De Nieuwe Lichting: Lars Meijer

Door
27 november 2020

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Lars Meijer studeerde af aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ met Alleen mijn vrienden zijn bang, een fragmentarisch werk over verlangen, seksualiteit en geweld. In korte stukken reflecteert de protagonist op momenten uit het heden en verleden, op zijn oude en nieuwe helden, op momenten en situaties die hem hebben vormgegeven. Hieronder lees je een kort interview met Lars en een aantal fragmenten uit zijn afstudeerwerk Alleen mijn vrienden zijn bang

Foto: Wouter le Duc

Hoe kwam je op het idee voor je afstudeerwerk?
Mijn oorspronkelijke idee was om een dichtbundel te schrijven over mannelijkheid. Ik liep een paar maanden met het idee rond, maar de gedichten kwamen niet van de grond. Mijn conclusie was dat het onderwerp om een andere benadering vroeg. Uiteindelijk bleek alleen mannelijkheid niet toereikend genoeg. Als ik het onderwerp wilde begrijpen, dan moest ik ook (mijn eigen) seksualiteit onderzoeken. Het werd mij langzamerhand duidelijk wat ik éígenlijk wilde onderzoeken, namelijk: hoe wordt identiteit vormgegeven? Welke rol hebben herinneringen? Deze vragen gaven mij de benodigde richting voor het schrijven van mijn eindwerk.

Wat is het beste schrijfadvies dat je hebt gekregen tijdens je opleiding? 
‘Ben je eerlijk genoeg naar jezelf en de lezer toe?’ De vraag zal niet zo een-op-een zijn gesteld tijdens de les, maar bleek voor mij de kern in de lessenreeks van Erik Jan Harmens. Tijdens de les kregen we de opdracht om een autofictioneel verhaal te schrijven. Het lukte me niet. Ik durfde mezelf niet als onderwerp te nemen voor het verhaal, uit angst voor navelstaarderig proza. Ik moest loskomen van het idee dat een persoonlijk verhaal alleen voor de auteur interessant is. Er was na zijn lessenreeks een duidelijke omschakeling in mijn eigen werk. Ik zag plots een heleboel mogelijkheden voor verhalen, waar ik die eerst had weggewuifd. Ik heb geprobeerd in mijn eindwerk eerlijk en genadeloos te schrijven. Dat was niet gelukt als ik mezelf niet finaal was tegengekomen tijdens de lessen van Erik Jan.

O, en blijf lezen. Iemand met de ambitie om te schrijven kan mijns inziens niet genoeg lezen.

Wat is je lievelingsboek of – schrijver en waarom?
Momenteel is mijn favoriete auteur de Amerikaanse Cormac McCarthy. Ik probeer ieder jaar minstens één boek van hem te lezen. Tijdens het schrijven van mijn eindwerk heb ik geprobeerd me elementen van zijn schrijven eigen te maken. Naast de opvallende kenmerken – geen aanhalingstekens, bijvoorbeeld – probeer ik vooral te leren van zijn omschrijvingen van natuur en geweld. De passages waarin hij deze kenmerken naast elkaar laat bestaan zijn van een eenzame hoogte. Er zit bijvoorbeeld een scène in Suttree waarin een dakloze man vertelt over een nachttrein in de bergen. Er is door zijn toedoen een brand ontstaan in de achterste wagon. Hij weet er net op tijd uit te springen en in een hoop sneeuw te landen. En dan, terwijl hij bijkomt van zijn sprong, ziet hij de brandende trein het bos verlichten. Zo’n beeld is fenomenaal. Het werk van McCarthy zit er vol mee, zonder dat hij ermee koketteert.

Wat zijn je ambities op schrijfgebied?
Op de korte termijn wil ik graag het YouTube-kanaal Poëzie & Pils uitbouwen met mijn co-host Tim Bongaerts. Daarnaast wil ik graag wat meer aandacht besteden aan het vertalen van korte verhalen van auteurs wier werk niet in het Nederlands is verschenen. Cookie Mueller, bijvoorbeeld. Volledig vergeten, maar haar werk is genadeloos grappig. Op de lange termijn wil ik graag schrijven aan een groter project, iets waar ik echt mijn tanden in kan zetten. Er zijn een aantal thema’s in mijn afstudeerwerk die ik verder wil onderzoeken. Ik loop met een aantal ideeën en onderwerpen rond, die wil ik graag bij elkaar gaan brengen.

We staan tegenover elkaar, maar we praten niet. Ik heb sommige mensen over je bestaan verteld en gezegd dat ik twijfel of we elkaar vaker moeten zien. Ze willen je ontmoeten, vragen zich af hoe onze stemmen samen klinken. Ik lees dat zelfs wanneer iemand vals zingt, de complete toonladder aanwezig is. Ik blijf oefenen tot de eerste zuivere noten klinken. Ik ben bang dat het beestachtig zal zijn.

Ik heb geen betekenis durven toekennen aan onze eerdere ontmoetingen. Ik vind je aanwezigheid in de boeken in mijn kast, de films die ik op mijn televisie kijk en de mensen die ik om me heen verzamel. Ze hebben een arm om je heen geslagen. Ik blijf veel in mijn hoofd, terwijl jij naar buiten wilt. Hoe moet ik jou een plaats geven? Ik heb mezelf dienstbaar opgesteld, maar misschien moet ik daar afstand van nemen. Een dier dat je niet voedt, zal verhongeren.

Ik heb je stem gehoord in verschillende slaapkamers, langs treinsporen en in de duinen van Texel. Het begon niet met waaien, ik werd niet door je aanwezigheid overvallen. Hoe zijn deze momenten met elkaar verbonden, behalve dat ik steeds hongerig achterbleef? Je bent blijven wachten, als een hond bij de voordeur.

Mijn verlangens beginnen niet en eindigen niet. Ze schuilen in het midden, tussen de momenten in, vertakken zich in mijn hoofd en staan met elkaar in verbinding.

Er is zoveel dat een lichaam kan doen; armen kunnen vleugels worden.

Ik heb je lichaam in een spiegelpaleis geplaatst en weet niet waar de echte versie zich bevindt. Ik heb geen vertrouwen in mijn oriëntatievermogen. Het is de kans op afwijzing, denk ik, de mogelijkheid dat onze vriendschap tegenvalt. Met mijn handen tast ik de weerspiegelingen van mijn lichaam af, maar ik kan je geen hand toereiken. Je bewoont geen apart lichaam. Ik zal je mijn naam geven en ik zal je onderdak bieden, maar een naam is geen plattegrond.

Mijn lichaam staat tegenover een ander lichaam, maar we praten niet. Zijn we samen? Mijn lichaam bekijken is een gebouw binnenstappen, een verdieping kiezen en een deur openen. In de kamer staat een opgemaakt bed voor me klaar, met daarnaast openstaande koffers. Zullen we deze kamer met elkaar delen?


*


Je vertelde dat je het altijd op je buik achterliet en er daarna je onderbroek eroverheen trok, zodat het werd afgevoerd naar de schaamstreek. Ik gebruikte altijd toiletpapier en verstopte de proppen in mijn onderbroek. Later op de avond zou ik ze doorspoelen. Op deze manier liet het minder vlekken achter. Ik werd er steeds beter in.

Kun je een geheim bewaren? vroeg je. Ik doe het soms vier keer per dag.

Ik draaide op mijn rug. We spraken niet veel meer af, in mijn hoofd moest daardoor alles toewerken naar de nacht. Ik verloor mijn interesse in muziek, we keken geen films meer af. Ik zette Blue Velvet halverwege uit. Ik kon alleen denken aan wat we later zouden doen. Er schuilde iets erotisch in gesloten gordijnen.

Ik moest met een scenario komen waardoor je mijn verlangens begreep. Ik wilde niet meer praten over je verhuizing, over nieuw uitgekomen platen of over je toenemende interesse in drummen. Ik wilde op mijn matje luisteren naar lippen die losraken van elkaar. Het happen naar adem van je eikel.

We noemden namen op, bedachten locaties en omstandigheden. Ik was voorbereid, had de hele ochtend nagedacht waarmee ik je zou verrassen. Hoe uitgebreider de fantasie, hoe langer je bezig was. Ik vroeg wat je fijn vond, wie je het liefst op je kamer had willen hebben.

Stel je voor, zei ik. We zitten met z’n drieën op een bankje in een donker park. Het is leeg, we praten wat en ze slaat haar armen om ons heen.  

Er ontstond een waas voor mijn ogen waarin ik gezichten kon onderscheiden. Terwijl je praatte, fantaseerde ik dat je moeder binnenkwam en ons betrapte. Er schoten zenuwachtige schokken door mijn onderbuik. Een kleine dood in het donker.

Waren er jongens die hetzelfde deden als wij? Iedereen zocht zijn eigen grenzen op. We praatten zo veel mogelijk over meisjes, besteedden zo lang mogelijk geen aandacht aan de slaapkamer. Na afloop rolden we van elkaar weg. Je knipte het nachtlampje uit. Misschien moeten we dit maar niet meer doen, zei je.

Ik heb je zo lang niet meer gezien, denk je er nog weleens aan terug?

 

*

Mijn ouders hadden me niet verwacht. Ze staan in de hal, klaar om de stad in te gaan. Mijn moeder geeft me een briefje van twintig. De auto rijdt de oprit af en slaat de hoek om. In de verte meert een aantal zeilboten aan. De keukentafel ligt vol met restjes avondeten. Ik denk aan wat mijn oom vertelde tijdens een familiediner. Hij had van zijn klanten gehoord over mannen die ’s avonds afspreken in de haven. Asielzoekers, waarschijnlijk. Waarom spreken ze niet af langs de snelweg? De familie stelde voor om de buurtwacht hiervan op de hoogte te brengen.

Ik ruim de tafel af, gooi het overgebleven eten in de vuilnisbak. Vanuit de haven klinkt een bel. Zouden er op dit moment jongens zijn van mijn eigen leeftijd? Ik denk aan David Wojnarowicz, aan zijn omschrijvingen van ontmoetingsplaatsen in New York. Hij schreef in zijn dagboeken dat hij bij niemand zijn verhaal kwijt kon, omdat niemand in de kunstwereld had meegemaakt wat hij had meegemaakt. Hij had jarenlang als sekswerker gewerkt en leefde op straat. Toen hij eenmaal een dak boven zijn hoofd had, ontstond er in gesprekken met vrienden nooit een moment waarop hij zijn ervaringen kon delen. Alleen in zijn dagboeken kon hij zijn woede en schaamte een plaats geven.

Hij schreef ook over zijn ervaringen op de pier, een ontmoetingsplek voor gelijkgestemden. Zouden David en ik elkaar daar hebben ontmoet, als de kans zich had voorgedaan? Had ik mijn best gedaan voor een vluchtige ontmoeting, of was ik te schuchter en angstig geweest? Misschien was ik niet interessant genoeg voor hem. Ik deelde zijn obsessie met de zelfkant niet. Een vriend plaatst een foto van zijn nieuwe vriend op Instagram. Later vertellen we onze kinderen dat we elkaar op Grindr hebben ontmoet, schrijft hij eronder. Zal ik ook een account aanmaken? Ik betrap mezelf op het ongemak dat de gedachte teweegbrengt. Wat is er precies beangstigend aan lichamen?

Ik zoek foto’s op van Wojnarowicz, sla ze op in mijn telefoon en lees over zijn leven op Wikipedia. Het cruisen met jonge mannen, de gesprekken die hij met hen had en later publiceerde: zijn volledige leven is opgedeeld in alinea’s. Ik vind een portret waarop hij ontbloot naast zijn toenmalige vriend staat. Het is een paar maanden voor zijn dood. De lichamen op de foto doen me denken aan mijn oude buurjongen. Op Facebook ontdek ik dat hij actief is bij de regionale politie, afdeling ordehandhaving.

*

Vanuit mijn raam heb ik uitzicht op een groep jongens in de speeltuin. Ze verzamelen zich daar elke middag. Meestal blijven ze rondhangen tot aan het begin van de avond, waarna ze afscheid nemen en weer terug naar huis gaan. De groep eigent zich de omgeving toe met haar aanwezigheid. Ze willen er niet aan worden herinnerd dat ze ieder moment door hun ouders of een langsfietsende politieagent kunnen worden betrapt. Ik probeer hun namen te onthouden als mijn raam openstaat en ze schreeuwen. Vaak hoop ik dat ze me zien kijken.

Ik herken het gedrag van mannen onderling: een muur vormen, afstandelijk zijn, de zekerheid van een hand boven het hoofd, een beste vriend die nooit in enkelvoud komt. Wat betekent dat? Ik weet niet wat op de hoek van een straat staan betekent, waar het gevaar schuilt in rondhangen op bankjes voor de supermarkt, wat het gemak is van een joggingbroek of trainingspak. Ik wil leren om bij een groep te horen, zodat ik mijn handen ergens kwijt kan.

Ik heb hun namen onthouden, wat ik zelf wil vertellen is incompleet.

Naast mijn raam staat een boekenkast. Wanneer ik naar de jongens kijk is er geen ruimte meer voor schaamte en twijfel. De lichamen bepalen hun eigen wetten. Het zijn geen volumes, maar zeestromingen waaruit niemand zichzelf kan redden. Ik wil dicht bij deze verdrinkingsdood komen wanneer ik ze zie samenkomen en overspoeld worden door sigarettenlucht en deodorant. Voor dit verlangen kan ik schrijvers uit mijn kast raadplegen. Ik lees dat, wanneer de schaamte voor dit gevoel er is, het lichaam vanzelf een angel bouwt die altijd diegenen zal uitdagen door wie hij zich bedreigd voelt.

Soms, wanneer ik nog voor het begin van de avond naar huis loop, hoop ik op een aanvaring met de jongens. Ik wil dat ze me beetpakken, meesleuren en kapotmaken. Ze zullen niets van me overlaten, alles meenemen wat ik op dat moment bij me draag. Ik zal gewillig mijn broek laten zakken, het toenemende gehijg horen, mezelf tegen hen aan duwen en alles geven. Na afloop zal ik de plaats van het geweld blijven bezoeken.

Ik zou blijven zoeken.

Ik zou naar de speeltuin lopen en niet wegkijken wanneer ze me in het vizier krijgen. Ik zou niets tegen ze zeggen, met een korte begroeting zou het ijs gebroken zijn. Ik zou ze naar binnen vragen. 

 

*

Lees meer van

Thoos

Door admin

“Mijn man heeft best veel gereisd, vaak alleen. Daar was ik het niet altijd mee eens. Maar toen hij overleden was, dacht ik: ik had er een schuldgevoel aan overgehouden als ik hem dat afgenomen had. Hij wilde dat graag. Er zijn dingen gebeurd die niet goed te praten zijn, maar ik denk dan maar: […]

Lees meer uit de categorie

Cel

Door

Als je eens een tekening van Bobbi Oskam gezien hebt, dan herken je voor de rest van je leven zijn werk in een oogopslag. De afbeelding hierboven kan van niemand anders zijn. De anarchistische compositie, de dreiging van geweld, opeenstapeling van onderdelen die lijken te bewegen, de harde contrasten, de veelvuldige losse friemeltjes: alles is […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper