Proza

De Nieuwe Lichting: Sam Hoeck

Door Sam Hoeck | beeld: Jon Kvassay
4 december 2020

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Sam Hoeck studeerde af aan RITCS met ‘Dit zou het midden kunnen zijn’: een prozaïsch verhaal over een gezin dat langzaam uit elkaar drijft.

Hoe kwam je op het idee voor je afstudeerwerk?
Ik ben begonnen met het schrijven van een verhaal over het noorderlicht. Uiteindelijk is het noorderlicht geschrapt en bleven de personages gewoon thuis. Mijn verhaal is dan ook een intiem familieportret geworden.

Wat is het beste schrijfadvies dat je hebt gekregen tijdens je afleiding? (+ van wie?)
Een schrijfadvies dat ik vaak gebruik, komt van Lize Spit. Zij vertelde me dat schrijven een evenwichtsoefening is tussen actie en beschrijvingen, metaforen en onverbloemde taal, korte en lange zinnen, enzovoort. Daar denk ik vaak aan terug als ik een tekst herlees.
     Het grappigste schrijfadvies (dat eigenlijk niet als schrijfadvies bedoeld was) kwam van mijn promotor Maartje Wortel. Toen een docent van me niet helemaal fan was van mijn hoofdstuk, zei ze: ‘Och, die man heeft gewoon geen gevoel voor het leven.’ Die uitspraak houdt me soms op de been.

Wat is je lievelingsboek of – schrijver en waarom?
Momenteel ben ik het meest thuis in de jongere generatie van Nederlandse schrijfsters. Mijn favorieten in deze categorie zijn Marieke Lucas Rijneveld, Maartje Wortel en Rebekka de Wit. Wat zij als schrijfsters gemeenschappelijk hebben is naïviteit, denk ik.

Wat zijn je ambities op schrijfgebied?
Genoeg tijd nemen en krijgen. 

Fragment uit ‘Dit zou het midden kunnen zijn’

De verminkte flamencodanseres hang ik ondersteboven. Haar linkerarm is afgebroken. In de binnenkant van de envelop staat ‘onderweg verloren’ geschreven. Ik erger mij aan het gebrek aan woorden. Talloze andere magneten hangen aan de koelkast, allemaal afkomstig uit een ander land. Telkens ik de koelkast open, vallen enkele magneten op de grond en hang ik ze weer terug, zodat ze, net zoals mijn moeder, zich steeds opnieuw los kunnen maken.

Wat mij telkens weer opvalt, is het gemak waarmee ze de voordeur achter zich sluit wanneer ze vertrekt. Ze lijkt niet te aarzelen of er onnodig lang over te willen doen. Als kind vroeg ik haar altijd hoelang ze weg zou blijven. Ze spreidde haar armen zover mogelijk uiteen, maar toen wist ik al: haar armen zijn eigenlijk niet lang genoeg.

Door het keukenraam kijk ik de achtertuin in. Vader hurkt op het gras en gromt. Nestor rent op hem af en springt tegen zijn borstkas op. Dramatisch laat vader zich achterovervallen. Zijn armen liggen wijd gespreid op het gazon. Beiden weten dat het een spel is waar ze mee bezig zijn. Zo blijft hij even liggen: op zijn rug met zijn gezicht naar boven gericht. Ik vraag mij af waar hij aan denkt. In mijn pogingen hem beter te begrijpen, doe ik soms alsof mijn vader mijn vader niet is. Dan probeer ik hem te zien als een man die ik nooit eerder zag. Eén keer lukte mij dat, per ongeluk. Een paar jaar geleden zag ik hem op een plek waar ik hem niet meteen verwachtte: de bloemenwinkel. Terwijl ik met mijn fiets voor een rood stoplicht stond, zag ik door de ramen van de bloemenwinkel een man staan met een boeket slaphangende rozen in zijn hand. Mijn ogen gleden van de rozen naar zijn gezicht en toen herkende ik hem pas: mijn vader. Thuisgekomen zocht ik naar de rozen in een vaas met een kaartje geadresseerd aan mijn moeder. Wat ik aantrof waren mijn bloemen van crêpepapier die al jarenlang overleefden op de vensterbank.
     Wanneer hij de keuken binnenkomt, is zijn achterkant doorweekt van het gras. Hij rilt. Ik zet de waterkoker aan. Aan tafel houden we onze koppen thee op dezelfde manier vast: met beide handen lichtjes omsloten. Hij kijkt de achtertuin in, terwijl ik zijn grove poriën bestudeer.
     ‘Wil je niet weten wat er in de envelop zat?’ vraag ik.
     Hij tuurt naar de koelkastdeur. ‘Het Colosseum,’ zegt hij dan.
     ‘Nee, die hangt er echt al jaren.’
     ‘Dat gebouw in Wenen?’ probeert hij. Hij wijst naar de Brandenburger Tor in Berlijn.
     ‘Nee,’ zeg ik zonder hem te verbeteren. Ik twijfel of hij een spel met me speelt. Ik druk mijn handen tegen de kop thee aan tot ze branden. ‘Mis je haar nu?’ vraag ik zo nonchalant mogelijk.
     Zijn blik schiet snel op en neer. ‘Wat?’ vraagt hij.
     Het is een trucje om meer bedenktijd op te eisen: doen alsof je de vraag niet verstaat.
     ‘Dat is moeilijk te zeggen,’ zegt hij.
     ‘Weleens dan?’
     ‘Ja, weleens.’
     ‘En wanneer mis je haar dan?’
     Hij zucht opnieuw. Zijn geheugen lijkt op een huis waarin zijn gemis zoek is geraakt. ‘Op jullie verkeringsdag misschien?’ probeer ik.
     Hij lacht hardop. ‘Geen idee wanneer dat is,’ zegt hij. Hij neemt een grote slok van zijn thee die eigenlijk nog te warm is.

Ik weet dat hij liegt. De dag waarop ik vader met een boeket rozen in zijn handen zag staan, vroeg ik aan moeder of er iemand jarig of overleden was.
     Ze keek me onheilspellend aan. ‘Heeft dit iets met papa te maken?’ vroeg ze.
     ‘Nee,’ zei ik te zacht.
     Ze bleef me strak aankijken.
     ‘Ik zag papa in de bloemenwinkel vandaag,’ verklapte ik toen.
     Hoewel ze haar vreugde probeerde te verbergen, fleurde haar gezicht meteen op. Ze liet de vuile borden in het afwaswater staan en nam een lange douche.

Nu, achteraf bekeken, lijkt het alsof mijn ouders sindsdien goede buren geworden zijn. Ze erkennen elkaars aanwezigheid, gaan korte gesprekken aan, maar laten elkaar vooral met rust. Als ik mijn moeder geen verwachtingen had gegeven die mijn vader niet kon waarmaken, waren ze nu misschien gelukkiger geweest samen.

Ook mijn vader verwijt ik het nog steeds, ervan uitgaande dat hij de rozen nooit afgegeven heeft. Misschien bracht hij ze niet eens naar de kassa, omdat hij zichzelf vanop een afstand bekeek als een belachelijk cliché. Misschien overviel hem de vraag wat hij haar nog te vertellen had bij het zien van het kaartje aan het rozenboeket en kon hij niets meer bedenken. Misschien schreef hij ‘BEDANKT’ in grote blokletters, maar gooide hij het gehele boeket weg omdat hij zijn boodschap niets meer dan een kinderhandschrift vond. Misschien…

‘Ik vertrek naar oma,’ zegt hij. Hij staat op en wandelt de keuken uit. Uit zijn kop thee stijgt nog damp op.
     Ik hoor hem de trap opgaan. Boven mijn hoofd kraakt het parket. Ik gooi zijn theewater de gootsteen in, terwijl Nestor met zijn voorpoten op het raamkozijn naar binnen kijkt. De rode schommel in de achtertuin hangt stil.  Vroeger, telkens als ik zong wanneer ik op de schommel zat, hoorde ik mijn vader het keukenraam op kiepstand zetten. Het was een onuitgesproken afspraak tussen ons twee.

Hij gaat de trap weer af. Vanop de gang roept hij me gedag. De voordeur slaat hard in het slot. Ik haast mij naar de woonkamer die aan de voorzijde van het huis ligt. Nog net zie ik hem te voet de hoek omslaan, richting het tehuis waar oma verblijft. Ik leg mij neer op de bank en spoel mijn vader terug als een videoband. Hij gaat achterwaarts naar binnen, de trap op, trap af, de keuken in, terug aan tafel. Ik pauzeer even bij het zien van zijn handen die de theekop lichtjes omklemmen.

 

Over de auteur

Sam Hoeck (1995) studeerde wijsbegeerte en schrijven. Ze schrijft graag over troosteloze plekken in de winter, delen van het menselijk lichaam en dode dieren. Voor haar eindwerk schreef ze Dit zou het midden kunnen zijn: een prozaïsch verhaal over een gezin dat langzaam uit elkaar drijft. Ze publiceerde in Kluger Hans, DW B en Quichezine, een literair tijdschrijft waarin quiche eindelijk serieus genomen wordt als relevant en literair thema.

Over de illustrator

Jon Kvassay is an artist and designer working in North Eastern Ohio. Jon was born and raised in Los Angeles California and studied at Art Center College of Design. Jon spends most of his time with his wife and dog hiking, jogging and watching TV. See also jonkvassay.com..

Lees meer uit de categorie Proza

Kiepeneuker

Door Vincent Bakkum

Pertti ligt languit op de houten bank onder het keukenraam. Met een lucifertje dat hij van de vensterbank heeft gepakt, poert hij in zijn oor. De televisie belooft sneeuw, nog meer sneeuw. Op de kaart van Finland zitten wolkjes met sterretjes geplakt, boven de Botnische Golf en de Oostzee pijltjes en nummers. Langs het raam […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper