Kort verhaal Proza

Ghriebuie

Door Jochem F. Melis | beeld: Noa Zuidervaart
31 januari 2021

Eindelijk trilt mijn telefoon, driemaal. Mijn vader en mijn broer, beiden met een ‘zevendertig! gefeliciteerd!’ en een rits feestsmileys, en een bericht van Julian. ‘Peet, ik ben papa geworden!’ Jongen of meisje staat er niet, maar ik kan me Julian niet anders voorstellen dan met het zoontje dat hij al zo lang wilde.
   Ik delete zijn bericht, lees de felicitaties terug en loop naar huis door de uitgedroogde bossen. Al het groen is bruin. Er woeden zelfs branden rondom Tsjernobyl, iets ten zuiden van hier. Het stralingsniveau is door het vuur vertienvoudigd, maar ach, de kans dat er nog iets misvormds uit mij groeit is toch nihil.

 

Het is stervenskoud in mijn huisje en ik besluit hout te hakken voor de houtoven.
   Ik voel me elke keer weer bespottelijk met deze bijl en stel me voor hoe iemand me gadeslaat en zich afvraagt wat deze vrouw bezielt hierheen te komen om hout te hakken, zichzelf te wassen in een tobbe en te komen kakken in een uit spinrag opgetrokken buiten-wc, terwijl ze in Nederland van alle gemakken voorzien is.
   Ik moest wel, beantwoord ik mijn gluurder, als creatieve theaterduizendpoot verdampte met de lockdown al mijn werk. Thuiszitten kan ik niet, mijn huis is een bende.
   ‘Maar waarom dan Belarus?’ zeurt hij door.
   Het antwoord – dat ik in de rust van de lentenatuur aan een project kom werken in het enige land in Europa zonder lockdown – komt me inmiddels voor als een grap. Het was een impuls, een gedachtekronkel gevormd door een nieuw normaal. Met een goedgemikte tik splijt ik het laatste stammetje in tweeën.

Het vuur brandt. Op mijn laptop scrol ik nogmaals door mijn plan heen, of liever mijn verzamelde brainstormsessies.  Het is een briljante rotzooi: een festival, een toneelstuk en een concept voor een creatieve ruimte ineen, in pandemische tijden allemaal even waardeloos.
   Mijn telefoon trilt. Een flard van een signaal is mijn huisje binnengedrongen. Julian. ‘En natuurlijk gefeliciteerd met je zevenendertigste, ook van Anouk xx’.
   Dat weten we ook weer, verder met het plan. Concentratie. Ik delete een heel stuk zonder het gelezen te hebben en maak de actie ongedaan. Doe Petra ook de groeten van mij! Ik hoor het haar al zeggen, nog uitpuffend in het kraambed. Over een week staat er natuurlijk een foto op Instagram waarop ze dat petieterige lichaam alweer terug heeft nadat ze die kanonskogel heeft uitgepoept. Papa Julian zit op de achtergrond een boek te lezen, de titel weinig subtiel naar de camera gedraaid. Wat is hij toch interessant. Alles wat hij sproeit slikt ze als een dankbaar vogeltje door.
   Ik merk dat ik verwoed aan het backspacen ben geslagen en sla het scherm met een klap dicht. Eerst maar een kop thee zetten, even mediteren en dan opnieuw proberen.

Even later staat er een dampende kop voor me, de houtoven knispert huiselijk, mijn laptop en ogen zijn gesloten. Vijf minuten lang denk ik aan niets anders dan mijn ademhaling. Geen Julian, geen Anouk, geen kinderen, geen stress, geen keuzes, afwijzingen, mislukkingen, paniek, woede of verdriet, geen leeftijd, toekomst, heden of verleden. Enkel adem.

Als ik mijn ogen open staat er een figuur voor het raam. Ik schrik zo dat ik niet eens kan schreeuwen. De deur zwaait open en er stapt een oude man mijn huisje binnen. Hij draagt kaplaarzen en een gigantische camouflagejas.
   ‘Dobruh Djèn,’ zegt hij, zijn groezelige hand uitstekend. Verbouwereerd neem ik die aan. Al zo gewend aan de anderhalvemetersamenleving weet ik niet zeker wat mij meer overrompelt, zijn plotselinge verschijnen of het handen schudden. Hij begint met veel gebaren een verhaal te vertellen.
   ‘Njèt Roesies,’ onderbreek ik hem in de hoop dat dat ergens op slaat. ‘Njèt speak Roesies!’ en ik wijs naar mijn mond.       ‘English?’
   De man schudt verbaasd zijn hoofd. ‘Otkoeda tie,’ zegt hij.
   Ik haal mijn schouders op.
   ‘Otkoeda tie?’ herhaalt hij en hij doet alsof hij iets bestuurt.
   ‘Een auto?’
   Hij doet met zijn hand een opstijgend vliegtuig na en sputtert  erbij.
   ‘From Holland?’ raad ik.
   ‘Gollandia? Niederlandie!’
   ‘Da, Niederlandie!’ roep ik uit, blij samen iets bereikt te hebben. ‘What you want here?’ vraag ik hem in het kinderengels dat ik automatisch spreek in landen waar men alleen zijn eigen taal kent.
   ‘Iez Niederlandov,’ knikt hij, net als ik overdreven articulerend, ‘oe menja ghriebuie.’ Hij haalt zijn wenkbrauwen tweemaal op als een marktkoopman die heimelijk iets aanprijst.
   ‘Wat?’
   ‘Ghrie…buie.’ Uit een diepe zak van zijn veel te grote jas schept hij een handvol inktzwarte paddenstoelen.
   ‘Ghriebuie?’
   ‘Da, ghriebuie!’ Hij maakte een weids gebaar waaruit ik afleid dat deze ghriebuie in de buurt geplukt zijn en alsof hiermee alles verklaard is, loopt hij op het fornuis af, pakt een pan en begint de paddenstoelen te wassen. Verstomd kijk ik toe hoe hij een zwart drabje afgiet in een teiltje en vers water bij de paddenstoelen schenkt.
   ‘Ho, ho,’ zeg ik, ‘very busy here!’
   Hij blijft stoïcijns doorwassen, ververst het water nogmaals en zet de pan op het kookstelletje. ‘Odin,’ zegt hij en hij steekt een vinger de lucht in. ‘Odin.’
   ‘Odin?’ en kort schiet het door me heen dat ze in deze bossen nog heidense goden aanbidden.
Hij wijst naar zijn pols en draait met zijn vinger een rondje over een denkbeeldige wijzerplaat. ‘Odin tjas.’
   ‘Een uur!’ roep ik uit.
   Hij knikt, haalt een mesje uit een broekzak en plukt uit een binnenzak wat modderige groente, die hij begint te wassen en te snijden.
   Ik sta nog steeds bij de deur zonder een idee wat ik met de situatie aan moet, maar hij slaat geen acht op me en gaat op in het bereiden van de maaltijd. Ik heb dit te accepteren.
   De manier waarop hij kookt, zorgvuldig en beheerst, doet me denken aan mijn opa. Deze man had zo een broer van hem kunnen zijn. Zijn behaarde oren hangen even slap langs zijn wangen en ook het jaloersmakende geduld in zijn bewegingen, terwijl er in zijn ogen een vrolijk vuur brandt, is gelijk. Maar vooral de geur brengt mijn opa weer tot leven, een zweterig, niet onprettig zuurtje, vermengd met koude aarde en radijs.
   ‘Petra,’ zeg ik, naar mijzelf wijzend. ‘Petra.’
   ‘Pasha,’ zegt hij, zonder om te kijken.
   Meer valt er niet te zeggen en na een paar minuten vertwijfeld ronddrentelen, probeer ik met een schuin oog op Pasha en zijn pruttelende paddenstoelen toch maar te werken.

Hoe bevreemdend dit ook is, bedreigend is het niet. Ik kan me wel voorstellen dat als je na de donkere winter rook uit een schoorsteen ziet komen je even gaat buurten.
   Werken lukt natuurlijk voor geen meter. Ik pak mijn telefoon en word er voor de duizendste maal aan herinnerd dat ik voor een signaal twee kilometer moet lopen. Dat Julians bericht toch naar binnen is geslopen is zo typisch. Hij is net een houtworm, altijd hoor ik hem knagen met zijn boekenwijsheden en zijn literaire vergelijkingen.
   Meteen komt dat gesprek weer bovendrijven, waarin hij zei dat mijn carrière hem deed denken aan dat gedicht van Robert Frost, ‘The Road Not Taken’. In plaats van één weg te kiezen, zou ik volgens hem beide wegen proberen om alsmaar halverwege om te keren. In mijn belevenis een vernietigend oordeel, hij bracht het als een achteloze observatie.
   Als Pasha niet in de keuken had gestaan had ik met mijn vuist op tafel geslagen. Zelfs in de middle of nowhere komt Julian me nog stangen. Mijn hele plan is door dat Robert Frost-gedoe meteen waardeloos verklaard. Alweer zo’n zijstap, een verspilling van tijd, zoals alles dat bij mij is. In plaats van zoals hij iets van het leven probeert te maken, zit ik in een boshuis in Belarus met een opa die niet de mijne is te wachten tot de paddenstoelen gaar zijn.
   Ik merk dat ik gefixeerd naar Pasha’s handen zit te staren. De beheerste bewegingen tarten me, ik kan naar niets anders kijken, zit verankerd in mijn stoel als in een verlammingsdroom. De handen pakken het zout. Als een nijptang grijpen duim en wijsvinger een snufje. Ze laten het boven de pan los en verdwijnen in een vuist waar een pink uit tevoorschijn komt. De pink dipt in de pan en verdwijnt in de mond. De handen strekken zich uit. Ze dragen vieze nagels en harige knokkels. De polsen zijn dun, de duimen als eeltige grote tenen.
   Dan zweven de handen mijn richting op en zetten een bordje prut voor me neer. Ze gaan weer op in de man, die tegenover me plaatsneemt, peper en zout over zijn portie heen schudt, iets zegt dat op bon appétit lijkt en de grijze pulp vol klontjes naar binnen lepelt als was het chocoladevla.
   Het moet maar. Ik schud er peper en zout op, sluit mijn ogen en neem een hap. Een smaak zo rijk als een kruidige bouillon en vlezige stukjes met een textuur zacht als rosé gebakken zalm, het is verrukkelijk. Verbaasd kijk ik op en ik ontmoet zijn pretoogjes. Ik begin spontaan te janken.

‘Djèvotsjka, djèvotsjka!’ roept hij uit. 
   ‘I’m sorry, I’m sorry.’
   Hij legt zijn handen open op tafel. Ik leg de mijne erin en in vloeiend koeterwaals snotter ik er een hele verklaring uit. Ik weet hem zelfs duidelijk te maken dat ik vandaag jarig ben.
   ‘Djèvotsjka, djèvotsjka,’ zegt hij, ditmaal met de glimlach van lieve opa’s en terwijl hij mijn handen met zijn duimen omsluit, zegt hij me iets op de toon van wijze woorden.
   ‘Da,’ zeg ik pathetisch, ‘da.’
   Hij laat mijn handen los en uit een binnenzak haalt hij een fles heldere drank. Uit een ander zakje grist hij twee borrelglaasjes, die hij tot de rand volschenkt. ‘Nazdoroviejè.’
   ‘Nazdoroviejè. We gieten het brandende goedje naar binnen. De tranen worden gesmoord en in stilte en met smaak eten we zijn ghriebuie op.
   De man schenkt nogmaals in, slaat het naar achteren en zegt: ‘Do swiedanja.’ De fles zet hij met een knipoog op tafel neer en even plotseling als hij gekomen was, verdwijnt hij weer.

Ik gooi wat blokken in de houtoven en bekijk hoe de vlammen de schoorsteen in kruipen. Mijn laptop staat dichtgeklapt op tafel.
   Als het begint te schemeren besluit ik een wandeling te maken. Ik schiet mijn bergschoenen aan, zet om het huis in het donker niet te missen een olielamp voor de deur neer en vertrek.
   Het is koud geworden. De ondergaande zon kleurt de bomen donkerblauw. Ik loop over een wildpad dat tussen vennetjes doorsluipt. Elk knakkend takje is hoorbaar. Als het begint te sneeuwen keer ik om. Het donker valt, ik versnel mijn pas. Door de bomen heen schijnt de gloed van de lamp.
   Voor de deur staat een eland met haar kalf. We staan nog vijf meter van elkaar vandaan. In het licht van de olielamp werpen hun lichamen een monsterlijke schaduw met acht spinnenpoten op de bomen. De moederkoe houdt me in het oog en stapt over haar kind heen. Ze gromt, ik stap naar achteren. Ze spiegelt mijn beweging, haar blik strak op me gericht. Het lijkt een impasse, waarin onze ademhaling steeds zwaarder wordt, tot de moeder zich omdraait, het kalf met haar neus aanspoort en het bos in draaft. Het doffe geluid van hun voetstappen sterft plots weg. De stilte is totaal.

Over de auteur

Jochem F. Melis (1987) studeerde filosofie, is amateurwielrenner en regisseert en schrijft bij Theatergroep Waan, die hij in 2013 oprichtte. Momenteel woont hij in Belarus waar hij werkt aan zijn debuutroman om af te studeren aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Eerder publiceerde hij het korte verhaal “Miezer” in literair tijdschrift Extaze.

Over de illustrator

Noa Zuidervaart (1999) is een kunstenaar gevestigd in Zwolle. Met fragiele lijnen in combinatie met gradients, screentones en pixelachtige afbeeldingen schetst hij droomachtige taferelen. Voor meer van zijn werk zie noazuidervaart.nl.

Lees meer uit de categorie Kort verhaal Proza

De Nieuwe Lichting: Christiaan Lomans

Door Christiaan Lomans

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Op deze zonnige herfstdag stellen wij aan u voor: Christiaan Lomans, pas afgestudeerd aan Creative Writing Artez. Hoe ben je […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper