Proza

De duellist: Fossielkussen

Door Annelies van Wijk | beeld: Stefaan Van Hyfte
18 juni 2020

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.

Het moment dat je er klaar voor bent om gezien te worden en er niets meer is om te tonen. Niets anders dan een lijf dat deze zomer bleek is gebleven. De vlekken die appelflappen achterlieten op mijn jurk.

Jij reflecteert op je mentale gezondheid door elke week de hoeveelheid pizzadozen te tellen, het aantal wandelingen aan zee terug te rekenen en na te gaan of je aan die zee de behoefte voelde om naar leven te zoeken. Je ruikt aan mosselen om te zien of ze dood zijn of leven, tilt krabbetjes op aan hun lijfje om daarna naar me te schreeuwen: ‘Lola, kijk!’

Ik schaam me voor het eelt op mijn voeten, mijn kleinzerigheid als ik me prik aan een brandnetel langs het duinpad. Ik wil je ook iets over de natuur kunnen vertellen, over vissen die schreeuwen als ze gevangen worden, maar dat mensen hun schreeuwen simpelweg niet kunnen horen.

Ik ga op armlengte afstand van je zitten in het warme duinzand.
‘Vertel me nog iets over je zomer,’ zeg je.
‘Het was prima,’ zeg ik. ‘Veel geschreven.’
Je glimlacht, rolt op je buik om dichterbij te liggen.
‘Over mij?’ vraag je.
‘Je mocht willen dat je zo belangrijk voor me was.’
Je bruine ogen kijken als die van een labrador die geaaid wil worden. Je probeert met je tong je neus aan te raken, mij aan het lachen te maken.  
‘Daar had je over kunnen schrijven,’ zeg je.
‘Je weet dat ik een hekel heb aan honden,’ zeg ik.
Je begint aan mijn pols te likken. Ik sta op om een paardenbloem te zoeken.

‘Ik heb wel over jóú geschreven,’ roep je.
‘Sinds wanneer ben jij een schrijver?’
‘Je hebt me geïnspireerd.’

Ik loop naar de rozenbottelstruiken, langs de brandnetels waar ik in heb gestaan. Geen paardenbloem te bekennen.

‘Ik dacht dat het tegengif altijd naast het gif groeide.’
‘Niet altijd!’ roep je terug. ‘Anders moet je er gewoon overheen plassen! Of hondsdraf zoeken.’

Ik doe alsof ik weet welk plantje je bedoelt. Jij staat op, trekt je kleren uit om te gaan zwemmen. Ik was het verlangen vergeten om je moedervlekken met vingerstrepen aan elkaar te verbinden. ‘Ik heb ook over het leven van zeemeeuwen geschreven, mocht je daar meer interesse in hebben!’ zeg je voordat je naar de zee loopt zonder om te kijken.

Dat lijf dat ik zo goed ken. Het zeewater slaat de pijpenkrulletjes die altijd zo makkelijk rond mijn vinger vielen, plat.

Ik leg mezelf in het warme zand. De lucht zo strakblauw, alleen meeuwen die om elkaar heen cirkelen. Ik duw de nagel van mijn duim tussen mijn nagelriemen, wacht tot er eentje bloedt, steek de vinger troostend in mijn mond. Ik kijk hoe je opspringt, nog voor een golf je lijf heeft geraakt. Hoe je daardoor telkens precies in het hoogste punt van de golf duikt.

Ik doe alsof ik niet naar je gekeken heb als je uit zee komt, je badpak tussen je billen vandaan trekt.
‘Zo, krijg ik nu voor het eerst vandaag een oprechte glimlach?’
Je neemt overdreven modellenposes aan terwijl je jezelf afdroogt.

Je pakt mijn voet vast, streelt over de rode brandnetelbultjes. ‘Jij moet ook het water in.’

Het is alsof we twee jaar terug de tijd in lopen, naar de renwedstrijdjes richting de zee. Hoe fanatiek we daarvan werden. Hoe we elkaar lachend in het water duwden. Het onderdrukken van het verlangen om elkaar te kussen, omdat we zo van de spanning in onze buik hielden.

Ik duik in mijn gebloemde zomerjurk de zee in om aan de fantasie te ontsnappen. De stof zuigt zich tegen mijn lijf. Ik probeer zo lang mogelijk onder water te blijven. Te luisteren hoe de golven onder water klinken. Het bevredigende gevoel om in het moment te verdrinken, te zien hoe de zon op de bodem valt, mijn ogen die niet prikken.

Je grijpt me onder mijn oksels, trekt me boven water.
Ik hap naar adem. Jij knijpt in mijn schouders. Je gezicht ernstig, je ademt snel.
‘Gaat het?’
Mijn voorhoofd klopt.
‘Natuurlijk. Jij?’

We lopen terug naar onze tassen in de duinen. Je pelt een sinaasappel, begraaft de schillen in het zand. De armlengte die weer tussen ons in ligt lijkt voor mijn lijf onoverbrugbaar. Ik zou jouw nonchalance willen hebben. De nonchalance waarmee je ongemerkt iemands hand vastpakt.

‘Waarom wilde je eigenlijk met me naar zee?’ vraag ik.
Je humt. ‘Omdat ik weet dat de zee je gelukkig maakt.’
Ik ril, kippenvel op mijn armen. ‘Waarom vind je het nodig om me gelukkig te maken?’
‘Mag dat niet?’
‘Jij vond dat ieder voor zijn eigen geluk moest zorgen.’ 

Ik til mijn hand op, probeer richting jouw vingers te bewegen, teken uiteindelijk rondjes op mijn knie.

‘Ik dacht eigenlijk dat je opnieuw wilde beginnen,’ zeg ik.
‘Ik geloof niet in iets opnieuw doen. Dat weet je toch? Je had toch niets verwacht?’
‘Nee hoor.’
‘Ik deed het omdat ik je wilde zien. Zo. Na al die maanden.’

‘Vraag eens hoe mijn zomer was,’ zeg je.
‘Hoe was je zomer?’
‘Het was fijn.’
‘Goed.’
‘Ja. Het was goed. Ja. Ik ben naar Berlijn geweest.’
‘Alleen?’
‘Ja, maar ik wilde ook weer met…’
‘Dapper.’
‘Nou ja.’
‘Niet?’
‘Op zich wel.’
‘Wat was je lievelingsplek?’
‘Tempelhof.’
‘Waar we samen waren.’
‘Ja, waar we nog samen waren.’
‘Hoe was het nu, alleen?’

Je grijpt je natte haren samen, draait ze in een knot.

‘Ik was niet alleen.’

Ik haal de spullen uit mijn tas. Pen in het schrijfschrift. Elastiekjes in het dievenvak. De beurs geworden appel, die ik er al dagen weiger uit te halen, gooi ik weg.

Jij graaft de sinaasappelschillen weer op, blaast het zand eraf, houd ze voor je gezicht zodat er schaduwvormen op je ogen vallen.

‘En nu?’ vraag ik.

Je haalt je schouders op, staart naar de zee.

‘Ergens op de wereld is het nu nog gisteren,’ zeg je.
‘En ergens is het al bijna morgen.’

Over de auteur

Annelies van Wijk schrijft proza en toneel, maakt podcasts en reist stad en land af om mensen te ontmoeten met Liedfs. Ze is redacteur bij Hard//hoofd en begeleidt daarnaast met veel liefde aankomende makers in toneelschrijven en podcast maken. Gesprekken voeren met vreemden is haar langgekoesterde hobby, evenals briefschrijven, wandelen aan zee en pogen te leven zonder plastic. Meer informatie: www.liedfs.nl

Over de illustrator

Stefaan Van Hyfte (1983) of Stift is een illustrator en graphic novelist uit Brussel. Hij leverde satirisch illustratiewerk af voor het maandblad Goedele en tekende voor De Tijd en De Morgen. Voor een groteske tentoonstelling over André Van Duin animeerde hij de muren van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. Ook wandelde hij een jaar langs de Duits-Poolse grens om in de Branderburgse natuur inspiratie te zoeken. Terug in zijn vertrouwde Brussel werkt hij aan een graphic novel in een bezwerende stijl van Goya tot Hokusai. stift-illustrator.blogspot.com

Lees meer uit de categorie Proza

Stijlestafette: Zwart-wit

Door Sytske van Koeveringe

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Voor de een begint de nacht en voor de ander eindigt hij zoals die man die nu voorbijfietst: een massieve bureaulamp in de ene, het stuur vasthoudend met de andere hand. Naar huis, slapen, die […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper