Proza

De Duellist: Tweestrijd

Door Lisa Vendrik | beeld: Anouk van der Meer
26 juni 2020

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.

Met samengeknepen ogen fietst Emma door de zonovergoten stad. Het zonlicht ligt over de grachten heen, goudomrande mensen zitten aan het water, dobberend op hun eigen eilandjes. Duiven fladderen voor de toeristen uit, gillende kinderen volgen hen op de hielen. Een wit-bruine kat rent achter een onzichtbare prooi aan. Of misschien wordt de kat juist achternagezeten, net als de duiven. Emma flitst langs de grachten, de mensen, de duiven, de kat. De zonnestralen op haar gezicht voelt ze niet branden, vanavond zal ze zich pas realiseren dat ze zonnebrand op had moeten smeren, wanneer ze haar roodverbrande gezicht ziet in de spiegel van haar badkamer.

Met dezelfde snelheid als waarmee haar voeten cirkelen op haar trappers, kronkelen Emma’s gedachten over elkaar heen. Van de een gaan ze moeiteloos over in de ander. Als de golven op het strand spoelen de verschillende gedachten aan, om zich daarna weer terug te trekken en op te lossen in het schuim van de zee. Soms spoelt er een schelpje aan op de branding, en blijft even liggen. Emma denkt aan de afwas van twee dagen die er nog staat, de borden met opgedroogde saus die aan de keramiek zal blijven kleven bij het afspoelen, de geur van opgedroogde wijn in de glazen.

Terwijl haar voeten doortrappen loopt Emma in gedachten door haar huis. Ze trekt de lades van haar kast open, bedenkt dat ze die weer eens zou moeten opruimen. Ze kan zich de spullen die voorin liggen nog wel voorstellen, maar naarmate ze verder de lades induikt vervagen de objecten tot een grijze massa. Daar, in die grijze massa, zal ze vast foto’s vinden van momenten die ze zich vaag herinnert, beeldjes waarvan ze niet meer weet waar ze die heeft gekocht, kaartspelletjes waar ze jarenlang niet meer mee heeft gespeeld of aan heeft gedacht. Desondanks zal ze waarschijnlijk uren rondom de uit de kast getrokken lades zitten, omdat er genoeg objecten zullen zijn in de grijze massa waar ze wel een levendige herinnering aan heeft overgehouden. Ze hoopt dat de vierkleurenpen, die haar beste vriendin haar ooit gaf voor haar twaalfde verjaardag, daartussen ligt. Hoewel alle kleuren inmiddels op zijn heeft ze hem altijd bewaard, omdat de pen haar aan die vriendin doet denken, een veilig gevoel.

*

Peter klimt met zijn vier poten langs de witte, knisperende muren. Hij zou zijn vleugels willen gebruiken, maar die heeft hij langs de punt geschaafd toen hij neerkwam – een paper cut. Nu zoekt hij zijn weg uit dit witte, heuvelachtige landschap. Boven hem ziet hij de lucht, waar hij een poos geleden nog zo onbekommerd rondvloog, tot een hand hem van achteren neersloeg. Hij was in de veronderstelling geweest dat hij en de mens een informeel, non-verbaal contract hadden gesloten, dat hij in vrede rond kon vliegen tot de doorzichtige substantie tussen de vensterbank en het plafond was opgelost, en hij weer de stralende buitenwereld in kon schieten. Nou, dus niet, denkt Peter, een beetje versuft – zowel door de klap die hem hier deed belanden, als door die ene keer dat hij tegen de substantie was aangevlogen op volle snelheid, met de verwachting dat die er niet was.

De papieren prop op tafel had hij wel zien liggen, zonder een besef te hebben van de complexe wereld die daarin schuilging. Zijn toekomstige problemen leken van bovenaf zo overzichtelijk, zo behapbaar, maar eenmaal midden in de kwestie ziet hij geen uitweg, en borrelt de angst in hem op. Peter probeert harder te zoemen, in de hoop dat de mens – die hem reeds verraden had, maar die hij, gezien hij ook geen andere keuze heeft, een tweede kans wil aanbieden – hem zal horen en uit zijn miserabele situatie zal verlossen.

*

Emma denkt aan de paper die ze vanavond af moet hebben. Ze moeten een deconstructivistische lezing geven van een roman en Emma heeft haar lievelingsboek De golven slaan om als casus gekozen. Ze heeft het boek ooit op een marktje gevonden, met een bruin omslag, zonder auteursnaam voorop. Ondertussen heeft ze het meerdere malen gelezen. Het kwam dan ook gelijk bij haar op toen ze over een boek voor de paper aan het nadenken was. In de eerste instantie was ze vooral enthousiast geweest over het onderwerp, maar nu ze er echt aan moet beginnen voelt ze ook spanning door haar lichaam stromen. Ze heeft al haar voorbereidingen getroffen. Met een tas vol schrijfartikelen aan haar stuur keert ze terug naar huis. Ze koestert de stiekeme hoop dat er iets tussen komt, zodat ze nog even de in haar hoofd geïdealiseerde vorm van de paper vast kan houden, voordat ze begint en het alle kanten op kan gaan.

Ze bedenkt dat ze haar kledingkast kan gaan opruimen, wat ze zich al een jaar lang voorneemt. Ze voelt alleen weerstand voor de chaos die het opruimen in de eerste instantie teweeg zal brengen, waarbij alle kleding, nu opgepropt in haar kast, in hoopjes om haar heen zal liggen. Het is ook het moment dat ze zichzelf weer die confronterende vraag moet stellen of ze dat ene kledingstuk het komende jaar nog gaat dragen, terwijl ze het kledingstuk het hele jaar – al die maanden dat ze zich voornam haar kast op te ruimen – niet gedragen had. Ze kan dit dan wijten aan de ongeorganiseerde status van haar kast, waardoor sommige kledingstukken in een ver verleden achterop zijn geraakt, als een schaap dat zijn kudde kwijt is, en dat door het gebrek aan een systeem in de kast of een herinnering aan het kledingstuk dat in de vergetelheid is geraakt. Maar diep van binnen weet Emma ook wel dat dat niet de reden is dat ze dit kledingstuk is vergeten: het is een kledingstuk dat niet meer samenvalt met wie zij is – een constatering die onlosmakelijk het einde van een tijdperk inluidt.

Terwijl ze in dat rappe tempo door de stad fietst, suizen gebouwen en mensen langs haar heen, zonder dat ze straatbordjes kan lezen of gezichten zou kunnen herkennen. Een fietser schreeuwt tegen toeristen die een zebrapad oversteken, waarna hij zelf zijn evenwicht bijna verliest. Mensen lopen druk over straat, met een gespannen blik, onder de ogen richten wallen zich op, als bergtoppen onder de zon. Auto’s toeteren, voetgangers maken ruzie, kinderen schreeuwen. Voor Emma verworden de langs haar schietende geluiden tot een ruis. Ondertussen flitsen in haar gedachten de spullen in haar lades langs die ze zich kan herinneren, de kledingstukken in haar kast, de markeerstiften in haar Hema-tasje. De eerst nog zo rustig en onschuldig ogende gedachten beginnen zich steeds drukker door haar hoofd te bewegen, zoeken een gaatje in haar volle planning en volle hoofd, drukken op haar keel. Tot ze abrupt moet remmen voor een oude man die het zebrapad oversteekt.

*

Terwijl Peter zich voortbeweegt in de prop, trilt de papieren grond onder hem. Bij elke poot die hij voor zich neerzet, lijkt de witte wereld om hem heen te verschuiven met een luid gekraak, totdat Peter stil blijft zitten. Hij durft geen poot of vleugel meer te verroeren, uit angst om de witte muren weer op hem af te zien komen. In ruststand overdenkt hij zijn situatie, maar hij komt uiteindelijk niet verder, fysiek noch mentaal. De prop blijft de prop, zijn probleem blijft zijn probleem, en Peter zit er middenin. De mens, waar hij net nog al zijn overgebleven hoop op vestigde en die hem tevens in deze situatie heeft gebracht, hoort hij nergens meer.

Dan brengt iets van buitenaf de prop in beweging, incluis onze Peter. In eerste instantie denkt Peter dat de mens de prop heeft opgetild, maar dan hoort hij een windvlaag langs zijn nog steeds verlamde vleugels suizen. Eerst maken hij en de prop een opwaartse beweging, om vervolgens ter aarde te storten. Peter tolt rond in zijn nieuwe wereld van papier, zonder door een uitweg te vallen. Boven en onder worden relatieve begrippen voor de verwarde Peter.

*

De man, oud en gebogen, steekt in alle rust over, sloom de ene voet voor de andere zettend, met zijn kin op zijn heupen. Het doorzichtige tasje in zijn hand toont enkele boodschappen. Emma verbaast zich over de eenvoud, rust en traagheid waarin de man oversteekt. Het lijkt alsof deze boodschappen het zwaartepunt van zijn dag zullen vormen – iets waar hij alle tijd voor heeft, en neemt. Een gevoel van zinloosheid bekruipt Emma, maar ze weet niet zeker of dat door haar eigen overdenkingen of de passerende man teweeg wordt gebracht. Waarna ze haar voeten weer op haar trappers zet en vaart maakt.

Emma fietst verder, in de stad die net nog vol leven was, maar nu plots opvallend verlaten oogt. Ze rijdt langs een speeltuin zonder kinderen, langs een plein zonder stelletjes die in de zon een ijsje eten. Alsof de stad altijd zonder mensen heeft bestaan ligt zij daar in de zon. Maar Emma rijdt verder, lijkt de verandering in haar omgeving niet helemaal te registreren.

De op het eerste oog eenvoudige gedachten hopen zich op, vormen een onoverzichtelijke chaos die haar achtervolgt. Emma moet denken aan de keer dat ze las over een vogelspin die in een toiletpot was gevonden. Voor enkele weken moest ze elke keer als ze naar de wc ging denken aan de harige pootjes. Later zou de spin bij een kriebelig gevoel aan haar blote voeten over haar grote teen lopen. Alsof er een paadje in haar brein was aangemaakt, een weg waar niet meer van afgeweken werd en die alleen maar meer werd uitgehold elke keer dat hij werd betreden, zo worden haar recente gedachten ook onoverzichtelijker, elke keer als ze eraan denkt. Wat als ze de vierkleurenpen niet meer terug kan vinden, wat als ze geen zin van haar paper op papier kan krijgen? Ze rijdt langs het station, dat net als de rest van de stad nog steeds verlaten is. Alleen achtergelaten glinstert het IJ voor haar. Ze trapt nog harder op haar trappers, te hard, waardoor de trappers allebei binnen één rotatie afbreken. Op haar fiets zonder handremmen rijdt Emma op de kade af. Waar normaal de veerpont aanmeert rijdt ze op volle snelheid het water in.

Eerst merkt ze niets, dan komt de kou alsof die recht door haar heen trekt, alsof haar lichaam alleen nog deze kou is. Voor even zijn er geen grenzen meer tussen haar en het water om haar heen. Tot ze haar kleding zwaarder voelt worden. Alsof er lood in zit trekken haar schoenen haar naar beneden. De kou en angst doen haar verstijven, terwijl ze steeds verder naar beneden zinkt. Dit is het moment dat er in een film een arm naar beneden zou komen die haar weer omhoog zou trekken. Maar in plaats van een arm ziet Emma de kledingstukken uit haar kast. Als visjes die een gekke diersoort hebben ontdekt in hun territorium cirkelen ze om haar heen, afwachtend. De markeerstiften uit haar Hema-tasje zweven ertussen, en zijn als wapens op haar gericht. De vierkleurenpen zwemt verderop in het water, ver buiten haar bereik. Een zonnestraal komt het water in, en bereikt het gezicht van Emma. Als een lijn recht naar boven strekt de streep licht zich uit. Er zit maar één ding op, weet Emma, zwemmen.

Wanneer ze boven water komt, en op de kade is geklommen, lopen er weer talloze mensen te bellen, te praten of te genieten van de zon. Emma merkt nu pas hoe stil de wereld om haar heen net was geworden, en is opgelucht dat de rumoerigheid weer is teruggekomen. Een paar mensen komen naar de druipende Emma toe, en vragen of ze in orde is, waarop ze bibberend, knikkend antwoordt.

*

De prop komt tot stilstand met een versufte Peter in haar midden. Wanneer de wereld om hem heen weer de – inmiddels bijna vertrouwde – witte vorm heeft aangenomen, komt hij tot een realisatie waar zijn pootjes van gaan tintelen. Net is hij nog ontsnapt uit de klauwen van die dikke huiskat, nu laat hij deze witte gevangenis niet zomaar de punt zijn achter een zin waar eerst een komma stond.

Peter beseft dat hij niet met zijn poten stijf hier kan blijven zitten. Moedig beklimt hij een van de papieren toppen, het krakende geluid zwengelt aan, de grond onder zijn poten begint weer te bewegen. Maar deze keer zal hij niet stoppen tot hij de top heeft bereikt, deze keer zal hij zijn vleugels er niet bij neerleggen. Al krakend en tollend komt Peter bij de top, strekt zijn vleugels uit, en vliegt weg.

Hoewel Peter zijn vleugels als hersteld had ingeschat, is alleen zijn linkervleugel naar behoren aan het klapperen, waardoor hij weer ter aarde stort. Op de vensterbank komt hij neer. Hij kijkt naar buiten, naar het buiten waarvan hij niet zeker weet of de menselijke substantie die begrenst. Hij blijft zitten tot de zon is ondergegaan en weer is opgekomen. Dan komt de menselijke hand die hem zo hard geslagen had boven zijn kop. Peter krimpt in elkaar. Maar de hand maakt een beweging die Peter niet kan plaatsen en verdwijnt dan weer. Peter recht zijn rug, strekt zijn stijve pootjes uit om een onhandige landing in de toekomst te voorkomen, en springt met uitgeslagen vleugels de buitenwereld in.

Over de auteur

Lisa Vendrik (1995) studeert aan de Universiteit van Amsterdam. Daar volgde ze de bachelor Nederlandse taal en cultuur, met de afstudeerrichting moderne Nederlandse letterkunde. Momenteel zit ze in de afrondende fase van de master Redacteur/editor. Gedreven door haar fascinatie voor taal en vertelkunst schrijft ze graag.

Over de illustrator

Anouk van der Meer is een illustrator met een fascinatie voor andere werelden. Door middel van haar illustraties wil zij de grens tussen de realiteit en de andere werelden laten vervagen. Zie Anouks Instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Proza

De agro-alien (deel 1)

Door Carlos Velázquez

Het verhaal ‘De Agro-Alien’ verscheen oorspronkelijk als ‘El alien agropecuario’ in La marrana de la literatura rosa (Sexto Piso, 2010) en is vertaald door Joep Harmsen met een Ontwikkelingsbeurs van het Expertise Literair Vertalen onder mentoraat van Brigitte Coopmans. De Optimist publiceert in twee delen een ingekorte versie van het verhaal. * In tijden van […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper