haar keel. Net buiten haar bereik stond een glas water, maar haar echtgenoot stak geen vinger uit.

‘We zijn hier vanavond om te eten, natuurlijk, hier op deze plek, en dat is op zich al heel bijzonder,’ zei ze uiteindelijk. ‘Ik bedoel, kijk maar om je heen naar deze speciale omgeving. Maar er is nog een extra reden waarom we hier zijn.’

Ze haalde diep adem en depte haar voorhoofd met een servet.

‘Mijn naam is Margreet,’ zei ze, kalmer nu, zichtbaar opgelucht dat ze de eerste hobbel genomen had. Ze ritste haar vest open. Op het witte T-shirt dat ze eronder droeg stond met grote zwarte letters erna.

‘Ik ben dus Margreet. Zoals ik zei. En ik ben niet Erna.’

Ze keek triomfantelijk de zaal rond. Ik kon mijn verbazing nauwelijks verbergen, maar probeerde nonchalant voor me uit te blijven kijken. Miriam stond achter me in de deuropening en giechelde zenuwachtig.

‘Wie is Erna dan wel, vraagt u zich af,’ zei ze. ‘Nou. Die vraag kunt u het best stellen aan mijn man, Edwin.’

Ze wees naar haar spierwit weggetrokken man, die zich probeerde te verstoppen achter zijn lege wijnglas.

‘Ed. Vertel eens aan deze mensen: wie is Erna?’

Haar partner schudde zijn hoofd en mompelde iets dat we vanuit de deuropening niet konden verstaan.

‘Hij wéét het niet,’ kraste Margreet. ‘Wat jammer, Ed. Wat ontzéttend jammer. Misschien hebben jullie meer geluk, vrienden.’

Er stonden nog vijf vrouwen en twee mannen op. Ook zij ritsten hun vesten open. Aan alle tafels verscheen een wit T-shirt met een naam.

DEBBIE.

RAYMOND.

MYLÈNE.

TINEKE.

COR.

MILLY.

LEONIE.

‘Holy shit,’ mompelde Miriam.

‘We weten het,’ zei Margreet. ‘We weten het allemaal. We weten het al langer dan jullie denken. En we pikken het niet meer!’

Haar kompanen joelden en klapten, ze pakten hun bestek op en trommelden ermee op de tafels. De vrouw aan tafel 6 gooide een glas water leeg in het gezicht van haar echtgenoot en hief glunderend het lege glas.

De partners zeiden niets terug. Ze keken naar beneden. Bij een kale man rolden tranen over zijn wangen. Zijn vrouw keek ongeïnteresseerd de andere kant op. Ze vouwde haar armen over de naam MYLÈNE op haar T-shirt. De vrouw aan tafel 5 stak haar hand zoekend in de lucht en kreeg een slappe, knullig ogende high five van haar buurvrouw aan tafel 7.

‘Had iemand ingezet op een bevrijdingsfront van bedrogen echtgenoten?’ fluisterde Miriam.

‘Moeten we iets doen?’ vroeg ik. ‘Zal ik maar even wachten met de tweede gang?’

‘Sst.’

Ik voelde me schuldig, maar begreep niet waarom. Deze acht mensen hadden feitelijk niets meer gekregen dan hun verdiende loon. En dan waren hun partners zelfs nog genadig geweest door hun plan op een afgeschermde locatie uit te voeren.

‘Dit is toch prachtig,’ zei Carolien.

‘We hadden het moeten filmen,’ zei Jerry. ‘Dat was een gouden video geweest.’

Wanneer was het definitief misgegaan in de relaties van onze gasten? Misschien waren de namen op de T-shirts niet de eerste, misschien hadden de partners zich ook niet altijd netjes gedragen. Vermoedelijk hadden de huwelijken hun beste tijd daarvóór al gehad. Maar ergens moest er een kantelpunt zijn geweest, een bepalend moment, waarna het een beter idee was geworden om met vreemde mensen samen te spannen dan om thuis een stevig gesprek te voeren. Het moesten stuk voor stuk reddeloze situaties geweest zijn, al ver vóór vandaag. De echtgenoten met de witte T-shirts wisten dat al. Voor hun bedremmelde partners leek dat nu pas echt duidelijk te worden. Kwam daar dan mijn medelijden vandaan?

We bleven op de drempel van de keuken staan kijken hoe de witte T-shirts zich verzamelden. Ze wierpen een laatste blik op hun partners en liepen zonder een woord te zeggen achter Margreet aan de deur uit.

‘Waar gaan ze in hemelsnaam heen?’ siste Carolien. ‘Zonder de boot komen ze nergens.’

‘Ze hebben fucking T-shirts laten drukken,’ zei Miriam, ‘ze hebben vast wel een manier bedacht om thuis te komen.’

‘De runderlende wordt koud,’ zei Jerry.

Ik bracht de borden rond, probeerde met neutrale stem uit te leggen welk gerecht ik voor de achtergebleven echtgenoten neerzette. Ze knikten stilletjes. Ik zette de muziek maar iets harder.

We deden die avond geen vuurwerk in het toetje.

Over de auteur

Luuk Schokker (1990) werkt voor een onderzoekscentrum in Rotterdam en woont in Utrecht. Buiten kantoortijden schrijft hij verhalen en (af en toe) toneelteksten.

Over de illustrator

Stephanie Bloemendal (1992) is illustrator en designer. Verruilde Twente vier jaar geleden voor Amsterdam. Zie haar Instagrampagina.

Lees meer van

Eerste indrukken: Waarom ik dol ben op Duitsland (en mijn broertje niet).

Door Luuk Schokker

Der Germanist geht immer wieder weiter. Deze week laten vier auteurs in een reeks mini-essays hun Duitsland aan ons zien. Meezing-Matthäusen, stroef verlopen schoolreisjes, bijzondere instrumenten en een andere kijk op Kafka – het komt allemaal voorbij. Luuk Schokker bijt het spits af! *** Het schijnt niet meer dan zeven seconden te duren voor iemand een […]

Lees meer uit de categorie Proza

Plaatselijk verdoofd

Door Hans van Rijkom

     Het geruststellende van een herfstdag is dat je zelf niets aan de dag kunt bederven. In tegenstelling tot de zomerdag, die je moet benutten. Mijn blik glijdt langs het meubilair dat tegen de muren geschoven houvast tracht te vinden. Zonder de foto’s die op het buffet staan te kunnen onderscheiden weet ik dat ik […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper