Proza

Meneer Cesar

Door Milou Voskuilen | beeld: Lise Goossens
19 oktober 2020

Een maand geleden dacht ik ineens dat ik hem zag lopen. Met kleine passen, zijn schouders iets gebogen. Zijn hoofd naar beneden gericht, alsof wat zich beneden op de grond afspeelde interessanter was dan waar de rest naar keek. Ik dacht dat hij het was: meneer Cesar. Met zijn elegante maniertjes. Hij leek altijd een beetje weerloos en toch onverwoestbaar.
   Maar hij was het niet. Hij kon het niet zijn.

Als kind denk je dat je slechtheid kunt zien. Het zijn de vreemde mannen met snoep in hun jaszak, de mannen waar je niet mee mag praten. Je herkent ze aan de manier waarop ze lopen, lachen, eten. Ze snijden hun vlees in grote hompen of met een kille precisie. Hun stem is zacht, maar dwingend. En toch zag ik niets aan meneer Cesar.

Als jong meisje woonde ik bij mijn moeder en mijn stiefvader. Mijn moeder geloofde dat je immuun kon worden voor zwakheid door roekeloos te zijn. Zo liet ze mij zonder jas buitenspelen, ik hoefde mijn handen niet te wassen voor het eten of voor het donker binnen te zijn. Het huis op de hoek van de straat was van meneer Cesar. Hij woonde alleen en werkte samen met de kinderen uit de buurt aan een encyclopedie. Als we bij hem langsgingen namen we bladeren en insecten in jampotjes mee. Meneer Cesar liet ons al onze vragen opschrijven – ‘Waarom wordt het nacht?’ ‘Hoe komt er water uit de kraan?’ – en gaf ons de antwoorden.

Wij werkten graag met hem samen. Hij was slim en nam ons serieus. Hij behandelde ons anders dan andere volwassenen. Ik herinner me dat een van de oudere jongens hem zielig vond. Hij zei dat hij van zijn ouders niet met meneer Cesar mocht omgaan, maar wij bleven hem bezoeken. Ik ging eigenlijk nooit alleen naar hem toe. Er waren altijd wel andere kinderen mee. Soms bleef ik alleen achter. Zoals die middag toen hij begon over de foto.

‘Weet je wat ik nog nodig heb,’ zei meneer Cesar op een zondagmiddag.

In de encyclopedie stonden polaroidfoto’s. Van lieveheersbeestjes, mieren, bladeren, veertjes, stenen: alles wat we in de buurt konden vinden. ‘Weet je wat ik nog nodig heb,’ zei meneer Cesar op een zondagmiddag. ‘Een foto van een meisje.’

De man die ik een maand geleden zag lopen, kon meneer Cesar niet zijn. Als Cesar nog leefde, moest hij bejaard zijn. Mijn moeder was inmiddels overleden en mijn stiefvader was verhuisd naar een klein appartement in een groot, grijs flatgebouw, een lelijke legosteen. De buurtkinderen waren net als ik volwassen. Op mijn zeventiende was ik uit de straat weggegaan en aan de andere kant van de stad gaan wonen. Meneer Cesar en zijn encyclopedie waren uit mijn leven verdwenen en ik had al jaren niet meer aan ze gedacht. Maar de laatste weken zag ik hem ineens weer voor me. Ik herinnerde me de middagen bij hem levendig en vroeg me af of hij slecht was geweest. Had ik als kind iets over het hoofd gezien? Had ik zijn interesse verward met iets anders; iets wat gevaarlijker was?

Het huis waar meneer Cesar woonde stond er nog. Het was een benedenwoning met een rode voordeur. Als ik bij hem op bezoek ging, zette ik mijn fiets tegen de schutting. Ik had een gifgroene fiets met een mandje, een cadeau van mijn stiefvader.
   De gordijnen waren altijd gesloten. ‘Mensen kijken graag naar binnen,’ legde Cesar ons uit. ‘Daar heb ik geen zin in.’
   Ook nu zaten ze dicht.
   Ik belde aan en voelde zenuwen. Wat hoopte ik precies te ontdekken?
   Er klonk gerommel in de hal. De deur ging open.
   De persoon die opendeed was een oudere man. Hij was gekleed in een ochtendjas en droeg een kleine, ronde bril op de punt van zijn neus. Zijn haar had de kleur van as.
   ‘Cesar?’ vroeg ik. ‘Meneer Cesar?’
   ‘Ja, mevrouw?’
   ‘U bent Cesar?’
   Hij knikte en keek me vragend aan. Er was geen achterdocht of irritatie in zijn gezicht te ontdekken. Hij wachtte geduldig tot ik iets zei.
   ‘Ik ben Carla,’ zei ik. ‘Ik woonde hier in de buurt. Een jaar of veertig geleden. Ik kwam hier weleens… Voor de encyclopedie.’
   Er gleed geen glimp van herkenning over zijn gezicht. ‘Och meisje,’ zei hij. ‘Dat weet ik allemaal niet meer.’ Hij glimlachte vriendelijk. ‘Het is koud buiten, kom binnen. Een kopje thee drinken.’

Het huis was kleiner dan in mijn herinnering, met een laag plafond. Er hing kerstverlichting aan de muur, al was het februari. Rode en groene lampjes in de vorm van kaarsjes. Ik keek naar een schilderij van een jong, slank hert, springend over een slootje.
   ‘Ik herinner me dat schilderij,’ zei ik. ‘En er was een foto. Van een kat.’
   ‘Ja, van Doortje.’ Meneer Cesar glimlachte treurig. ‘Ik heb de foto weggehaald. Als je ouder wordt gaan er zo veel personen dood, daar wil je niet meer aan herinnerd worden door foto’s.’
   Hij ging naar de keuken en ik ging op zijn tweezitsbank zitten. De televisie stond aan zonder geluid.
   Meneer Cesar kwam terug met glazen en een pot thee. Ik kon niets van zijn oude maniertjes in hem terugzien. Hij bewoog als een oude man.
   Ik pakte het dienblad van hem over en dacht terug aan die zondagmiddag hier, ook alleen met hem in de kamer. Toen hij begon over een foto van een meisje, wist ik meteen dat ik mijn kleren uit moest trekken. Voor de encyclopedie waren we altijd bezig met ontleden. Meneer Cesar haalde balpennen uit elkaar, sneed appels doormidden en vertelde ons hoe een auto werkte. Ik poseerde voor hem in mijn onderbroek. Hij maakte foto’s van mijn voorkant, zijkant en achterkant. Toen hij klaar was, wapperde hij met de foto’s en wachtte tot ze waren ontwikkeld. ‘Perfect,’ zei hij met een glimlach. ‘Ze zijn gelukt.’

‘Herinner je je de encyclopedie nog?’ vroeg ik. ‘Hij stond vol met foto’s.’

Ik keek naar hem nu, oud en weerloos, zittend in zijn luie stoel. Er kwam stoom van mijn glas. Het glas was warm en ik trok de mouw van mijn trui over mijn hand om het vast te kunnen pakken.
   ‘Er kwamen altijd zo veel kinderen,’ zei meneer Cesar toen. ‘Ik houd van kinderen. Ze zijn veel slimmer dan je denkt. Ze willen alles leren. Als je ouder wordt, verlies je die honger.’
   Ik knikte alleen.
   ‘Namen weet ik niet meer,’ ging hij verder. ‘Die ontglippen je het eerst als je ouder wordt.’ Hij glimlachte treurig. ‘En nu is het stil. Al jaren… Wil je een koekje?’
   Ik schudde mijn hoofd.
   ‘Ik heb nog altijd koekjes in huis. Voor het geval er iemand aanbelt.’
   Ik wilde een slok nemen, maar brandde mijn tong. ‘Herinner je je de encyclopedie nog?’ vroeg ik. ‘Hij stond vol met foto’s.’
   ‘Foto’s van wat?’
   Van kinderen, dacht ik, een verzameling kinderen.

Zijn stramme vingers zaten om zijn glas geklemd. Ik keek naar zijn handen. Zijn aderen waren als dikke wormen. Ik dacht aan de insecten in potjes die we meenamen als we naar hem toegingen. Het enthousiasme waarmee hij ons over het leven vertelde.
   Hij zuchtte zacht. ‘Ik wilde gewoon dat jullie nooit bang hoefden te zijn.’
   Ik keek naar het jonge hert op het schilderij en vroeg me af of het beest op de vlucht was voor iets. Toen keek meneer Cesar naar mij. Er schitterde iets in zijn ogen. Iets van opwinding. Plots zag ik weer het vuur waarmee hij mij over wormen, regenbuien en diepe oceanen had verteld. ‘Jij had een fiets,’ zei hij. ‘Ik herinner het me weer. Een groene fiets.’
   ‘Ja,’ zei ik zacht. ‘Dat was ik.’

Over de auteur

Milou Voskuilen (1989) schrijft poëzie, korte verhalen, artikelen en essays. Haar werk is gepubliceerd in Tirade, Het liegend konijn, Viva en online bij o.m. Tijdschrift Ei, De Revisor, VICE, Deus ex Machina, Sla Avier en Meander Magazine. Zie ook milouvoskuilen.com.

Over de illustrator

Lise Goossens is een Belgische illustrator. Ze schildert en tekent mysterieuze sferen, met hier en daar een magisch wezen. Haar inspiratie haalt ze uit de vreemdheid van haar dromen. Ze zou het fijn vinden om in haar tekeningen ook zo’n droomwereld te kunnen creëren. Je vindt haar werk op instagram: @goossens.lise en op haar website.

Lees meer uit de categorie Proza

Hōmushikku

Door Nicky Runge

ホームシック hōmushikku (zelfstandig naamwoord): een sterk verlangen naar een thuis, plek, persoon of iets anders vertrouwds. Met een vlugge beweging klik ik op de knop. De projector schiet aan en een schuin licht schijnt op de roomwitte muur. De letters – een krullerig kanjischrift – bewegen van links naar rechts. De oudere man met het […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper