Essay

Mijn grootvader en James Joyce. Over de kunst van het kapotlezen

Door Maria Kager | beeld: Gabriël Kousbroek
16 juni 2020

I.

‘Hier,’ zei mijn grootvader, en hij gaf me een dikke, zwarte Penguinpocket met een grijze rug. ‘Als je dit uitleest, van begin tot eind, ga je naar de hemel.’ ‘James Joyce’ stond met witte letters op de kaft. Ulysses. Hij had het boek letterlijk kapotgelezen: de bladzijden zaten los in de omslag, een dik elastiek hield alles bij elkaar.
   Ik zal een jaar of twaalf geweest zijn – ik had nog een beugel. Ik zou willen dat ik nu kon schrijven dat ik Ulysses opensloeg en direct gegrepen was door Joyce, maar zo ging het niet. Op die leeftijd was ik meer geïnteresseerd in Hasse Simonsdochter en Het geheime dagboek van Adriaan Mole, 13¾ jaar. Om mijn grootvader een plezier te doen bladerde ik voorzichtig in de grote stapel losse blaadjes. Ik las de eerste zinnen, waar ik me geen voorstelling bij kon maken (Wat is ‘lather’? Wat is een ‘stairhead’? Wat betekent ‘aloft’?), ergens halverwege zag ik een ellenlang toneelstuk, en het laatste deel leek uit een enkele zin van tientallen pagina’s te bestaan zonder enige vorm van interpunctie. ‘Heeft u niet meer van Sue Townsend?’ vroeg ik, terwijl ik hem het stapeltje Ulysses weer teruggaf.
   Jaren later leerde ik dat echte ‘Joyceans’, zoals de wetenschappers zichzelf noemen die – vaak obsessief – het werk van Joyce bestuderen, nooit de Penguineditie van mijn grootvader zouden lezen. Joyceans gebruiken ‘de Gabler,’ een felgekleurde Random House-uitgave. Daarin zijn door de Duitse professor Hans Walter Gabler alle fouten (zo’n vijfduizend) gecorrigeerd die er tot grote frustratie van Joyce door drukkers en typistes in waren gesmokkeld – soms per ongeluk, omdat ze Joyce’ handschrift niet konden lezen of het Engels niet beheersten (Ulysses verscheen in Parijs: nergens anders durfden ze het te publiceren), soms expres, omdat ze dachten dat Joyce dit of dat wel anders bedoeld zou hebben, hier vast een komma had willen zetten, daar een punt.
   Dat kon mijn grootvader niet weten, want die had nooit gestudeerd, laat staan dat hij Joyce-congressen bezocht. Hij had op de handelsschool gezeten en werkte daarna in zijn vaders bordkartonfabriek, die hij op zijn twintigste overnam. Als het op literatuur aankomt was hij een autodidact, een amateur.
   Het lijkt misschien merkwaardig: iemand zonder literaire achtergrond die zo’n grote liefde opvat voor het werk dat wordt gezien als een van de moeilijkste boeken in het Engelse taalgebied. Bij de eerste Nederlandse vertaling werd een bumpersticker uitgedeeld met daarop de tekst: ‘Ik heb Uysses helemaal gelezen.’ Hoeveel van de mensen die de vertaling kochten het boek ook daadwerkelijk uitlazen is de vraag. Zelfs in het exemplaar van Ernest Hemingway was het grootste deel van de pagina’s niet opengesneden.
   Mijn grootvader had Ulysses wel helemaal gelezen en als ‘common reader’, zoals Virginia Woolf het noemde, was hij precies het soort lezer dat Joyce voor ogen had toen hij zijn boek schreef.
   Declan Kiberd, een gerenommeerd Joycean, vertelt in zijn boek Ulysses and Us: The Art of Everyday Living, de volgende anekdote: toen Joyce eens een schilder op bezoek had in zijn Parijse appartement, wees hij uit het raam naar de zoon van de conciërge en zei: ‘One day, that boy will be a reader of Ulysses.’ Joyce zag zijn boek zelf niet als moeilijk, of in ieder geval niet als te moeilijk. ‘If Ulysses isn’t fit to read,’ zei hij ooit tegen zijn tante, ‘life isn’t fit to live.’ Ulysses is een boek over de gewone man, voor de gewone man. Joyce wilde laten zien dat de gemiddelde burger net zo complex, diep en bewonderenswaardig kon zijn als een adellijke held en net zo goed een epos verdiende. In de woorden van Kiberd: ‘Ulysses was written to celebrate the reality of ordinary people’s daily rounds.’
   Misschien is het daarom dat de eerste Joyce-interpretatoren vrijwel allemaal ‘gewone lezers’ waren, liefhebbers, en geen ‘professionals’. Het handjevol pioniers dat voor het eerst probeerde Finnegans Wake te ontcijferen bestond grotendeels uit enthousiaste amateurs: Roland McHugh, wiens Annotations to Finnegans Wake nog steeds onmisbaar is voor wie de Wake wil lezen, was een bioloog gespecialiseerd in sprinkhanen. Adeline Glasheen, de auteur van het beroemde A Census of Finnegans Wake, was huisvrouw. Fritz Senn, inmiddels al bijna veertig jaar directeur van de James Joyce Foundation in Zürich en een grote naam in Joyce-studies, was een gesjeesde student die als corrector voor een uitgeverij in Zürich werkte. James Joyce’s Ulysses: A Study, het eerste boek dat, acht jaar na publicatie, over Ulysses verscheen, werd geschreven door Stuart Gilbert, een gepensioneerde rechter met wie Joyce bevriend was. Frank Budgen, een andere vroege Ulysses-commentator, was kunstschilder. (‘I never knew you could write so well,’ zei Joyce over Budgen’s James Joyce and the Making of Ulysses. ‘It must be due to your association with me.’) 

 

II.

Zelf ben ik geen common reader. Ik las Ulysses voor het eerst op de universiteit, schreef mijn scriptie over Joyce, mijn proefschrift, een stuk of twintig wetenschappelijke artikelen. Ik heb Ulysses inmiddels, net als mijn grootvader, kapotgelezen – mijn Gabler is aan flarden.
   Dat ging zo.
   Een jaar na de dood van mijn grootvader zag ik een werkgroep over Joyce aangekondigd in de studiegids. Ik miste hem en schreef me in. Van mijn grootmoeder kreeg ik voor de gelegenheid mijn grootvaders Joyceboeken. Niet Ulysses, daar was niets meer van over zei ze, maar wel de rest. In zijn beduimelde pockets lopen onze aantekeningen door elkaar heen. ‘Gnomon – part of a parallellogram,’ schreef mijn grootvader in de kantlijn van Dubliners; ‘simony – buying ecclesiastical priviliges,’ staat daaronder in mijn handschrift. 
   In de werkgroep begonnen we met twintig studenten. Na twee weken waren er nog een handvol over, maar dit kleine groepje was toegewijd. We lazen elke week een hoofdstuk (of ‘episode,’ zoals de hoofdstukken van Ulysses genoemd worden) en langzaam openbaarde het dichte bos van verwijzingen, citaten en vreemde woorden zich aan ons. We leerden dat Joyce zijn roman op de Odyssee baseerde omdat hij Odysseus de enige complete mens vond in de wereldliteratuur – zoon (van Laërtes), vader (van Telemachus), man (van Penelope), en minnaar (van Calypso), koning, soldaat en uitvinder (van de tank: ‘Wooden horse or iron box—it doesn’t matter. They are both shells containing armed warriors,’ zei Joyce tegen Frank Budgen.). We leerden dat Joyce door zijn boek de Latijnse titel ‘Ulysses’ te geven het verwestert, het losweekt van de Hellenistische traditie, het zich van meet af aan eigen maakt. We leerden dat de verschillende episodes niet alleen allemaal op een hoofdstuk uit de Odyssee gebaseerd zijn, maar bovendien een eigen orgaan, uur, kunst, symbool en techniek hebben. We leerden dat Joyce, net als Dante, zijn boeken gebruikte om af te rekenen met zijn vijanden: bijna iedereen die hem ooit beledigd of slecht behandeld heeft komt op een onflatteuze manier in Ulysses voor. We leerden dat Joyce het Dublin van 1904 zo accuraat heeft weergegeven dat, beweerde hij zelf, je de stad, mocht die ooit verdwijnen, aan de hand van zijn boek weer steen voor steen op zou kunnen bouwen.
   Mijn grootvader heeft deze dingen zelf moeten uitvogelen, met behulp van naslagwerken, woordenboeken en encyclopedieën. Misschien heeft hij veel van de dingen die ik op de universiteit over Ulysses leerde nooit geweten, misschien las en herlas hij Joyce in relatieve onwetendheid. Uit zijn aantekeningen in de marges van Dubliners en Portrait of the Artist as a Young Man kan ik opmaken dat hij sommige dingen verkeerd heeft begrepen. Dat hoort bij het lezen van Joyce, en van Ulysses in het bijzonder: iets niet snappen, opzoeken, teruglezen, heen en weer bladeren, nog eens opzoeken, tot er iets klikt. Het plezier van het klikken, van het opeens begrijpen – dat maakt dat je doorzet.
   Zelf heb ik lang gedacht dat Stephen Dedalus met een kamerplant in zijn armen door Dublin wandelt, tot ik erachter kwam – ik weet al niet meer hoe – dat een ‘ashplant’ een wandelstok is. Ik herinner me nog het gevoel van euforie toen ik eindelijk het plaatje goed in mijn hoofd had: een stok, geen plant in een pot. Opeens viel er van alles op zijn plek.

 

III.

Tot aan zijn dood schreef mijn grootvader mij wekelijks brieven, vaak gingen die vergezeld van grote hoeveelheden boeken. De bordkartonfabriek was inmiddels overgenomen door mijn oudste oom en mijn grootouders waren verhuisd naar een oude tabaksboerderij in Frankrijk. Vanaf daar arriveerden regelmatig dozen vol boeken over alles waarvan mijn grootvader dacht dat het me zou interesseren. Als ik schreef dat ik Oscar Wilde aan het lezen was, volgde een pakket met alles wat hij van en over Wilde had, plus nog een dik naslagwerk over Ierse literatuur. Vlak voordat ik een halfjaar naar Florence vertrok om Italiaans te leren kwam er een lading Dante, Machiavelli, Boccaccio en Petrarca. Toen ik de Russen had ontdekt kreeg ik dozen met boeken van en over Tolstoj, Tsjechov, Poesjkin, Gogol, Dostojevski en Nadjesda Mandelstam – mijn eigen Russische bibliotheek. ‘Ik voel me niet zo schuldig als ik je hebzucht heb aangevuurd,’ schreef hij, ‘omdat het wat boeken betreft mij ook zo ging.’
   Nadat ik aan een studie literatuurwetenschap was begonnen kwam mijn grootvader pas echt op dreef. ‘Wat heb je allemaal zo onderhanden op het moment?’ vroeg hij regelmatig in zijn brieven. ‘Als ik weet wat behandeld wordt heb ik wellicht nog teen en tander dat je zou kunnen gebruiken tot plezier en nut.’
   We schreven heen en weer over literatuur, over de boeken die we lazen, wat we er mooi aan vonden, wat niet. Mijn grootvaders observaties zijn onorthodox, geestig, dwars. Het soort dingen dat ik vaak denk maar niet snel hardop zal zeggen op een literatuurcongres. Over Hemingway schrijft hij: ‘Zijn late romans vind ik niet lezenswaard. Veel he-man aanstellerij en te sentimenteel. Na 1952 kun je ’t wel vergeten.’ Over Oorlog en vrede: ‘Het laatste deel sla ik altijd over, alleen maar veldslagen en de beide hoofdpersonen zijn dikke vadsige kleinburgers geworden.’
   In zijn brieven schrijft mijn grootvader niet over hoe hij het lezen van Ulysses ervaren heeft, maar zijn brieven over Shakespeare geven een idee van wat zijn houding geweest moet zijn. Net als Joyce hield mijn grootvader van ‘de bard’ met een aan devotie grenzende verering en veel van zijn brieven gaan over Shakespeare. Hij schrijft bijvoorbeeld: ‘Ik herinner me nog dat ik op mijn negentiende van mijn eerst verdiende geld een complete uitgaaf van Shakespeare kocht in de goedkoopste band, die toen 12 gulden kostte, voor mij een heel bedrag. Als ik eraan terugdenk word ik er nog opgewonden van. Ik kende maar een beperkt aantal woorden en uitdrukkingen, maar langzamerhand ging het met behulp van een goede glossary steeds gemakkelijker en gaf het steeds meer plezier.’ 
   Uit een andere brief, ook over Shakespeare: ‘Mijn ervaring is dat er wel eens te veel poppenkast omheen wordt gehangen en dan krijg je zo’n idee dat dat alles heel moeilijk is. Onzin. Je moet er gewoon in duiken en lezen wat je aantrekt, en overslaan wat je niet snapt. Zo gaat alles vanzelf en wordt het leesplezier niet te veel door allerlei theorieën gestoord.’ Overslaan wat je niet snapt is goed advies, vooral bij het lezen van Ulysses. Wat dat betreft geldt voor Joyce hetzelfde als wat Roland Barthes ooit over Proust schreef: ‘Bonheur de Proust: d’une lecture à l’autre, on ne saute jamais les mêmes passages.’

 

IV.

Bij het schrijven over Joyce heb ik me vaak afgevraagd wat mijn grootvader van mijn werk gevonden zou hebben. Hij zou vast trots geweest zijn, dacht ik dan. Uiteindelijk was hij, met zijn enthousiasme voor Ulysses, indirect verantwoordelijk voor mijn wetenschappelijk productie.
   Nu ik zijn brieven heb herlezen begin ik te twijfelen. ‘Ik hoop,’ schreef hij toen ik net met literatuurwetenschap was begonnen, ‘dat het niet op de Amerikaanse tour gaat, met veel Derrida en uitpluizen tot er van het kunstwerk-om-van-te-genieten zelfs geen geraamte meer over is. Van goedwillende schenkers kreeg ik nog niet lang geleden studies over Wordsworth en Hugo die je echt beter niet kunt lezen. Zo’n bos van feiten en feitjes, waardoor je geen boom meer ziet staan.’ 
   Ik ben in Amerika gepromoveerd en heb ook weleens Derrida geciteerd. Zouden mijn artikelen voor mijn grootvader net zo’n onbegaanbaar bos zijn geweest als hij in zijn brief beschrijft? Zou hij vinden dat ik Ulysses ook figuurlijk kapotgelezen heb? Is er in mijn grootvaders Joycehemel wel plek voor mij?
   ‘Onthoud!’ lees ik in een andere brief. ‘In “Of Beauty” schrijft Francis Bacon de voor mij essentiële woorden: “There is no excellent beauty that hath not some strangeness in proportion.” Zoiets als wat Sassoon in een gedicht noemt: “strangeness of heart”. Dat laat zich niet vastleggen. Maar ik geloof niet dat schrijvers over literatuur van dergelijke gevoelens nog last hebben.’
   Mijn grootvaders uitspraken lijken op die van Joyce’ kleinzoon Stephen, die een notoire hekel aan Joyceans had. Joyce-wetenschappers, schreef hij ooit in een open brief aan de New York Times, ‘take all the fun and adventure out of reading’: ‘They have depicted his writings as unscalable mountains, and the general public has more often than not swallowed this line.’
   Stephen Joyce zag zichzelf al een gewone lezer, jarenlang te geïntimideerd om de werken van zijn grootvader te lezen. Uiteindelijk las hij Dubliners, daarna Portrait en Ulysses, realiseerde zich dat de boeken van Joyce niet alleen leesbaar zijn maar diep menselijk. ‘With the possible exception of Finnegans Wake,’ schrijft hij, ‘any man, woman or adolescent can pick up James Joyce’s books, including Ulysses, understand most if not everything and find pleasure and enjoyment.’ In een interview zei hij eens, over Joyce-wetenschappers, ‘When they say, “We’ve done so much for him,” I think, What about the thousands, not to say millions, of readers they scared off? All this crap they write!’

 

V.

Mijn grootvader klinkt in zijn brieven (godzijdank) niet zo boos en verbitterd als Stephen Joyce, maar wat ze zeggen komt op hetzelfde neer: in tegenstelling tot de gewone lezer verliest de literatuurwetenschapper alle plezier in het lezen.
   Dat literatuurwetenschappers de literatuur kapotlezen is een cliché en zoals dat bij alle clichés het geval is, is het zowel waar als niet waar. Er wordt binnen de literatuurwetenschap een hoop modieuze onzin verkocht in onverteerbaar taai proza. Maar zonder avontuurlijke literatuurwetenschappers, die het werk van Joyce bestudeerden toen dat nog aan beide zijden van de Atlantische oceaan verboden was en geen universiteit ter wereld zich in wilde laten met de obscene schrijver, was Ulysses misschien wel weer in de vergetelheid geraakt. Het zijn literatuurwetenschappers die met engelengeduld de naslagwerken samenstellen die mijn grootvader hielpen Shakespeare te begrijpen, hem door Joyce heen loodsten.
   En toch: als ik aan een artikel over Joyce werk ben ik niet meer bezig met de vraag of ik geniet van zijn werk of niet. Ik zoek citaten die mijn ideeën onderbouwen. Ik wil iets nieuws zeggen, iets nieuws ontdekken, een ‘nieuwe licht werpen’ op een bepaalde passage, een bepaald thema, dingen aan elkaar verbinden die niet eerder aan elkaar verbonden zijn. Want dan volgt, wellicht, eeuwigdurende wetenschappelijk roem – of in ieder geval een publicatie.
   Wie leest beter, de liefhebber of de wetenschapper? Wie verliest er meer? Wie wint er meer?
   Onlangs ben ik weer eens in Ulysses begonnen, gewoon voor de lol. Voor het eerst in jaren lees ik het boek zonder doel, zonder dat ik er een artikel over hoef te schrijven of een lezing over moet geven, zonder dat ik iets wil beweren of bewijzen. Ik heb geen annotations nodig, geen glossary, geen woordenboek, ik denk niet aan mijn cv. De poppenkast, zo merk ik nu, schud je makkelijk weer af. De intieme kennis die ik de afgelopen jaren heb opgedaan gelukkig niet.
   Fritz Senn, de amateur-Joycekenner, heeft eens gezegd: ‘One of my disadvantages is that I never took a Joyce course. One of my advantages is that I never took a Joyce course.’ Misschien is het omgekeerde ook waar: het is in mijn nadeel dat ik vakken over Joyce heb gevolgd. Het is in mijn voordeel dat ik vakken over Joyce heb gevolgd.

 

 

In samenwerking met

Over de auteur

Maria Kager studeerde literatuurwetenschappen in Amsterdam en promoveerde aan Rutgers University in de VS. In het Engels schreef ze een grote hoeveelheid wetenschappelijke artikelen over, onder anderen, James Joyce, Samuel Beckett en Vladimir Nabokov. Daarnaast schrijft ze essays en verhalen in het Nederlands, en werkt aan haar debuutroman.

Over de illustrator

Gabriël Kousbroek (1965, Neuilly Sur Seine) tekent voor de Volkskrant, De Groene Amsterdammer en Hp/De Tijd. Hij debuteerde in 2012 met het Kousboek, een graphic novel over zijn jeugd. In november verschijnt Buikschuiver. Gaap en de kunst van het brommer-onderhoud, korte verhalen over zijn pubertijd met brommers. Beide boeken worden uitgeven bij Nijgh en Van Ditmar. Gabriël woont en werkt in Amsterdam. Meer van Kousbroek op gabrielkousbroek.nl.

Lees meer uit de categorie Essay

O, San Francisco

Door Emily Kocken

Emily Kocken, schrijver en kunstenaar, bezingt haar liefde voor (en verlangen naar) San Francisco.   Ik was op reis en ben weer thuis. Zelden verlangde ik zo snel al naar de plaats waar ik op vakantie was. Ondanks een hevige jetlag (heftiger dan eerdere keren), slapeloosheid in de nacht, vermoeidheid overdag, spastische darmen en suizende […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper