Proza

Het waren de nachten

Door Savriël Dillingh | beeld: Joost Halbertsma
14 september 2020

Hoewel hij op honderdnegenenveertigmiljoen kilometer afstand van Amsterdam-Oost schijnt, voelt het alsof Hugo en ik op de zon lopen. Het zweet gutst vanuit mijn oksels mijn korte broek in. Ik kan mezelf ruiken.
          Ik heb Hugo net bij het Amstelstation opgehaald, maar na een overdreven uitgebreide begroeting is er niets substantieels meer gezegd. Enkel beleefdheden. De ongemakkelijke stilte plakt aan mijn bezwete huid en in mijn hoofd struin ik de krant van vanochtend door, koortsachtig op zoek naar relevante onderwerpen om aan te snijden. Klimaatverandering? De verkiezingen?
          “Weet je nog, Bram, toen we jong waren…,” begint Hugo, verlossend. Ik zucht en proef zout op m’n tong.
          “We zijn nog steeds jong,” smak ik.
“Ja, ja, maar niet zo jong meer. Zo jong als toen ik nog hier woonde, bedoel ik.”
          “We zijn nog steeds jong,” herhaal ik, en ik ga een stukje verder van hem af lopen, dichter bij de geparkeerde auto’s en de straat. Het is 27 graden en er staat geen zuchtje wind.
          Hugo blijft stil. “Toen je hier nog woonde…,” souffleer ik.
          “Ja. Toen ik hier nog woonde, fietste ik met Remco bijna elke woensdagavond over de Amstel. Kickboksen, weet je wel. Als je dan naar het westen keek, naar het Amstel Hotel, zag je in de zomer nog tot dik elf uur de avondgloed. Een gezant van de naderende morgen.”
          “Poëtisch, hoor,” zeg ik. “Maar gezant én naderend vind ik dubbelop. Een zesje.”
Hugo heeft nooit meer iets gedaan met zijn graad in de literatuurwetenschap. Ik natuurlijk ook niet. Wat doe je met een graad in de literatuurwetenschap?
          Hugo haalt zijn schouders op. “Hoe dan ook: we moesten elke keer stoppen van die lul, op de brug. Elke keer. Elke woensdag. Jarenlang. Dan zei hij, ‘Zoveel herinneringen op deze plek!’ en ik heb nu inderdaad wel honderd herinneringen aan hem, dat hij dat zei, op die plek.”
          Ik gnuif en ga weer iets dichterbij hem lopen. Ik wil een arm om hem heen slaan, maar haak op het laatste moment toch af. We zijn nooit heel fysiek geweest, Hugo en ik. Alleen als we dronken waren.
          “Ken je Remco nog?” vraagt hij.
Ik knik. “Naar Colombia geëmigreerd.”
          Als we een paar seconden later de Amstel over lopen, kijken we naar het westen, naar het Amstel Hotel. Het zonlicht kaatst zachtjes van het water. Onder ons vaart een sloep vol studenten. Ze zingen luidkeels mee met Aan de Amsterdamse grachten.
          “De ongelooflijke idioot,” zegt Hugo. Ik ga nog iets dichter naast hem lopen. Onze schouders raken elkaar.

          “Ik heb trek in slechte koffie,” zegt Hugo na nog eens vijf minuten ongemakkelijke stilte — een stilte die ons keer op keer blijft achtervolgen — en dan nog eens vijf minuten later: “Cappuccino, alsjeblieft. En een speltbroodje homemade hummus met avocado en cherrytomaat.” Ik moet het hem vertellen; dit is het moment. Maar ik durf het niet. Ik haak af.
          “Hetzelfde,” zeg ik. “Of nee, alleen de cappuccino. Geen broodje.” De serveerster knikt ongeïnteresseerd en loopt naar binnen. Ik kijk naar Hugo. Er loopt een lijn van zijn slaap naar zijn kaak die ik me niet kan herinneren.
          “Wat is er gebeurd met die ene tent waar we altijd zaten?” vraagt hij opeens.
          “Weg,” zeg ik.
          “En de Borderkoffie?”
          “Weg.”
Hugo zuigt zijn tanden en fronst. “Waarom overleeft deze tent het wel?” 
          Ik schud mijn hoofd. Dit is hét raadsel van Amsterdam.
          “Ik ben ervan overtuigd dat ze coke versnijden in de achterkamer,” zeg ik.
          Hugo knikt en zegt zachtjes, “Moet wel”.
          En dan: stilte. We dachten de drempel over te zijn, maar helaas. Stilte maakt de afstand die de afgelopen jaren tussen ons is gegroeid zwaar en tastbaar. De fysieke afstand — hij is immers naar Heemstede verhuisd — wordt naar het emotionele gelicht, en ik word elke maand banger dat hij minder zal langskomen, steeds minder zal bellen, tot het op een dag te laat is en we beiden niet meer de eerste willen zijn. Uit schaamte of uit trots. Twaalf jaar vriendschap, twaalf jaar heteroseksueel samenzijn, verdwenen. Voorbij.
          Hugo zucht opgelucht als het meisje zijn koffie en zijn broodje komt brengen. Hij neemt een hap en kauwt opvallend traag. Ik moet het hem zeggen. Nú, voordat ik hem kwijt ben. Ik doe het niet. 
          “Hoe is het met de kinderen?” begin ik in plaats daarvan.
          “Best!” zegt hij, net iets te gretig. “Goed! Sophie is begonnen met balletles, en Jip gaat over twee maanden voor het eerst naar school. Wil je foto’s zien?”
          “Nee,” zeg ik. Hugo grijnst. Ik grijns terug. We zijn er.
Hugo is een Echte Vriend. We hebben lief en leed gedeeld, maar het dictum ‘alsof we elkaar gisteren nog hebben gezien’ gaat bij ons niet op. We moeten elkaar kneden, aanvoelen, opwarmen, in een groot, omslachtig en strategisch spel. We dribbelen wat, spelen het plaatsvervangend schaamrood voorzichtig over, totdat we elkaar opeens weer herkennen en beseffen: natuurlijk raken we elkaar niet kwijt. Wij zijn Bram en Hugo.
          “Rook je nog?” vraagt Hugo. Ik knik en reik hem mijn pakje peuken en een aansteker aan. Hij bedankt gretig en kreunt als hij zijn eerste haaltje trekt.
          “Ik mag van Anne-Fleur niet roken,” zegt hij bij wijze van uitleg. Ik probeer neutraal te kijken.
          Het licht springt op groen en een stoet auto’s slaat rechtsaf. Het kruispunt komt luidruchtig tot leven. Een overspannen taxichauffeur in de rij gaat vrijwel direct — op de milliseconde af — op de toeter staan, waardoor de colonneleider schrikt en abrupt remt. De auto daarachter rijdt bijna op hem in en begint verwoed te toeteren, waarop een andere auto in een andere rij dat ook maar doet. In een boom voor het zebrapad fluit een trawant van de halsbandparkietenplaag vrolijk mee. “Houd je bek, joh!” roept een bestoppelde man aan de overkant, naar alles, naar niets. Hij laat een hond formaatje shetlandpony uit. Zonder halslijn. Het beest begint sonoor te janken, ervan overtuigd dat zijn baasje het tegen hem had. Aan het tafeltje naast ons leest een vrouw een boek.
          “Dit heb ik gemist,” zegt Hugo.
          “Snap ik,” zeg ik. Je bent van harte welkom terug te komen, wil ik zeggen. Het huis is leeg en het leven zonder jou is niet hetzelfde, er mist iets. Ik begin me oud te voelen, wil ik zeggen. Ik doe het niet. In plaats daarvan adem ik diep in. Ik ruik benzine, koffie en sigarettenrook. Hugo glimlacht sereen. Hij lijkt mijlenver weg.
          Hugo is een stadsmens zoals alleen een dorpsmens dat kan zijn. Voor Hugo is Amsterdam altijd de grote stad gebleven. Voor hem is de kakofonie een serenade; de spreekwoordelijke soundtrack van zijn leven. Voor mij, hier geboren en getogen, is het ruis.
          Op zwoele zomeravonden waarop we ondanks dreigende tentamens tot veel te laat uit gingen, eerst op het Leidseplein en later in de Trouw, de Marktkantine, de Bloemenbar, en het hem lukte om een meisje te zoenen, en haar nummer te scoren, en we de snackbar nog nét op tijd binnenvielen, en buiten in toverachtige stilte een kaassoufflé aten, moest hij soms huilen. Op die nachten stond er niets tussen ons in; ik sloeg dan een arm om hem heen en trok hem dicht naar me toe en deed alsof ik de alcohol verdacht, maar ik wist dat het tranen van geluk waren. Op de fiets terug, ging hij op zijn trappers staan en schreeuwde hij, de koele wind in zijn gezicht en met gesloten ogen, “Amsterdaaaaaaam!”. De hele buurt wakker. En nog eens, schor, met lange halen: “Amsterdaaaaaam! Amsterdaaaaaaaaam!”
          De sjofele plastic tafeltjes waaraan we zitten trillen zo hard dat de vrouw naast ons van haar boek opschrikt. Ze kijkt de Hummer, die met tachtig door oranje sjeest, met toegeknepen ogen na. Ik zucht en ze kijkt me aan. Ze neemt een hap van haar broodje. Alleen in Amsterdam nuttigen mensen hun lunch op drie meter afstand van de dood.
          Hugo’s slapen beginnen grijs te worden, zie ik nu. Hij grijnst afwezig en neemt een hap van zijn speltbroodje homemade hummus met avocado en cherrytomaat, alvorens hij nog kauwend een teug van zijn Camel Blue trekt. Onderhand de derde.
          “Ga je nog in de raad?” vraagt Hugo. Ik schud van nee. Ik ben gedesillusioneerd geraakt, de afgelopen periode. De politiek heeft een gebrek aan liefde, aan empathie.
          Hugo zegt dat hij GroenLinks heeft gestemd. Ik vraag bewust niet waar Anne-Fleur voor is gegaan, maar ik vrees het ergste.
          “Goed dat jij nog zo puur bent gebleven,” zegt Hugo. “Ik heb het eigenlijk nooit meer over politiek. Op werk niet, thuis niet…”
          “Begin van het einde,” zeg ik. “Als je eenmaal ophoudt over politiek te praten, heeft de status quo gezegevierd.” Hugo knikt bedachtzaam. Zou ik ook zoveel grijze haren hebben?
          Hugo neemt een lange, hoge, diepe haal van zijn sigaret, zo lang en hoog en diep dat ik zijn longblaasjes bijna hoor klappen.
          “Ik heb mijn tijd gehad,” zegt hij, content.
          Ik wil schreeuwen, ik wil hem een ram verkopen, ik wil hem zeggen dat hij terug moet komen. Ik wil hem zeggen dat zijn kamer er eigenlijk nog net zo bij ligt als voorheen, voordat hij met Anne-Fleur ging samenwonen, voordat hij die corporale baan vond in het kamp van de tegenstander.
          Ik wil hem nét zeggen dat hij mij misschien wel meer nodig heeft dan ik hem, als het verkeerscataclysme van de dag zich voltrekt. Een volle seconde voel ik het geluid. Een schrille piep. Een oorverdovende klap. Ik duik naar achteren, dieper mijn stoel in, en voel hoe mijn arm Hugo instinctief omvat. Dit is het dan, denk ik. Allesbehalve een passend einde, denk ik. Maar wel met hem. En dan: een oorverdovende, onkarakteristieke stilte voor een kruispunt in Amsterdam. De afstand tussen het terras en het kruispunt is groter dan de schelle toon in mijn oren doet vermoeden; het loopt met een sisser af. Ik durf m’n ogen na enkele seconden voorzichtig weer open te doen. Blikschade. Geen doden, geen gewonden.
          Met mijn hart nog in mijn keel en tranen in mijn ogen zie ik hoe de taxichauffeur langzaam uitstapt. Pas een paar momenten later verdwijnt de schelle piep en merk ik dat de kakofonie is gaan liggen. Ik hoor alleen de schelle stappen van de taxichauffeur. De ruis is weg. Ik kijk verbaasd om me heen en zie Hugo met open mond naar het bijna-ongeluk kijken. De vrouw naast ons kijkt ook, het boek losjes in haar vingers. Mijn hoofd schiet terug, want nu pas besef ik dat de taxichauffeur een honkbalknuppel meesleept. De knuppel raakt het beton, synchroon met zijn stappen. Een hol geluid. Zwaar, gevaarlijk. Klang, klang, klang.
          In een daad van ongekende moed of ongelooflijke stupiditeit stapt de andere bestuurder uit. Hij slaat met beide vuisten eenmaal gorilla-achtig op zijn borst. Het galmt als een startschot.
          “Dit mis ik niet,” fluistert Hugo. Zijn stem trilt.
          De seconden kruipen voorbij en de stilte kruipt in de vezels van onze voorheen piepende plastic stoeltjes. Op de maat van de honkbalknuppel voel ik de afstand tussen mij en de taxichauffeurs groter worden, terwijl die tussen hen juist krimpt. We hadden hier een uur kunnen zitten, of een minuut.
          En dan, in het moment, weet ik: als er een God bestaat, heeft hij mij deze kans gegeven. Ik glimlach door de anticipatieangst heen; Bram, het politiek persoon, wordt volbracht en Hugo zal het zien, begrijpen, terugkomen, en weer zichzelf worden.
          Ik ga staan en zie Hugo’s blik naar me toeschieten. Hij grijpt mijn arm en probeert me paniekerig naar beneden te sleuren. Het plastic tafeltje krast opstandig over het asfalt in de verder ijzige stilte. Ik houd stand. Ik adem in.
          Mijn gespreide armen proberen via mijn vingertoppen retorische energie uit de straattegels te absorberen. Uit de tafeltjes, uit de gore cappuccino’s. Uit het boek van de buurvrouw. Dan hebben literatuurwetenschap en de kortstondige politieke carrière toch nog nut gehad. Ik wil iets schreeuwen, een zin, een leus, iets wat niet langer is dan een woord of tien. Iets wat deze mannen direct doet beseffen dat dit eigenlijk helemaal niet de manier is om dit op te lossen, dat het beter is elkaar de hand te schudden, beter is elkaar op de rug te kloppen, want zijn we geen broeders? Zijn we niet deel van iets groters? Zijn we niet allen een stukje van God? Tien woorden.
          Mijn lippen bewegen maar maken geen geluid.
En dan opeens stopt de slagman. Hij doet zijn zonnebril af. “Tim?” hoor ik hem vragen.
          De gorilla ontbalt zijn vuisten. “Richard?”
Ze hebben me niet eens op zien staan. Als afstand literatuurwetenschappelijk uit te drukken was, dan was ik Odysseus, onderweg naar huis vlak na de Trojaanse Oorlog.
          “Wat ben je nou aan het doen, man?” vraagt Richard bijtend, maar teder. Het kruispunt houdt haar collectieve adem in. Ik bezwijk eindelijk onder Hugo’s getrek en ga weer zitten.
          “Honkballen,” zegt Tim.
Als afstand literatuurwetenschappelijk uit te drukken was, dan was ik Frodo en niet eens in de búúrt van Mordor.
          Er komt een geluid uit Richards neus. Een schrapende snuif die overgaat in een hik. Hij kijkt Tim overrompeld aan en schiet in de lach als deze schaapachtig begint te grijnzen. Het klinkt als “hoe, hoe, hoe, hoe.”
          “Bwah-ha-ha-ha,” zegt Richard.
          “Hoe, hoe, hoe, hoe,” zegt Tim.
          “Flikker op,” fluistert Hugo. “Nee. Flikker op.”
Ook ik begin zachtjes te lachen.
          “Bram, dit kan niet,” zegt Hugo, en daarna, als de mannen elkaar, huilend van het lachen, omhelzen: “Dit is performance art!”
          De spanningsballon van het terras loopt leeg met een bijna waarneembare sis. De halsbandparkieten beginnen opnieuw te kwetteren en het licht springt op groen. De vrouw naast ons slaat glimlachend een bladzijde om. Ik besef me meer dan ooit dat afstand een illusie is.
          “Rot op!” zegt Hugo geërgerd. Hij maakt een sprongetje in zijn stoel. “Rot op! En jij had wel in elkaar geknuppeld kunnen worden!” 
          Op elke andere dag hadden de chauffeurs elkaar de hersens ingeslagen, maar Hugo zit hier vandaag. Ik adem diep in, door mijn neus, en ik adem de stad in. Ik kijk Hugo aan.
          Hij vangt mijn blik, schrikt, ziet iets. Hij zegt beduusd, “Ik heb het best goed, hoor.”
          Zijn kinderlijke ernst doet me het uitbulderen. Ons tafeltje schudt met me mee. Ik sla op zijn knie.  
          “Hugo,” vraag ik hikkend. “Tegen wie zeg je dat?” Hugo begint zachtjes met me mee te lachen.
          “Maar echt,” zegt hij als ik ben uitgelachen. “Ik heb een mooi huis en mooie kinderen. Een tuin, ga dat hier maar eens regelen. Een dijk van een baan! En Anne-Fleur is lief voor me. Ze is echt een goed mens.” Hij kijkt me vragend aan.
          “Tuurlijk,” knik ik, met een grijns die zegt: maar één ding heb je níet. En ik weet dat ik vanavond, veel te dronken en veel te laat, terug zal denken aan dat jongetje op de fiets, staande op zijn trappers, met gesloten ogen, in de zwoele zomernachtbries.

 

 

 

 

Over de auteur

Savriël Dillingh (31) is de advieswereld ontsnapt en werd promovendus politieke filosofie aan de EUR, waar hij de relatie tussen vrijheid en economische ongelijkheid onderzoekt. Daarnaast is hij activist, mede-producent van de podcast Links Lullen, en gepassioneerd schrijver. Volgens hem moet er meer worden geschreven over mannenliefde, alledaagse micro-revoluties en het concept van de koning; het boekvoorstel van zijn eerste roman ligt alvast klaar. Je kunt hem volgen op Instagram @gratis_saaf_voor_iedereen

Over de illustrator

Joost Halbertsma (1984) werkt vanuit zijn studio in hartje Rotterdam met een goede do-it-yourself-overtuiging. Naast illustraties maakt hij piñatas, prints, installaties van karton en ontwerpt hij regelmatig exposities. Ook is hij een van de oprichters en editors van Kutlul, een uit de hand gelopen zine voor het betere internationale autonome strip- en tekenwerk. Zie Joosts Instagrampagina.

Lees meer uit de categorie Proza

De Nieuwe Lichting: Rita Martynowski

Door Rita Martynowski

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor.  Deel 3: Rita Martynowski. Rita studeerde de afgelopen twee jaar aan de Schrijversacademie in Antwerpen. Hoe ben je tot je […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper