Proza

De Nieuwe Lichting: Hasse Steenssens

Door Hasse Steenssens | beeld: jeroen vos
24 december 2020

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Hasse Steenssens studeerde af aan RICTS  met ‘Het vergeten voorbij’, dat gaat over de impact van ontmoeten en wat maakt dat je iemand wel of niet vergeet.

 

Hoe kwam je op het idee voor je afstudeerwerk?
Ik keek een documentaire over Voyager 2, die net ons universum had ingeruild voor de interstellaire ruimte. Ik wilde een verhaal schrijven vanuit mensen die kijken naar wat aan hen voorbijraast. En hoe zij samen een beeld vormen van iemand die, helemaal op het einde, voor ze de ruimte neemt, nog één blik achterom werpt. 

Wat is het beste schrijfadvies dat je hebt gekregen tijdens je afleiding? (+ van wie?)
Toen ik in een scène twee personages elkaar liet passeren omdat ik het realistisch vond, zei Charles De Weerdt, mijn docent scenario, dat ik ervan moest profiteren dat het fictie was, en de mensen bij elkaar moest brengen. Ik vind de tip zo leuk dat ik hem in realiteit ook wel eens durf toe te passen.

Wat is je lievelingsboek of – schrijver en waarom?
Ik lees vooral wat mensen me aanraden of wat ik in een hostel vind. Zo las ik onlangs The Zahir van Paulo Coelho dat ik van een man met één oog in Zanzibar kreeg, en dat was echt goed. Ik vond het hoofdpersonage vaak vreselijk, vooral omdat ik mezelf zo in hem herkende. Ook Eleven Minutes van hem is een aanrader. Zeker als je alleen de bus van Hanoi naar Vientiane neemt en hoopt op iemand die je opwacht. Verder lees ik graag boeken waarin iemand kanttekeningen heeft gemaakt. 

Wat zijn je ambities op schrijfgebied?
Tijd vinden om naast mijn werk als scenarist meer proza te schrijven. 

Fragment uit ‘Het vergeten voorbij’

Het was je eerste geboorte. Mama zou pas vier maanden later van je bevallen, maar door een cyste op haar eierstok moest ze dringend geopereerd worden en moest jij er ‘voor de veiligheid’ even uit. De verpleegster hield je vast, je zat in een vlies maar ik kon je hoofdje van je lichaam onderscheiden. Het vlies ging op en neer en ik merkte dat ik mijn adem inhield.

‘Wil jij haar even vasthouden?’ vroeg de verpleegster.

Je was warm, lag gekruld rond mijn arm als een octopus die zich aan mijn huid vastzoog. Je hing nog aan de navelstreng, dus ook mama hield ons vast.

‘Het is tijd,’ zei de de verpleegster.

Toen ik je weer moest afgeven, voelde ik een fysieke pijn die ik niet kon plaatsen. Je liet een afdruk achter op de ziekenhuisschort die aan mijn huid geplakt zat.

Toen je voor de tweede keer geboren werd, keek je niet verwonderd naar de wereld. Ik verbeeldde me dat je me herkende als een oude vriend, maar toen ik je weer in mijn armen nam, werd dat verlangen, dat de maanden voordien gegroeid was, niet ingelost. Mijn lichaam was voorzichtiger geworden.

Ook jij leek anders dan toen je nog verscholen zat in het vlies, alsof je je beschermhoes kwijt was. Je gaf geen kik en hoewel we daar ’s nachts dankbaar voor waren, baarde het ons zorgen, alsof je niet als kind geboren was.

Je huid was spierwit, een verpleegster grapte dat ze vergeten waren je in te kleuren. Een vriend zei bij het babybezoek dat je zoals Antartica was, achtennegentig procent ijs en twee procent oceaan, maar je ogen werden na enkele maanden grijs en zo verdween ieder kleurtje uit jouw lichaam.

Die winter was het ijskoud en het sneeuwde bijna dagelijks. Je moeder vond het prachtig, ze hield van een witte kerst en die was extra wit door jou. Ze las uren in de zetel, droeg veel te grote wollen truien die ze vulde met jou. Jij bracht er de meeste uren door, slapend op haar borst. Ik had het gevoel dat ik alleen maar toeschouwer was, nooit echt binnenkwam. Je moeder zei dat ze dat gevoel ook had, omdat je zoveel dichterbij was toen je in haar genesteld zat.

Voor jou waren die truien een nieuwe hoes en als je je kopje introk, leek mama weer zwanger.

*

Mama bakte eitjes en stripte de repen spek zorgvuldig van elkaar. Ik zette de rode keukenstoel, die uit elkaar gevallen was, weer in elkaar. Jij had een ballon onder je T-shirt gestoken en liep het hele huis rond met onze boodschappentas. Dinah, de kat, spinde op je stoel.

‘Ik kan niet geloven dat ze drie wordt volgende week,’ zei mama terwijl ze de dampkap afzette en inademde om haar stem te verheffen. ‘Io! Eitjes!’

Ik sloot mijn armen om haar en we keken naar de deuropening, waar je zo in zou verschijnen. Je nam Dinah van je stoel en ze klauwde zich in je truitje, waardoor de ballon knapte. Dinah schoot de keuken uit en jij stond stil, verkrampt.

‘Kindje toch,’ suste mama terwijl ze de haren uit je gezicht wreef.

Jij legde het lege ballonomhulsel op de tafel en ging verdwaasd zitten. Zachtjes begon je te snikken.

Na het ontbijt gingen we de tuin in. Je schommelde heen en weer in de autoband die aan een koord in de beuk hing. Mama zat op het picknicklaken in de tuin en las een boek over vrouwen in een oorlogsgebied. Later viel je op mijn buik in slaap in het midden van de voortuin, de zon gloeide op onze gezichten. Mijn armen waren strak om je heen geslagen.

Er klonk gekuch. De zon scheen in mijn ogen, een gezicht hing boven het mijne. Het droeg een helm.

‘Excuseer, kan u hier even ondertekenen?’ Een postbode, die langs het poortje naar binnen moest zijn gekomen, zwaaide met een papier dat de zon fel weerkaatste. Mama was nergens te bespeuren. Jij rolde in de holte die mijn arm vormde toen ik rechtop ging zitten om mijn handtekening te zetten. De man wandelde weer weg, en we openden samen het pakje. Het was een imkerpak in de kleinst mogelijke maat.

*

‘Papa, wat doe je eigenlijk altijd in het tuinhuis?’ vroeg je op een dag aan de ontbijttafel. Mama lag nog te slapen.

‘Gewoon wat timmeren.’ Ik draaide het deksel van de honing op de pot pindakaas. Je fronste en keek naar de foute deksels.

‘Waar werk je dan aan?’

‘Wat bedoel je?’

‘Je zegt dat je timmert, waar timmer je dan aan? Je moet toch iets gemaakt hebben in al die tijd?’

‘Laat het los, Io.’

Je kneep je ogen tot spleetjes. ‘Laat het zelf los.’

Enkele maanden later bracht je het tuinhuis nog eens ter sprake. Mama kwam er al lang niet meer, ze had steeds meer moeite om zich te verplaatsen. Je zat in de tuin en las een boek. Ik kwam uit het tuinhuis met een stofdoek.

‘Goed getimmerd?’ vroeg je zonder omkijken. Je wierp je boek op de grond en liep met grote passen naar het tuinhuis.

‘Io, wacht! Stop!’ Ik liep je achterna maar je was al bij de deur en ging naar binnen.

Daar keek je rond, je lippen vormden een strakke lijn. Aan de muur hing gereedschap netjes in zijn in krijt getekende vorm. Op de werktafel stonden potten met vijsjes en moeren. Op de grond lag een hoop zaagsel.

‘Kom Io, kom.’ Ik trok aan je mouw.

‘Is dit het nu? Waarom mag ik dit niet zien?’ Je nam ongeïnteresseerd een schroevendraaier en liet hem in het zaagsel vallen, waardoor het alle kanten op vloog.

Daarna ging je terug naar buiten.

Ik haalde opgelucht adem, mijn blik viel even op de foto in de hoek van de kamer.

Die week hielp je mama uit haar kamer en zette haar in de tuin. Je verzorgde haar opgezwollen voeten. Het water vond overal zijn weg.

‘Kom mama, drink op.’ Je gaf haar medicijnen op het juiste uur. ‘Het is belangrijk dat je ze neemt.’ Ondanks het feit dat mama niet meewerkte, verloor je geen seconde je geduld.

Toen ik ’s avonds naar het tuinhuis ging, zag ik dat je het bordje boven de deur had aangepast. TUINHUIS las ik.

*

‘Dinah!’ riep je door het keukenraam, dat op kiepstand stond. De kat was al twee dagen niet thuisgekomen en je probeerde haar te lokken met rauw spek. Het stukje vlees zwaaide heen en weer en bleef af en toe plakken aan je huid. Zuchtend gooide je het terug in het pakje. Jij at al bijna tien jaar geen vlees meer.

Toen je vijf was, kwam je thuis van een schooluitstap naar de kinderboerderij. Je had een rood kapje op je hoofd en er hing modder aan je schoenen. Je had gehuild. Die middag nam mama je mee naar de boekenwinkel en kochten jullie een boek over vegetarisch eten. Mama leerde falafel maken en ik maakte quiche voortaan zonder zalm. ’s Avonds als je sliep, aten mama en ik worst met walnootstukjes.

‘Dinah komt niet meer terug,’ zuchtte je. ‘Nu weten we eindelijk dat ze hier al die tijd alleen voor mama was.’

Ik zei niets omdat ik dat niet kon ontkennen.

De lak van de rode stoelen in de keuken schilferde. Je pulkte eraan terwijl je wachtte op de koffie die doorstroomde. Je had je haar kort geknipt, het viel stijl langs je hoofd, de punten leken net twee slagtanden.

Je nam je kop koffie mee naar boven, onze tijd samen hield je zo kort mogelijk. Soms kwam ook jij meerdere dagen niet thuis.

*

De storm zou ons oorspronkelijk pas later passeren, maar onverwacht stond hij die nacht al voor de deur. De ramen kletterden in hun voegen, de wind gilde en haalde me zo uit mijn lichte slaap. Het bed was koud, het water in het glas op mijn nachtskastje trilde.

Toen ik beneden kwam, mezelf nog in een trui hijsend, stapte jij al in je regenlaarzen. Je trok de regenjas over je hoofd en opende de deur om naar buiten te gaan. De wind en regen kwamen ongevraagd ons huis binnen. Ik haastte me achter je aan de tuin in. Een berk lag diagonaal over de moestuin. Het einde van zijn takken kon ik niet zien, maar ik wist dat ze in hun val heel wat hadden meegesleurd.

Jij hield je paraplu boven Het Groene Huis. De takken hadden het dak doormidden gebroken en de bijenkast was volledig ondergelopen. Het licht van je zaklamp scheen op het wateroppervlak, waarin honderden bijen ronddreven. Het water stroomde over de rand en zoog de lijkjes met zich mee. Je keek me even kort aan. Er viel niets meer aan te doen.

Het Rode Huis was intact, het was muisstil in het hok. Je liet je hand even rusten op het dak.

Uit de voegen van de planken van Het Gele Huis stroomde water, het dak lekte. Je hief het hoedje van het huis op, gaf het zonder te kijken aan mij door en haalde de bijenwas eruit. De bijen klampten zich vast aan de plaatjes.

‘Rustig maar,’ fluisterde je ze toe. Sommige bijen vlogen de nacht in. ‘Blijf hier,’ smeekte je.

Ik nam de plaatjes van je aan. De wind trok aan mijn jas en blies de bijen van het plaatje. Hun vleugels gingen alle kanten op. Ik werd enkele keren gestoken, de bijen waren ongerust. Iedere keer dat er eentje stak, brak mijn hart. Ook zij zouden in de modder aan onze voeten begraven worden. Je kieperde Het Gele Huis om, zodat al het water eruit liep. We zetten de plaatjes er weer in en droegen het kleine hok zonder te overleggen naar ons huis.

Binnen haalde Het Gele Huis onze woonkamer volledig uit zijn context. Eenzaam op de mat had het iets surrealistisch. Het gezoem leek anders, nu er muren waren waartegen het weerkaatste. Na een tijd kalmeerden de bijen, en alsof ook wij logeetjes waren, sliepen we die nacht in de zetel.

De volgende ochtend controleerden we de plaatjes. Het Gele Huis had bijna geen verliezen geleden.

Met zware voeten gingen we de tuin in, geen van ons had al die tijd iets gezegd. Het Rode Huis, dat enkele uren daarvoor helemaal oké was, lag in stukken op de grond. De wind had het helemaal uit elkaar gerukt. De was lag gebroken op de grond, de bijen hingen er nog aan, dicht op elkaar gepropt. De ongeboren larven waren zichtbaar, opgekruld in aparte cellen. Je verzamelde de was, schudde de bijen eraf die in de kleine waterplasjes verdronken waren. Op twee plaatjes zaten nog een honderdtal bijen die de storm overleefd hadden. Je nam ze mee naar binnen.

In een plas water aan mijn voeten lag de koninginnenbij. Voorzichtig raapte ik haar op.

‘Meisje toch,’ fluisterde ik. Haar pluizige lichaam was opgezwollen van het water, de voelsprieten plakten tegen het bovenlichaam. Haar ogen glommen niet, ik vroeg me af of ze beseft had dat ze stierf.

Het Rode Huis zou een nieuwe moeder moeten kiezen.

Over de auteur

Hasse Steenssens (1994) studeerde af als grafisch ontwerper. Tijdens haar masterjaar aan LUCA, Gent veranderde haar interesse voor vormgeving naar die voor inhoud. Ze volgde het schakelprogramma aan RITCS, Brussel en studeerde af als master (scenario) schrijver in 2020. Ze werkt momenteel als scenarist.

Over de illustrator

Jeroen Vos studeerde Illustratie aan ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Zwolle. Hij maakt illustraties over muzikanten die hij bewondert en houtskoolportretten van vrienden. In beide gevallen probeert hij een licht te schijnen op de persoonlijkheid, de binnenkant van de geportretteerde. Vos heeft o.a. geïllustreerd voor poppodium FLUOR en muzikant Jett Rebel, wat dromerige en droogkomische beelden heeft opgeleverd. Zie ook tekenaarjeroenvos.com.

Lees meer uit de categorie Proza

Jij bent het

Door Emma Stomp

Mijn vrienden dachten dat het niet goed me ging omdat ik alleen nog maar trainingspakken droeg. Ze zeiden dat ik niet goed voor mezelf zorgde nu het uit was met Rolf, dat ik de vrouw weer in mezelf naar boven moest halen. Ik wilde helemaal niets in mezelf naar boven halen, ik wilde vooral in […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper