Poëzie: Erwin Hurenkamp

Door
30 oktober 2020

 

Na zondvloed op zondvloed eindelijk
uit kunnen stappen. We waagden ons

op drassige graslanden (voormalige hoogvlakte)
maar vlinders vinden hun waardplanten eerder.

Later bouwen we – rouwranden onder onze nagels
en god wat waren we blij met de geiten – 

ons eerste huis van hout, we vonden een plekje
aan het water. We halen herinneringen op

aan onze vroegste hutten en de tijd
dat we aan het muteren sloegen

dat was nog voor de vloed. Geslacht
voor het gemak maar afgeschaft

en iedereen toegerust met een dubbele set
primaire kenmerken. Onze vrijpartijen

op dat veldbed. Er zat wel eens iets in de weg.
De tuin is af. Je vingert een flox en ik kom

klaar van trots als je me je zelfgemaakte bankstel toont.           

      Vooralsnog hebben we slechts een ark
      en is het wachten op de eerste regen.



Là où tu es tendre, tu dis ton pluriel
      Roland Barthes

Vluchtgedrag

Toen ik uit je armen rolde en opstond,
door de kamers dwaalde

mij verlustigde aan waslucht
en donspoeder opsnoof uit je stofloze kiel,

dacht ik aan later.

Als onze levens voren hebben getrokken over vochtige grond
wij onder sterren sliepen in een tent van melkvellen

      Onzichtbaar drenkt het allesomvattende
      veulen, ruggelings uitgestrekt in sneeuwjacht of stortvloed

en niet meer rakelings langs de wereld scheren
maar met zachte liefkozingen aanraken waar het nog regent.

      Hoor dan, hoor!
      hoe we hoef worden

Jij komt naast me staan en we kijken
uit het raam naar eindeloze velden

onder een nachtblauwe lucht en je neemt me mee
terug naar het bed.

      Wie te paard gaat,
      drave tot het eerste licht.

 


Zoogdieren

Je kijkt hoe ik wakker wordt. Je hand rolt over het matras
als een golfje. Ik neem een vinger in mijn mond.

Op je lippen dansen vragen als wilde beestjes met twee benen
en een staart. Wanneer je eindelijk mag blijven, vraag je

en dat je niet meer zo schrikt van het plotselinge zingen
van zeemeerminnen (de zeemeermin ben ik).

Even later hang je in mijn vacht
alsof je ervan wil drinken.

Ik zeg: Melkveld. Jij: Vogelbekdier.           

(Biologie. Een vogelbekdier zoogt
met haar talgklieren. Uit de haarzakjes

op haar buik welt een weiland van druppels op.
De jongen zuigen de melk uit haar vacht.)

Ik ben jouw melkveld. Jij soms de komma
in de holte van mijn oksel. Mijn buik is jouw borst.

Jouw vinger mijn mond.

 

Oefening in afhankelijkheid

We weten dat je weggaat maar je gespt bomgordels
om de vervaldatum van je aandacht

zodat ik hem niet aan kan raken

Mijn hoofd ligt bij jouw voet en even kroel je
met je tenen door mijn haar. Ik nestel me

in het slome, katachtige krommen van je rug.

Je oefent je aanhankelijkheid aandachtsgeil
in het gras en hoe je bij de uitvoering probeert

jezelf te verkleinen tot

ja, tot wat? Tot lam zeg je lam wil je zijn we moeten
offertje spelen en beginnen met de hoefjes

maar ik zeg je, man met jou zou ik wel

grensoverschrijdend in een auto, klam je reet
op de motorkap iedereen omleggen total loss 

nog een reden dat je gaat.

Tot die tijd is je aandacht een boomgaard
waarin we kunnen dwalen.

Lees meer van

De Nieuwe Lichting: Rita Martynowski

Door

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor.  Deel 3: Rita Martynowski. Rita studeerde de afgelopen twee jaar aan de Schrijversacademie in Antwerpen. Hoe ben je tot je […]

Lees meer uit de categorie

Vers in de etalage

Door

Maartje Jaquet fotografeert dingen op straat die haar aan dieren doen denken. Bij de foto’s maakt ze gedichtjes waarin ze vertelt hoe je de foto’s kunt bekijken. Voor De Optimist selecteerde ze vier fotogedichten. steenvogel nu weet ik het zeker je bent er altijd was je er al die tijd al zit je op mijn […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper