Proza

De Nieuwe Lichting: Sanne van Balen

Door Sanne van Balen
8 oktober 2020

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Sanne van Balen studeerde af van de opleiding Beeld & Taal aan de Gerrit Rietveld Academie met een totaalinstallatie over o.a. heimwee, de kleur blauw en de vorm van houvast. Hieronder lees je een interview met Sanne en kun je een illustratie en fragment uit haar afstudeerwerk bewonderen. 

Hoe kwam je op het idee voor je afstudeerwerk?
Vorige zomer werkte ik twee weken als assistent van een kok en een schipper op een riviercruise. Het was een enigszins monotoon bijbaantje en zo besloot ik in de avonden op te schrijven wat ik overdag zag en hoorde. Daarna had ik heel veel woorden en een redelijk droog verslag van zo’n reis door Noord-Holland. Ik had niet per se als doel deze tekst tot een novelle te schrijven, maar het materiaal bleek een jaar lang bruikbaar. Vooral toen ik er van alles bij ging verzinnen, toen kwamen de personages echt tot leven. Ik heb telkens korte hoofdstukken geschreven die uiteindelijk een geheel leken te vormen.  

Wat is het beste schrijfadvies dat je hebt gekregen tijdens je opleiding? 
Dit advies kreeg iedereen uit mijn klas in het tweede jaar, maar voor mij bleek het daadwerkelijk te helpen: “ga naar een plek en doe alsof je vanuit daar correspondeert”. Onder deze schrijfopdracht zit het advies om niet achter je laptop van alles uit je duim te zuigen, maar naar de plek te gaan die je probeert te beschrijven. Door fysiek op een plek te zijn en details die je niet kunt verzinnen echt te zien, werd mijn schrijven veel levendiger en kon ik minder krampachtig verhalen maken. Grappig was wel dat een andere docent uit mijn derde jaar vond dat ik juist méér moest verzinnen. Daaruit heb ik ook begrepen dat ik vooral moet doen wat ik zelf wil, iets waar de Rietveld naar mijn indruk sowieso voor staat.

Wat is je lievelingsboek of – schrijver en waarom?
Op dit moment is dat denk ik Niña Weijers. De manier waarop zij essayistiek in haar proza verwerkt vind ik zo meeslepend en inspirerend. Ik zoek als lezer naar boeken die ervoor zorgen dat ik ook zin krijg om te schrijven en alle zinnen die Nina Weijers schrijft doen dat.

Wat zijn je ambities op schrijfgebied?
De schrijfmethode die ik voor Blak Water heb gehanteerd is me erg goed bevallen. Dus ik ben van plan weer aan een verhaal te beginnen dat langzaam uitdijt en aanzwelt. Daarnaast ben ik aan het uitvinden hoe ik mijn essayistische verlangens op een poëtische doch leesbare manier kan opschrijven. Dit doe ik niet alleen schrijvend, maar ook beeldend. Ik ben ook beeldend kunstenaar: ik schilder en maak installaties in het landschap gecombineerd met video-essays. Al deze verschillende takken in mijn praktijk ga ik uitdiepen en de wereld in slingeren.

 

Blak Water – Fragment 

 

xxx

Jonas overleed in de winter van dit jaar. Die nacht was hij in zijn kajuit op de Hermina-I. Twee weken op, twee weken af was zijn ritme op het containerschip van 178 meter lang. Zijn rode Renault stond op het dek en de Nederlandse vlag wapperde zacht, de Maasvlakte was eindeloos.

Ik had gehoopt dat zijn overlijden als een flashback zou zijn van eerdere overledenen uit mijn omgeving, oma, oude buurvrouw, moeder van een vriend. Elke keer waren de rituelen hetzelfde, kaartjes sturen, bloem voor de kist, boekje met liturgie, met een trage tred een kerk uitlopen. Onze relatie was al een tijd geleden geëindigd, ik verwachtte geen grote emoties. Maar de emoties waren wel groot, ze waren reusachtig alsof ik me in een soort kermisattractie bevond. Het karretje waar ik in zat leidde me door een schemerige ruimte, af en toe ergens een spiegel en luide muziek die op een overdreven manier tragisch was. Clowns natuurlijk en suikerspinnen wuivend in de airconditioning. Af en toe kwam ik iemand anders tegen in zijn eigen karretje. Ik kon het parcours eindeloos opnieuw afleggen. Maar ergens in mijn lijf begon mijn hart te rammen. Ik haalde wel adem, maar het liefst hield ik de hele dag mijn hoofd tussen mijn knieën. Het kon hard suizen tussen mijn oren, alsof ik op de bodem van een zwembad zat waar het water druk uitoefende op mijn trommelvliezen.

Mijn huis voelde klam en klein, de lucht leek stil te staan tussen de muren. Ik kocht een tafelventilator bij de Blokker. Het ding zoemde en verplaatste de kleffe lucht slechts tijdelijk. Ik was bang. Niet voor de dood. Niet voor Jonas. Maar voor wat zijn dood in me losmaakte. Ik was in een bakje van een reuzenrad gestapt dat achteruit draaide. Eerst omlaag en dan pas omhoog. Er kwamen zoveel herinneringen terug in een omgekeerde volgorde.

Ik kon me zijn lichaam niet meer zo goed herinneren, maar wel hoe Jonas naar andere lichamen kon kijken. We hadden elkaar ontmoet op een donderdagavond, in een cirkel met achttien anderen zittend op stoelen. Er was iets met het licht, de tl-buizen zouden onze neuzen verkeerd uitlichten. We volgden een fotografiecursus, de cursus zou een trechter blijken te zijn voor onze tijd samen. Ik had me aangemeld vanuit de hoop ontdekt te worden. Hij had zich aangemeld vanuit een ongegeneerde passie voor de momentopname.

In de tweede les had ik gezegd dat ik mezelf als object zag, in de hoop dat hij me dan als zijn model zou vragen. Hij fotografeerde liever texturen, zo kwam hij elke week met een nieuwe foto van een melkige mensenhuid naast een groente of fruit. Texturen wonden hem op omdat ze hem het gevoel gaven dat alles in beweging was. Jonas hield van beweging. Patronen op tapijten deden hem anders door ruimtes gaan, sommige vond hij rustig en ritmisch, andere maakten hem gefrustreerd en onhandig, afhankelijk van de objecten en de hoek van de muren in de kamer.

Zijn beste foto was een artisjok die zijn huisgenoot voor zijn gespierde schouderbladen had gehouden. ‘Growing spine’ als titel, de vlezige dikke bladeren gevouwen om de bloembodem stonden rechtop en communiceerden met elke spierrimpel van de huid. Iedereen had bewonderend naar de foto gekeken. Artisjokken zijn eigenlijk bloemknoppen van een distel, dacht ik. Na de derde les hadden we seks op een bed vol dennennaalden omdat hij voor de foto van die week een meisje met donkere zwarte krullen in de lakens had gevouwen en met kersttakken had bedekt. Op de foto hadden haar donkerbruine benen behaard geleken en haar krullen een mossig gebergte, de dennennaalden als een dekbed over haar heen. Thuis had ik een paar naalden uit mijn bovenbenen getrokken, alsof ik me niet goed geschoren had. ‘Ik vind de kuil tussen je ribben mooi,’ had hij gezegd. Ik had nog niet eerder een man ontmoet die op het omgekeerde van borsten viel.

Toen ik hem leerde kennen, leerde ik vooral mijn eigen lichaam kennen. Zijn mond kuste de zachte huid op mijn rug recht achter mijn oksels. Soms kietelde het zo erg dat ik kronkelde en kippenvel zich overal over mijn lichaam verspreidde. Alsof ik door de brandnetels had gerold. Misschien dat ik nooit zelf mijn lichaam heb leren herkennen, dat alleen via zijn ogen heb gedaan. Na onze relatie hield ik nog altijd zijn blik aan op mijn armen, benen, afgekloven nagels, scheve rechtervoortand, de haarkruin achter mijn linkeroor. Elke vorm van liefhebben is een variant op wat je jezelf voorhoudt.

Hij had me gevraagd me over te geven, ook toen ik met een meisje en haar uitstekende ribben naakt voor een muur stond met plakken rookvlees over onze ruggengraten verdeeld. De foto won de ontwerpprijs van de cover voor het VPRO-magazine. ‘Ongegeneerd, volgroeid, machtig,’ zei een waarschijnlijk al dronken jurylid na de prijsuitreiking tegen mij. We stonden in de foyer waar ze witte wijn uitdeelden en de verliezers van de wedstrijd de kleine glazen maar al te graag aannamen. ‘Op moralisme zat natuurlijk niemand te wachten,’ vervolgde het jurylid. Ik knikte, probeerde naar Jonas te wenken, of hij me kon redden. ‘Die gelaagdheid, prachtig, net zoals de echte covers.’ Ik had me afgevraagd of de man ook dronken was geweest tijdens het kiezen van de winnaar. In het juryrapport stond: ‘Grappig beeld met diepte dat ook nog eens associaties oproept met zowel een gebakken ei als een zielig konijn.’

Jonas won geen geld, hij kreeg wel een bos bloemen. De bos hield hij de hele avond in zijn linkerhand met de bloemen naar beneden wijzend. Het waren gerbera’s met rozen. Hij verkocht zelden een foto, zijn galerie weigerde hem op beurzen te representeren omdat dat soort plekken te commercieel zou zijn voor zijn doelgroep. Daarom werkte Jonas parttime waar zijn uitzendbureau hem maar naartoe stuurde, het liefst zat hij zes maanden per jaar in de binnenvaart. Dan was hij twee weken op het schip en daarna twee weken vrij om te fotograferen wat hij wilde.

xxx

Hij had tegen me gezegd: als je doodgaat heb ik gelukkig veel foto’s van je. Ik heb ze nog, hij had ze allemaal aan me gegeven. Toen het uitging had ik overwogen de doos waar ze in zaten weg te gooien of te verbranden. Maar ik had ze bewaard en de foto van de boom geprint, erbij in gelegd en de doos in de berging gezet. Ik was het liefdesverdriet vergeten, maar hem niet. Ik kon Jonas zo weer oproepen, alleen leek het beeld zich niet scherp te stellen, de kleuren klopten niet.

Ik haalde de doos met de foto’s die Jonas van mij had gemaakt pas weer tevoorschijn toen het reuzenrad was begonnen te draaien. Het lichaam op de foto’s kwam me voor als dat van een vreemde. Ik herkende de hoekige ellebogen niet als die van mezelf, wist ook niets van het kippenvel dat zichtbaar was op mijn onderrug. Hij had mijn lichaam zoals ik het van vroeger vaag nog kende met zich meegenomen. Ik wist niet precies wat ik moest zien. Het zag er anders uit dan het onder mijn vingers voelde. Ribbeliger, alsof ik uren aaneen in bad had gezeten.

Diezelfde avond viel ik in slaap op de manier zoals ik me nu uren aaneen op een boot bevond. Liggend in bed voelde ik me als een golf, met een na-ebbende deining van de zee. Ik legde mijn ruggengraat gekromd in het matras, wegzakkend in de vering. Restvorm bewoog nog in de lucht, de dag voor de nacht verwisselend. Spieren die warm waren geweest, me gedragen hadden met het zwaartepunt als een anker, konden ontspannen. Mijn lichaam veerde nog na. Mijn hoofd nam waar hoe ik van links naar rechts golfde, hoe het bed golfde, de kamer, de nacht in zijn geheel. Het was vreemd mijn lichaam zo opnieuw te ervaren, of eerder nog, om het helemaal niet te ervaren. Niet als mijn eigen in ieder geval.

Ik vroeg me af hoe houvast eruit zou zien. Ik stelde het me voor als deinen op een oranje cirkel van hard plastic. Je daarna in iets met een vacht wikkelen, fleecedeken, trui. Het leek me rustgevend, te weten hoe het is gedragen te worden.

‘Ik voel me onbemand,’ had ik tegen mijn moeder aan de telefoon gezegd.
‘Wat zeg je? Een man?’ vroeg ze. Ik zuchtte. Ik wilde ophangen.
‘Wat bedoel je? Je bent toch geen boot?’ zei ze, de telefoon maakte haar stem hoger dan gewoonlijk.
Ze stelde me een paar dingen voor, ik kon gaan sporten, ik kon me aanmelden voor een of andere cursus, Duits bijvoorbeeld. Vrijwilligerswerk vond ze zelf een van haar betere voorstellen. Of een zomerbaantje. Ik zuchtte weer.
‘Mama ik moet iets doen,’ zei ik.

xxx

Nu ik me varend op een boot door de zomer heen probeerde te werken, was ik dichter bij Jonas dan ik in lange tijd was geweest. Ik herkende hem in de weerkaatsing van de boeg in het water, ik zag hem achter de reddingsboeien op het dek, de stroopwafels op de salontafel, onder mijn dekbed in de kajuit, in elke sluis die we binnenvoeren, zijn handen die mijn touwen uitgooiden, zijn gebaren die de schipper duidelijk maakten dat we moesten remmen. Telkens wanneer ik hem tegenkwam leek het of mijn hoofd als een camera een foto maakte van het moment en daarmee een herinnering verving.

Voor acht euro per gast per dag voeren we vanaf Amsterdam naar Zaandam, Alkmaar, Texel, Enkhuizen en Hoorn. Het was juli, de derde week van de zomer. Pas met het aan boord stappen zag ik in dat ik me aan De Mathilda gaf. Ik werd onderdeel van een toerismemachine die vakanties van een lopende band laat rollen, servetten vouwt en toiletten boent. Als handen aan armen van een ander stel hersenen voerde ik bevelen uit. De Mathilda was een hard metalen schip dat zo plat en vlak van de bovenkant was dat het net een landingsbaan leek. Ze bestond voornamelijk uit de lange salon waaronder een gang met alle kamers zat, de vloerbedekking was blauw, de kozijnen van hout. De boot was klein voor een cruise, slechts 35 meter. De schipper had me zeven donkerblauwe polo’s maat M in de handen gedrukt. Het logo van De Mathilda prijkte op de linkerborst en leek in de verte op een ondergaande zon met een wit golvend lijntje eronder.

In Den Helder wachtten we op de gasten en op hoog water. Boven de steiger voor de zeesluis zaten twee meeuwenkuikens te piepen, ze klonken als ritmisch aanlopende fietsen. Eenmaal door de sluis legden we aan met de motor nog draaiend waardoor de klevende diesellucht via de open deuren en ramen naar binnen kwam. Een grijs marineschip zonder ramen gleed langszij en ik spoelde nog wat borden af. Toen alle gasten weer aan boord waren, voeren we de Waddenzee op.

Ik keek naar Texel, afgetekend tegen de lucht leek het eiland bijna rechtop te staan, tweedimensionaal, een eigen versie van de horizon. Een paar honderd meter voor ons voer De Vriendschap, een veerboot op weg naar de zeehonden die op hun eigen eiland lagen te zonnen. De toeristen in hun blauwe en rode windjacks met petten op en verrekijkers stonden aan dek. De boot zou heel langzaam langs de zeehonden varen die log in het zand lagen en zich als slaapzakken naar het water begaven. Even stelde ik me voor hoe het eruit zou zien als een boot vol zeehonden langs een eiland zou varen waar mensen in zwemkleding lagen te zonnen. Ze zouden zwaaien met hun korte vinnetjes, ik grinnikte.

We schampten de zandbank zo achteloos dat ik bijna niet merkte dat we stil kwamen te liggen. Zacht ging het, als een kus.
‘Wist je dat het zo vaak gebeurt?’ de schipper begon gesprekken meestal alsof ze al gaande waren. ‘Zandplaten blijven vaak onder de oppervlakte, de Waddenzee ligt vol onbewoonde eilanden.’
Vanaf het hoge dek boog ik voorover, probeerde de zandbank te zien. Ik keek naar de rust van de zee en de efficiëntie waarmee de golven zich uitvouwden en weer terug kropen. Ik wenste dat mijn hoofd met eenzelfde overtuiging kon samenvallen met de bewegingen die mijn lichaam maakte. Dat een zee zo letterlijk kon zijn.

Hangend over de reling dacht ik aan Catherine Opie, een fotografe. Zij maakte ook een tocht op een cruiseschip, voer via Korea naar Amerika en nam foto’s van de zee, van de zonsondergang, de luchten en het water. Eenmaal terug in Amerika vroeg ze zich af wat de foto’s gemeen hadden en hoe ze het beste een accurate selectie van haar reis kon maken. Het dobberende en weidse van de oceaan liet zich niet zomaar in een foto vangen. Uiteindelijk zag ze dat ze op bijna elke foto de horizon had gefotografeerd. Als er iets was wat haar reis gekenmerkt had, was het de aanwezigheid van die afstand die nooit dichterbij zou komen, nooit verder weg zou raken.

‘Wat doen we nu?’ vroeg ik. De schipper keek op zijn horloge.
‘Wachten.’
‘Op hoog water,’ maakte ik zijn zin af.
‘Misschien is er chocolademelk,’ zei de schipper en even dacht ik dat hij op de zandbank bedoelde. Hij wandelde de salon in en schoof een kop onder de koffiemachine. We gingen met z’n drieën in de keuken zitten. De kok liet de groentes even voor wat ze waren. Ik nam een mengsel van café crème en zwarte koffie, het was lichtbruin en lauw. Ik vroeg me af of we het meteen zouden merken als de boot weer begon te drijven.

‘Ach,’ hoorde ik de kok tegen haar telefoon zeggen. Geen van ons reageerde, de schipper was verdiept in zijn eigen gedachten. Ik maakte in mijn hoofd een lijst van de kamers waar ik nog prullenbakken moest legen en hoeveel ontbijtkoek ik voor bij de thee uit de voorraad zou halen. Gesnif.
‘Ja het is niks hoor, een hond, maar wel van een goede vriendin,’ zei de kok nog steeds starend naar haar telefoon. ‘Ze heeft een TIA gehad en is in het water gevallen.’
‘Sorry hoor,’ zei de kok en stond op. Ik keek naar haar, hoe ze een tweede kop koffie nam, zonder melk. Ik hield niet van honden. Ik wist niet of ik haar moest troosten.

‘Weet je dat een zandbank eigenlijk een stilliggende beweging is,’ zei ik tegen niemand in het bijzonder.
‘Ja,’ de schipper knikte er langzaam bij.

 

Over de auteur

Sanne van Balen (1994) studeert af van Beeld & taal op de Gerrit Rietveld Academie. Ze onderzoekt hoe taal haar werk vormgeeft en op welke manier taal zich allemaal kan manifesteren. Voor haar afstudeerwerk creëerde ze een totaalinstallatie waarin beeld en taal elkaar ontmoeten in verhaal en vorm. Met een poëtische blik reflecteert haar werk op de werkelijkheid en geeft haar met een zachte doch sturende hand vorm. Een verhaal over verlies, over heimwee, de kleur blauw, herinneren & vergeten, maar bovenal is het een verhaal over vorm: de vorm van houvast.

Lees meer uit de categorie Proza

Een stuk berg

Door Sholeh Rezazadeh

Er ligt sneeuw op de toppen van de Mishoodaghiberg. De zon schijnt op mijn gezicht en de koele bergwind waait langs mijn wangen. Van waar ik sta zie ik witte sneeuwaders die als dunne vingers langzaam de gerimpelde nek van de berg grijpen. We hebben een groot tapijt op de verse grasvelden gelegd en ik […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper