Kort verhaal Proza

De zelfstandige

Door Inge Kielen | beeld: Cenk Gungor
21 december 2020

Vroeger dacht ik dat er zoiets bestond als vrijstaande huizen. Sinds vrijdag weet ik beter: aan de oppervlakte lijken ze zelfvoorzienend, met muren en schuttingen van hun buren gescheiden, maar onder de grond zijn ze verbonden door een onzichtbaar spinnenweb van buizen en kabels. Ik werd de baas van twaalf gasmonteurs. Teamleider, noemde Guido dat.

‘Want de leidingleggers hebben leiding nodig.’ Dat vond hij grappig.

Guido was jong voor zijn functie, nog geen veertig. We zaten in een glazen gespreksruimte en hij schoof een A3 naar me toe. Het was een organogram, een stamboom van het bedrijf met kleurenfoto’s van medewerkers en lijntjes ertussen. Ik wist: als je voor een chef werkt heb je altijd een plek op een kaart, ingebed tussen collega’s, een anoniem radertje in de machinerie. Niet dat ik jaloers was, nee, ik ben trots op mijn zzp-bestaan, mijn website, mijn merk.

Guido wees op de foto van de man die ik verving. Vandaar liepen twaalf lijntjes naar beneden, naar twaalf pasfoto’s. Stuk voor stuk stevige mannen met stevige namen – Henk, Herman, Harry. Allemaal ouder dan ik.

‘De meeste monteurs stonden al in de sleuf toen jij nog in vier vwo zat om Frans te leren.’ Zijn hand bewoog in mijn richting. Ik deinsde terug, maar hij legde hem op tafel. ‘Ik kon een aantal interimmers bellen, met meer ervaring in de gasdistributie en met meer leidinggevende ervaring. Maar ik koos jou. Je bent jong, je bent een vrouw. Dat is goed voor ze.’

Het afgelopen half jaar had ik het uitzicht vanuit mijn keukenraam te goed leren kennen. Te vaak staarde ik naar de auto met de stickers in de vorm van mijn naam die stilstond op de oprit. Ik ruilde mijn Volvo V40 in voor een Toyota Aygo en moest de stickers opnieuw laten drukken, mijn naam werd kleiner. Ik kon me geen feminisme veroorloven.

‘Maar je moet niet over je heen laten lopen.’

Ik liet mijn stem een tactische octaaf zakken. ‘Natuurlijk niet.’

Op zijn laptop liet hij een staafdiagrammetje zien. Steeds meer klanten hadden geen energiecontract, en zolang er toch gas werd gebruikt kostte dat de netbeheerder geld. ‘Omdat jouw team niet voldoende contractlozen afsluit. Ze moeten zich aan het protocol houden, maar smoesjes, altijd smoesjes.’

Met een pennenstreek werden de stevige mannennamen mijn verantwoordelijkheid, nog voor ik een van hen ontmoet had. Mijn team.

 

 

‘Elke kuub telt, snap je. Daarom bepaalt klantcontact of er afgesloten wordt of niet.’ Hij wees op de headsetjongens in een hoek van de kantoortuin. ‘Het is geen leuk werk, dat afsluiten, ze worden bedreigd met honkbalknuppels. Maar ze zijn aangenomen om te sleutelen. Zo is het toch?’

Natuurlijk. ‘Als teamleider,’ zei ik, ‘zal ik zo snel mogelijk een dagje meelopen.’

Hij keek op zijn horloge. ‘Kan nu ook nog. Vraag maar aan Jan-Willem wie van de jongens in de buurt is. Komen ze je wel ophalen. Geloof me, met een uurtje heb je genoeg gezien.’

Ik dacht dat wat ik in Guido’s ogen zag, bewondering was.

Aan de binnenspiegel hingen twee dobbelstenen aan een touwtje. Bij iedere bocht tikten ze tegen elkaar.

‘Welk dier bestaat voor driekwart uit wol?’ vroeg Kees. ‘’t Is geen schaap.’

Zijn handen omklemden het stuur op tien voor twee, alsof hij pas net zijn rijbewijs had. Ik droeg een naar schimmel stinkende werkjas die Kees uit het magazijn had opgediept. Het was maart, maar het voorjaar liet op zich wachten.

‘Een alpaca?’

Hij schudde zijn hoofd, de grijze paardenstaart zwiepte heen en weer.

We stapten uit bij een rijtjeshuis. Ik bleef in Kees’ schaduw. Hij was de vakman, hij belde aan. Een dikke vrouw verscheen in de deuropening en met haar een walm van zweet en kattenstront. Haar blik gleed over onze geeloranje jassen. Ik zag geen honkbalknuppel.

‘De netbeheerder.’ Kees’ stem was even monotoon als zojuist. ‘We komen uw gas afsluiten.’

Ze deed de deur van de meterkast open. ‘Gaat uw gang.’

Ik keek mee, een vlieg op de muur. Met een kapje en een slot vergrendelde hij de gaskraan, overhandigde de vrouw een flyer. Ze knikte en sloot de deur achter ons. Meer dan vijf minuten had het niet gekost.

Pas terug in de bus, de deuren gesloten, durfde ik iets te zeggen. ‘Dat viel mee, toch?’

Hij zette de TomTom aan. ‘De echte wanbetalers veroorzaken nooit problemen. Wat is de volgende?’

‘Zonnewende 14. Hoe bedoel je, échte wanbetalers?’

‘De meeste contractlozen zijn geen wanbetalers.’ Zijn frons zei: dat weet jij toch ook wel? Oké. Ik was de teamleider, natuurlijk wist ik hoe het zat met contractlozen en aansluitleidingen en energieleveranciers en honkbalknuppels.

‘Een teddybeer,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Een dier dat voor driekwart uit wol bestaat.’

‘O! Nee, geen teddybeer.’

Een stenen poort leidde naar wat vroeger de binnenplaats van een klooster of een weeshuis was geweest. Nu was het een parkeerplaats, omringd door hoge, uit rode baksteen opgetrokken muren. Achter alle ramen hing dezelfde witte vitrage.

Kees draaide de bus een parkeervak op. ‘Aanleunwoningen.’

Boven de ingang stond met zwarte plakletters Wooncentrum Zonnewende. Kees stapte recht op de receptiebalie af. Een vrouw wierp ons een professionele glimlach toe.

‘Goeiemorgen. We komen voor nummer 14. De sleutel van de meterkast, alstublieft.’

De receptioniste presenteerde ons een klaviersleutel met een plastic label eraan. Met reflecterende strepen op je jas kom je overal binnen.

Onze voetstappen galmden door de kale ruimte. Naast elke voordeur hing een roestvrijstalen kastje. Meterkastjes.

‘Kijk dan, we hoeven niet eens aan te bellen!’ Mijn stem echode door de hal. Ik ben oplossingsgericht, het staat op mijn website. Toch schaamde ik me voor mijn stemvolume.

Kees hield halt en keek me strak aan. ‘Het is protocol om eerst medewerking te verzoeken van de bewoner.’ Alsof hij iets citeerde. Een protocol dat ik kende, natuurlijk. ‘We moeten ons aan de regels houden. Of denk je daar anders over?’

Nee, nee, het protocol, dat is belangrijk. Hij belde aan. Stilte, godzijdank, niemand thuis. Kees had de meterkast al open toen de voordeur op een kier sprong. Een vrouw van zeker tachtig gluurde naar buiten. Om haar hoofd droeg ze een rode sjaal.

‘De netbeheerder,’ zei Kees. ‘We komen uw gas afsluiten.’

De vrouw opende haar mond. Het duurde even voor de woorden kwamen. ‘Nee. Nee, nee. Mijn zoon heeft alles geregeld.’

‘Blijkbaar niet.’

‘Nee, nee!’ Ze waggelde terug naar binnen en liet de deur openstaan.

Kees wierp een blik op mij. ‘Gebeurt vaker. Zoonlief denkt dat moeders veilig zit in zo’n centrum en dan vergeten ze de energie te regelen.’

De vrouw kwam terug met een huistelefoon in haar hand. Ze stak hem voor zich uit, maar Kees haalde een flyer uit zijn gereedschapsbak en wees op het nummer van klantcontact.

‘U moet hen bellen.’ Hij sprak nog altijd even monotoon. ‘Ik mag van mijn baas niks besluiten. Ik ben alleen aangenomen om te sleutelen.’

De vrouw zette de telefoon aan haar eigen oor. ‘Hij zegt dat je moet bellen.’

‘Laat ze wachten,’ klonk een mannenstem uit de hoorn, en daarna iets wat ik niet verstond.

‘Hij is er over een uur,’ zei de vrouw tegen ons.

‘Doen of niet?’ vroeg Kees op gedempte toon. Hij had kap en slot al in zijn hand.

Het was een vraag. Geen retorische vraag, maar een waarop twee antwoorden mogelijk zijn. Hij zou het niet gevraagd hebben als een van beide opties onmogelijk was, als het overschreed wat als betamelijk of zakelijk acceptabel gezien werd. De meeste contractlozen zijn geen wanbetalers. Ja, ze was oud. De huid op haar armen leek op de gedroogde appelringen die ik vroeger kocht bij de Ekoplaza, toen ik daar nog geld voor had. Kees keek me recht aan, zijn paardenstaart hing stil. Waarom vroeg hij het aan mij? Hij moest honderden van zulke beslissingen op eigen houtje genomen hebben. Maar ik had een opdracht. Ik zag het uitzicht dat ik uit mijn keukenraam had op mijn voortuin en de stilstaande Aygo. Omdat ik de teamleider was. Je moet niet over je heen laten lopen, had Guido gezegd. Elke kuub telt.

‘Doen,’ zei ik.

Kees draaide de gaskraan dicht, plaatste het kapje en het slot.

‘Ze sluiten me af! Ze hebben me afgesloten!’

Kees pakte een pen uit zijn binnenzak en omcirkelde het telefoonnummer van klantcontact. ‘Ze zijn vandaag nog tot vier uur bereikbaar.’

Hij drukte de flyer in de handen van de vrouw, sloot de meterkast af en draaide zich om. Ik wilde rennen, de gang door, weg van hier, maar Kees liep even rustig terug als hij gekomen was en ik moest naast hem blijven lopen, ik was een professional, ik was even koelbloedig als hij, sterker nog, ik was zijn teamleider. Hij gaf de sleutel terug aan de receptioniste. Diezelfde professionele glimlach, alsof alles normaal was, alsof iedereen op de hoogte was van het protocol. Ik draaide mijn rug naar de receptie als een winkeldief die weet waar de beveiligingscamera’s hangen. Eindelijk, terug in de bus. Mijn hart ging tekeer. Kom, ik moest me voldaan voelen. Ik liet niet over me heen lopen.

Kees boog zich naar de TomTom. ‘Wat is de volgende?’

Ik aarzelde. Zou de vrouw de rode sjaal om haar hoofd dragen voor de warmte, of had de doek een religieuze functie? Ze leek op Roodkapje. En toen wist ik het.

‘Het is een wolf. Het dier dat voor driekwart uit wol bestaat.’

Kees grinnikte. ‘Je bent slimmer dan je eruitziet.’

Een schaterlach barstte uit mijn mond. De dijk brak. De wereld was normaal, godzijdank, we waren een team, Kees en ik, de lijntjes in het organogram betekenden niets, we konden elkaar plagen, hij was niet boos. We hadden het goed gedaan, Guido zou tevreden zijn.

‘Als ik ploegleider was,’ zei hij toen ik gekalmeerd was, ‘had ik het nooit gedaan.’

Ik keek uit het raam. Sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden, smolten op de klinkers en liepen als regenwater langs de straat.

‘Laten we terug naar kantoor gaan,’ zei ik.

Kantoor. Ik probeerde te schatten hoe ver het nog was, maar ik kende Helmond niet goed genoeg. Kees wist de weg uit zijn hoofd, de TomTom stond uit.

‘Mijn moeder woont ook in zo’n complex,’ zei hij. ‘Ze is zevenentachtig.’

Mijn maag verkrampte. Het kon nooit meer dan tien minuten zijn. Dan zou ik Kees een fijne avond wensen en de koude monteursbus inruilen voor mijn vertrouwde Aygootje met de bestickering van mijn eenmanszaak, mijn naam, mijn website. Met een halfuur was ik thuis, dan was het weekend, dan was ik geen teamleider meer. Van de klus die weekend heette kende ik alle protocollen. We zwegen tot hij de bus naast de Aygo parkeerde. Hij vroeg de werkjas niet terug.

De natte sneeuw ging over in motregen, de motregen ging over in een stortbui.  De ruitenwissers zwaaiden op volle snelheid heen en weer en ik tuurde tussen de druppels door naar het asfalt. Het scherm van mijn iPhone lichtte op, hangend in de houder op het dashboard. Ik nam het gesprek aan zonder te kijken of ik het nummer kende.

‘Hallo?’ zei ik tegen de regen.

‘Hallo?’ echode een mannenstem.

Ik pijnigde mijn hersenen, maar er schoot me geen naam of gezicht te binnen. Dat hoort bij het zzp-bestaan: je ontmoet meer mensen dan je kunt onthouden.

‘Hoe haalt u het in uw hoofd om een vrouw van negenenzeventig in de kou te zetten?’

Mijn vingers knepen in het stuur. De zoon van Roodkapje. We hadden ‘tot maandag’ gezegd, Kees en ik, de werkdag was voorbij.

‘U had klantcontact moeten bellen. Daarvoor was de flyer.’

‘Daar neemt niemand op.’

Ik wierp een blik op de klok op het dashboard. Half vijf.

‘Dus bel ik het storingsnummer, en die kerel geeft me dit nummer. Zegt dat u de baas bent van die klootzak.’

‘O ja?’ Koortsachtig zocht ik naar de juiste antwoorden. Het protocol. Mijn foto stond niet in het organogram, er liep geen lijntje van mijn hoofd naar dat van Kees. Ik speelde maar een tijdelijke rol. Ik had de telefoon moeten negeren. Zo deden de collega’s van klantcontact het ook: de werktijd zat erop, de voorstelling was afgelopen.

‘U moet die monteur terugsturen. Nu meteen.’

‘Dat mag ik niet besluiten,’ zei ik, Kees’ woorden herhalend.

‘Bullshit! Dan wil ik je baas spreken. Hoe heet je?’

Ik keek naar de beweging van de ruitenwissers. Heen en weer. Heen en weer. Nog een paar kilometer, dan was ik thuis. Alsof dat iets uitmaakte. Ik zat met kabels en leidingen aan deze man vast, aan Guido, aan Kees, aan de bejaarde vrouw.

‘Hoe heet je?’

Ik liet zijn scheldwoorden neerslaan als de regen op mijn voorruit. Mijn naam is mijn merk, het staat op de stickers. Ik heb een visitekaartje, een website, een btw-nummer. Je moet de actrice niet veroordelen voor de daden van het personage.

‘Je hebt geen hart!’

Ik drukte het gesprek weg en hapte naar adem. Nu ging de telefoon weer, hetzelfde nummer. Laat het ophouden. Laat me met rust. Ik stuurde de Aygo mijn eigen straat in, parkeerde op de oprit, haalde de iPhone uit de houder en blokkeerde het nummer. Bel het storingsmeldpunt maar. Stuur de storingsdienst, of bel Guido, roep desnoods de crisisorganisatie bijeen. De oude vrouw overleeft het wel, klantcontact zou haar en haar zoon bloemen sturen en hun excuses aanbieden voor de overijverige, naamloze teamleider waar sindsdien niets meer van was gehoord. Ik keek naar de gele en oranje strepen op de mouwen van mijn werkjas. Ik stapte uit de auto, trok de jas uit en smeet hem in de kliko. De regendruppels priemden in mijn gezicht en armen. De regen moest de stickers schoonspoelen.

Over de auteur

In haar werk combineert Inge Kielen (1988) haar gevoel voor taal en literatuur met een wetenschappelijke kijk op het leven. Ze studeerde deeltjesfysica en werkt in het dagelijks leven aan het elektriciteitsnet, maar stond ook op poetry slams, deed op tv mee aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal en studeert momenteel proza aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.

Over de illustrator

Cenk Gungor is een illustrator en striptekenaar uit Istanbul, momenteel woonachtig in Amsterdam. Vind zijn werk op cenkgungor.com of @gungorcenk.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

Nighthawks

Door Anna Dijk

Het is alsof we in een duikboot zitten, denkt Diana, een duikboot in de nacht. De lampen van het café schijnen door de grote ramen naar buiten en verlichten de stoep. Buiten het licht kan ze niets zien behalve een paar straatlantaarns in de verte. Tekenen dat ze niet het enige leven zijn.       Diana deelt […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper