Proza

De Nieuwe Lichting: Jared Meijer

Door Jared Meijer | beeld: Jalinka Gressmann
2 oktober 2020

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. De eerste die we aan u voorstellen van de nieuwe lichting 2020 is Jared Meijer. Hij studeerde af met zijn poëtische novelle Mistland aan Creative Writing Artez. 

Hoe kwam je op het idee voor je afstudeerwerk?
Mistland begint met het overlijden van de chronisch zieke Cleo, het zusje van mijn hoofdpersoon. Zij is gebaseerd op mijn eigen zusje, die eveneens chronisch ziek is. Op een bepaalde manier heeft haar ziekte een einde gemaakt aan de band die wij daarvoor hadden en onze relatie tot stilstand gebracht. Dat verlies, samen met mijn eigen eenzaamheid en het verlangen naar verbinding en intimiteit, vormde Mistland, een ontwrichte werkelijkheid waarin gezocht wordt naar een manier om je te verhouden tegenover het leven en de mensen om je heen wanneer een gedeeld leven ten einde komt.  

Wat is het beste schrijfadvies dat je hebt gekregen tijdens je opleiding? 
Het is meer een gewaarwording dan een advies, maar het idee dat elk werk een balans is tussen licht en donker, lichtheid en zwaarte. Omdat ik sterk neig naar donkerte en zwaarte, is het voor mij essentieel continu alert te zijn op de mogelijkheid om licht en lichtheid toe te laten in mijn werk. Dus zodra een raam geopend kan worden, open ik dat raam. Zodra er een stel gordijnen opengeslagen kan worden, open ik die gordijnen. Dat is de enige manier om wat ik schrijf draaglijk en levensvatbaar te maken.  

Wat is je lievelingsboek of – schrijver en waarom?  
Ik weiger een lievelingsboek te kiezen. Wat ik wel kan zeggen is dat het werk van Clarice Lispector erg bepalend is geweest voor mij als schrijver. Naast dat ik me erg verwant met haar voel, heb ik door het lezen van haar werk bepaalde vrijheden leren nemen. Van nature leg ik mezelf allerlei beperkingen op. Vervolgens ben ik tijdens het schrijven continu de strijd aan het voeren ben met diezelfde beperkingen. Haar werk was voor mij dan ook een pleidooi om die beperkingen los te laten. Zo voel ik me steeds vrijer om verschillende genres, stijlen en vormen binnen één werk toe te laten, wat voor mij uiteindelijk de meest natuurlijke manier van schrijven is geworden.  

Wat zijn je ambities op schrijfgebied?  
Mijn ambitie is vrij simpel, namelijk te schrijven wat ik wil, op de manier waarop ik dat wil. Ik zie mezelf op de lange termijn zowel romans als dichtbundels als toneelstukken schrijven. Ik wil ook heel graag een kinderboek schrijven over hoe het is om chronisch ziek te zijn of iemand in het gezin hebben die chronisch ziek is. Omdat ik naast mijn schrijven ook veel fotografeer, wil ik ook graag werk blijven maken waarin ik beeld en tekst kan combineren. Het is bovendien een droom om een langdurig documentair project in het buitenland te kunnen doen.  

 

MISTLAND – Fragment 

 

Ze zien iets niet

Een aantal weken na de dood van mijn zusje besefte ik dat ik niet Helena vasthield, maar mezelf. Ik stelde me voor dat dit was hoe het voelde als je wakker werd na een onenightstand; je was totaal niet meer aangetrokken tot de persoon naast je en wilde vooral graag naar huis gaan, of erger nog, je moest iemand wegsturen, omdat het jouw huis was.
   Helena was al vroeg naar college vertrokken. Ik hield mijn armen strak om me heen en wist niet of ik mijn lichaam meer of minder walgelijk vond nu ik het van buitenaf meemaakte. Met mijn vingers volgde ik de omtrek van het litteken op mijn rug dat ik had opgelopen toen ik als tiener in de achtertuin van onze buren van een schommel viel, boven op de stalen kooi van een caviahok. Na verloop van tijd was het litteken gekrompen. Het zag eruit als een rups die zich verpopte onder mijn huid.
   Ik ontvouwde mijn armen, trok een joggingbroek  aan en ging zitten in de luie stoel bij het raam op de overloop. Het holle ochtendlicht scheen ongevraagd door de doorschijnende gordijnen en viel op me. Achter mij stond de deur van Cleo’s kamer open. Ivar, haar vriend, lag in haar bed. Als ik hem dat nu nog kon noemen. Ze waren twee jaar samen geweest, waarvan hij het laatste jaar bij haar inwoonde, in het huis van onze oma, waar we opgroeiden. Hij kookte voor haar, deed de was en de afwas, omdat ze daar door haar ziekte de energie niet meer voor had.
   Ik probeerde wat te lezen, maar Ivar woelde in zijn slaap. Hij maakte een irritant, fluitend geluid bij het uitademen. Wanneer hij bewoog, kon ik niet anders dan opkijken. Ik bekeek zijn slungelige lichaam, dat me niet aanstond. Zijn mond hing open en zijn nutteloze armen klampten zich krachtig vast aan een kussen. Zijn voeten staken onder de dekens uit.
   Ik keek weg. Buiten was achter een vuilniswagen een op- stopping ontstaan. Op de bijrijdersstoel van een paarse Mini hing het hoofd van een jongen tegen het raam; zijn vette haar bevlekte het glas. Ik herinner me nog goed dat ik als kind wagenziek werd, wat ik was gaan zien als een zegen, omdat ik daardoor voorin mocht zitten. En voorin kon je alles zien. Niets was mooier dan zien.
   ‘Hij ziet er sneu uit als hij slaapt,’ zei Helena.
   Inmiddels logeerde hij al een tijdje bij ons. Ik wilde niet dat hij bleef en moest dan ook de neiging onderdrukken een deken over hem heen te leggen als hij op de bank in slaap viel. En ik ging in tegen de drang geen geluid te maken wanneer Helena en ik seks hadden. Het maakte me misselijk hem Cleo’s kamer in te zien gaan, maar Helena overtuigde me hem daar toch te laten slapen. Het was ook zijn verlies, had ze gezegd.
   Terwijl Helena en ik op een ochtend samen in bed muziek luisterden, hoorden we vanuit de woonkamer het schot dat Bambi’s moeder doodde. Het was de zesde keer in een half uur. Ik hoorde de snelle violen en zag voor me hoe de sneeuw viel en alles verhulde. Bambi die strompelend in de sneeuw op zoek ging naar zijn moeder en daar zijn vader vond.
   ‘Maar je ziet nooit het lichaam,’ zei Ivar tijdens het eten.
‘De moeder verdwijnt zonder echt te sterven, omdat niemand het zag.’
   ‘Moet iemand het gezien hebben dan?’ vroeg ik.
   ‘Ik wil het zien.’ Overdag probeerde hij voorbeelden van een soortgelijk verlies te vinden in films, maar hij huilde niet, omdat het verdriet dat hij zag niet het verdriet was dat hij voelde.
   ‘Het is een kinderfilm.’
   ‘Dus? Wat maakt mij dat uit?’
Na Bambi was het The Green Mile. John Coffey zat in de elektrische stoel. Hij zei zijn laatste woorden – I’m sorry for what I am – waarna een cipier een kap over zijn hoofd trok. Coffey zei:

Please boss, don’t put that thing over my face. Don’t put me in the dark,
I’s afraid of the dark.

De kap werd afgezet en voor een moment gebeurde er niets, totdat de schakelaar werd omgeslagen en vonken door de ruimte vlogen, als vuurvliegjes die vluchtten voor het donker.


         
Toen we die avond naar bed gingen en ik het licht uitdeed zei Ivar: ‘Don’t put me in the dark. I is afraid of the dark.’
   ‘Nu moet je echt even normaal doen.’
   ‘Het was maar een grapje.’ Hij keek me strak aan. ‘Maar ik meende het wel. Dat van het donker.’
   ‘Of het was een grap, of je meende het.’
   ‘Waarom kan het niet allebei?’
   De hond in Marley and Me, Jacks dood in Brokeback Mountain – elke scène werd keer op keer bekeken, naverteld, precies beschreven alsof we het niet al de hele dag aanhoorden. Maar hoewel het gevoel dichtbij kwam, zei hij, was het niet zijn verlies, waren het niet zijn woorden, misten ze belangrijke aspecten van zijn verdriet.
   ‘Ze zien iets niet,’ zei hij.
   ‘Wat zien ze niet?’
   ‘Ja, de manier waarop – je was er zelf bij, de manier waarop en ook de tegenstrijdigheid en de wreedheid. Misschien bovenal nog wel hoe saai het de meeste dagen is.’
   Hij had een notitieboekje waarin hij opschreef wat anderen dan misten, maar vooral ook wat hij zelf miste. Soms las ik erin met een gevoel van schaamte dat niet sterk genoeg was om me ervan te weerhouden zijn kamer in te sluipen als hij onder de douche stond. Nee, ik lieg, ik schaamde me niet. Hoe dan ook, hij maakte veel lijstjes. Deze lijstjes waren veelal kort en ongeïnspireerd.

   Dingen die je zei

   Klootviool
   Kan je niet
   Kan je echt even niet
   Doe lief
   Eet eens door
   Hé jij daar
   Hallo
   Aandacht

Het was niet mogelijk om met hem in dezelfde kamer in stilte een boek te lezen of naar muziek te luisteren zonder iets te hoeven zeggen, zonder iets te hoeven denken.
   Helena en ik lagen in bed toen ze vroeg hoe het met me ging. Ivar hoorde haar kennelijk vanuit Cleo’s kamer, en hij voelde zich aangesproken, want een moment later stond hij in onze kamer. Hij leunde met zijn schenen tegen het voeteneind van het bed. Met hem ging het slecht, zei hij, en met ons vast ook. Daar twijfelde hij niet aan. Hij vertelde dat hij Cleo zo erg miste dat het was alsof hij bezeten was. Er was niets anders meer, geen uitweg, en elke keer dat hij zich op iets anders probeerde te focussen werd hij terug het verlies in getrokken. Dan was hij weer een kind dat net zijn cavia had laten vallen en daarmee gedood. Hij probeerde zijn ogen ervoor te sluiten, maar alsof zijn vader zijn kin vastpakte, werd hij gedwongen te kijken naar wat hij had gedaan. En hoewel hij wist – zo was hem verteld – dat het niet nodig was, dat het zijn schuld niet was, voelde hij zich schuldig.
   Ik keek hem aan en knikte, in de hoop dat het genoeg zou zijn. Ik zei niets omdat ik wist dat elk woord zijn bezoek zou verlengen. Ik begrijp je, maar ga alsjeblieft weg. Alsof hij dat doorhad, vroeg hij of hij even bij ons mocht komen zitten.
   ‘Dat kan wel even,’ zei Helena.
   ‘Het is behoorlijk laat,’ zei ik, ‘dus liever niet.’
   ‘Jared, laat hem,’ zei Helena.
   ‘Het is oké,’ zei Ivar. ‘Ik ga zo.’
   ‘Hm, nou ja. Welterusten alvast,’ zei Helena.
   Helena deed haar nachtlampje uit en draaide zich om. Ze drukte haar koude voeten tegen mijn scheenbenen en ik voelde het eelt op haar hielen schuren tegen mijn huid. Ivar was op de grond gaan zitten, tegen het voeteneind, terwijl ik met mijn benen opgetrokken in bed zat, bang om hem tegen het hoofd te trappen. Helena trok aan de deken en het was stil. Ik spande onbewust mijn kaken aan en dacht: ik mis haar veel meer dan jij je ooit voor zou kunnen stellen.
   ‘Eventjes dan,’ zei ik, vooral uit schaamte. Ik was rechtop gaan zitten, maar Ivar was er al niet meer. Ik moest zijn weggedommeld, en hij moest, toen ik het niet merkte, naar beneden zijn gelopen.
   Ik ging weer liggen, maar na een tijd naar het plafond te hebben gestaard – de zoveelste poging op het donker scherp te stellen – liep ik de overloop op. Ik hoorde Ivar beneden de lamellen dichtdraaien. De tv stond zachtjes aan. Waarschijnlijk keek hij weer de scène uit Schindler’s List

I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more I could have done more

Dat was zijn mantra die week. Ik liep de trap af. Hij lag op de bank met zijn gezicht naar de rugleuning gedraaid. Ik ging voor de bank op de grond zitten. Hij keek My Girl. De scène dat Vada naar Thomas toe rent, die in een open kist ligt. Ze is vreselijk overstuur. His face hurts. And where’s his glasses? He can’t see without his glasses.
   ‘Hé jij daar,’ zei ik. ‘Ben je wakker?’
   ‘Altijd,’ zei hij. We keken samen naar het scherm. Hij was weer begonnen met het dragen van zijn bril, in plaats van lenzen.
   ‘Is het wat?’ vroeg ik.
   ‘Gisteren keek ik City of God, die was wel goed.’
   ‘Ik zal hem eens kijken.’ Mijn keel was droog en instinctief greep ik naar mijn hals en wreef erover, alsof dat zou helpen. Ik stond op om wat te drinken te pakken.
   ‘Wil jij wat?’ vroeg ik.
   ‘Water is goed.’
   In de keuken liet ik de kraan lopen tot het water koud werd. Terug in de woonkamer merkte ik een nog halfvol glas op, dat op de koffietafel stond.
   ‘Was dit jouw glas?’
   ‘Oh, ja. Sorry.’
   Ivar ging rechtop zitten om plaats voor me te maken. Hij hield het koude glas tegen zijn onderlip en staarde voor zich uit.
   ‘Je schaamt je voor me,’ zei hij. Hij nam een kleine slok, zette het glas op zijn knie en probeerde het te balanceren.
   ‘Ja, misschien wel,’ zei ik. Ik ging met mijn vinger langs de rand van de glazen koffietafel. Het stof aan mijn vinger veegde ik af aan de bank.
   ‘Ik kan niet meer slapen,’ zei hij. ‘Ik val uiteindelijk wel in slaap, maar dan word ik na een paar uur wakker en dan blijf ik wakker.’ Hij ging rechtop zitten, duwde de lamellen uit elkaar en keek naar buiten. ‘God, als ik wist wat het verschil veroorzaakte tussen vijf en twee uur slaap, dan zou ik zorgen dat het altijd vijf was.’
   Hij legde zijn voeten op de koffietafel. Zijn pluizige pan- toffels waren bij de zolen versleten. Ik probeerde een manier te vinden om mijn zusjes naam te noemen. Het was haar naam die ons wakker hield. En ik wist dat het uitspreken van haar naam genoeg zou zijn voor ons om elkaar te kunnen ontmoeten, en dat hij erop wachtte. Maar des te langer ik erover nadacht, des te stiller ik werd. Ivar wilde niet alleen de versie van haar die in hem bestond, maar ook de versie van haar die nog steeds in mij leefde, en daarbij haar verleden, waar hij geen aanspraak op kon maken. Ik wist dat als ik mijn mond zou openen hij haar eruit zou grissen en zichzelf met haar in de badkamer zou opsluiten, of uit het raam zou klimmen en in de nacht zou verdwijnen om nooit meer iets van zich te laten horen.
   ‘Als ik wakker word weet ik dat ik niet meer in slaap ga vallen en dat ik dan net zo goed iets zou kunnen gaan doen, maar dat doe ik niet. Ik blijf liggen. Soms dommel ik even weg en kort daarna word ik weer wakker. Dan voel ik om me heen, alsof ik iets kwijt ben.’
   Terwijl hij het over haar had keek hij aandachtig naar me, alsof hij me uitdaagde. Hij probeerde te ontdekken wat ik voelde, om daarmee de strijd te beginnen wie het meeste van haar hield en wie haar het beste kende en wie haar het meeste miste. Maar ik wilde haar voor mezelf en gaf hem niets.
   ‘Droom jij over haar?’ vroeg hij.
   ‘Soms.’
   ‘Over welke momenten droom je dan?’
   ‘Niet alle dromen zijn een herinnering.’

Over de auteur

Jared Meijer (1996) schrijft, dicht en fotografeert. In 2020 won hij de eerste prijs van Write Now! Nijmegen. Voor zijn afstudeeronderzoek 'Lichaam van een vreemdeling' maakte hij een verzameling zines, waarin hij aan de hand van proza, poëzie en fotografie het verlangen naar sociale verbinding onderzocht. Zijn afstudeerwerk Mistland is een poëtische novelle over chronische ziekte, verlies en eenzaamheid, waarin een man een tunnelstelsel graaft onder zijn huis.

Over de illustrator

Jalinka Gressmann is een mixed media artist/visual artist. Ze maakt collageportretten, fotografeert en geeft experimentele tekenworkshops. Kijk voor meer werk en info op jalinka.com.

Lees meer uit de categorie Proza

Willem

Door Michael Kaptein

Op de morgen van achttien maart, een woensdag, vond Jona – een achtendertigjarige, werkloze en aan neerslachtigheid en pleinvrees lijdende man – in een stoffige en lang niet bekeken hoek van zijn appartement een mensje. Een mannetje ter grootte van Jona’s hand, van de top van zijn wijsvinger tot aan zijn pols, volledig naakt. Hij […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper