Proza

Die blou rivier

Door Frans Kingma | beeld: Bjorn Nelissen
1 maart 2021

Zijn duim gleed over het snijvlak van het mes. Zo bot als een baksteen, en dat in zo’n chic hotel… Blijkbaar mocht niemand gevaar lopen in de ontbijtzaal.
   Voor het eerst was hij in Europa, in de hoofdstad van Oostenrijk, het land van zijn voorvaderen. Hij was bekend met hun emigrantenverhalen, de belevenissen en wat er van hen terecht was gekomen, de skaapskeerders van vroeger.
   Hij had slecht geslapen, voelde zich ellendig. Het was niet het hotelbed of de lange vliegreis geweest, het was zijn lijf. In zijn onderbuik zat een skerpioen die er met zijn korte pootjes rondtrippelde en gif spoot. Hij had twee pillen uit een strip genomen, dat was voor de ochtend voldoende om het geleedpotige misbaksel te kalmeren.
   Behoedzaam draaide hij zijn camera in de richting van de jonge vrouw voor wie hij was gekomen en drukte af. De opname ging naar de cloud, naar zijn archief waar nog voldoende plek was.
   Ze was vijfentwintig en zat zorgeloos aan het ontbijt… Ze had zijn dochter kunnen zijn.
   Gisteren had hij haar even aangesproken, ze stonden samen in de rij voor de balie. Ze droeg een gewatteerde jas waarvan aan de zijkant een veertje naar buiten stak. Door de brede capuchon had ze hem nauwelijks aangekeken, maar hij had haar herkend. Toen ze het paspoort aan de hotelreceptionist overhandigde, wist hij het zeker. Suomi.
   Haar moeder kwam ook uit Finland. Die was ook lang en elegant, maar uitdagender en heel erg eigenzinnig.
   Door het raam keek hij naar buiten. Nee, haar moeder was hij niet vergeten…
   Een fietser passeerde. Zo’n rijwiel had iets anarchistisch, je was vrij en je kon onbegaanbare wegen volgen. Je kon ermee ontsnappen… En de herinnering aan de scène met de moeder kwam weer scherp naar voren.
   Het landschap zinderde, hij rende. Weg, ze moesten weg. De aanslag was mislukt! Uit de struiken sleurde hij zijn fiets en sprong erop. Hij wilde trappen, maar dat ging niet. Het was absurd! Er zat geen ketting om…
   Het rijwiel had hij neergegooid. Hij schreeuwde. Hij zag dat ze achteromkeek, dat haar voeten stopten op de pedalen.
   Hij zwaaide. Ze kon toch begrijpen wat hij wilde… Ze moest hem helpen! Het leek een eeuwigheid, maar haar aarzeling duurde een fractie van een seconde. Daarna maakte ze vaart en liet hem achter bij de kerncentrale van Koeberg.

Hij brak een stuk van zijn toast, maar had geen trek.
   Thuis had hij zich voorbereid, zijn presentatie was klaar, ingezonden en geaccepteerd. Bovendien had hij zich verdiept in de andere toespraken en heel specifiek in die van haar. Hij kende de jonge Finse nu goed genoeg.
   Ze stond op van haar ontbijttafel en trok behendig een gevlekt jack over de schouders. Komisch, met die vlekken op haar rug leek ze een giraf, een kameelperde.
   Hij legde zijn servet neer en wachtte. Niet te snel, rustig blijven… Daarna stond ook hij op en vertrok.
   Bij de entree was ze niet te zien. Alleen enkele hotelmedewerkers. Hoe kon ze zo plotseling verdwenen zijn? Onmogelijk om hier te ontsnappen… De lift wellicht… Hij drukte op de knop en de deuren schoven open. Daar stond ze en verontschuldigend hield ze haar pasje op: ‘Doesn’t work.’
   Hij zei: ‘Laten we het mijne proberen.’
   Voorzichtig schoof hij zijn kaartje door de gleuf en drukte op de zesde verdieping. De lift vertrok.
   Zij maakte geen aanstalten om op een andere knop te drukken. Dat voldeed aan zijn verwachting. Voor de deelnemers aan het symposium had de IAEA de hele zijvleugel gereserveerd. Hij vroeg: ‘U neemt ook deel aan de bijeenkomst van het Atoomagentschap?’
   Ze draaide zich naar hem om en antwoordde dat ze geoloog was en op het eiland Olkiluoto werkte.
   Haar ogen in dit kunstlicht… Zo identiek aan die van de moeder, dat akelige blauw… De eerste gedachte die door hem heen flitste: maak er een eind aan! Hier, in deze kleine ruimte, knijp haar keel dicht.
   Ze leek onwaarschijnlijk veel op haar moeder. De vrouw met wie hij ooit in achterafkamertjes had gezeten, omgeven door de rook van hasj en sigaretten. Toen waren er plannen en dwingende woorden. Haar vingers lagen op zijn arm… Het zou werken, het kon niet misgaan, ze wist het zeker. Zij zou zorgen voor de explosieven.
   Dat was lang geleden… Gevolgd door jaren achter de tralies, waar hij moest vechten voor frisse lucht om aan de stank in de overvolle cel te ontkomen. Voortdurend gebrek aan water, loerende blikken en intimiderende verhoren. De klappen en de mishandelingen. Daarna geen werk, geen geld. Hij was uit Johannesburg weggetrapt als een schurftige rot. Alles haar schuld. Alleen nog met dieren mocht hij omgaan.
   Ze stapten uit de lift en liepen samen over het gangpad. Hij legde uit dat hij een natuurorganisatie vertegenwoordigde die tegen radio-ecologische experimenten in het Krugerpark was. Zij keek hem welwillend aan en vertelde dat ze was uitgenodigd om toelichting te geven over de ondergrondse opslag van nucleair afval.
   Vluchtig had ze zijn kleding bekeken. Hij merkte de taxatie. Ze bleef vriendelijk. Was hij goedgekeurd?
   ‘We zouden vandaag de stad in kunnen gaan,’ zei hij; ‘Ik ken Wenen. Laat mij uw gids zijn.’

Ze opende de deur. ‘U bent vroeg. Ik ben nog niet klaar.’
   ‘Ik wacht beneden.’
   Hij daalde de trappen af. Langzaam. Hij was tevreden. Ze ging mee, dat maakte het gemakkelijk.
   In de lounge waren vitrines en in een ervan hing een buks, een oude Springfield. Een betrouwbaar vuurwapen. Je moest aanleggen en stabiel houden. Wachten op gekraak in de struiken. De spanning hield je scherp en een kleine vingerbeweging was voldoende. Krak! De dreiging was geweken, ’n dooie leeu.
   Wachten vormde voor hem geen probleem.
   Na een kwartier arriveerde ze: ‘Meri-Tuuli,’ zei ze. ‘U mag mij Mary noemen.’
   ‘Mijn naam is Ross.’
   Hij stelde voor om een mooie route te nemen naar de Donau. Ze verlieten de hoofdstraat en gingen rechtsaf. Er was een poort naar een binnenplaats, hij maakte een foto, verderop was weer een poort.
   Hij vertelde dat hij op groot wild had gejaagd: ‘Ik leidde tochten om buffels en olifanten te schieten.’
   Dat vond ze raar. Hij werkte toch voor de natuurbescherming?
   De deelnemers waren mannen die geen bijdrage meer leverden aan de samenleving, Amerikanen met geld, managers met thuisproblemen, politici zonder status. Zelf vuurde hij mee om te voorkomen dat ze misten. ‘Er wordt alleen op oude mannetjes geschoten.’
   Dat vond ze grappig.
   ‘Die kunnen niets meer.’
   Ze lieten autobussen passeren en wandelden verder. Na enige tijd zagen ze een paleis in blauwe kleuren, het slot van keizerin Sissi.
   ‘Daar hoef ik niet naar toe.’
   ‘Ik dacht dat vrouwen dat prachtig zouden vinden…’
   Ze keek hem aan. ‘Bent u getrouwd?’
   ‘Pas op!’
   Hij trok aan haar mouw. Een windvlaag ging voorbij. Een jongen op een motorfiets scheurde rakelings langs. Ze zei iets, maar haar woorden verdwenen in de loeiende sirene van een politieauto. Weg. Hier wilde ze niet blijven. Hij stelde voor: ‘We gaan naar de winkelpromenade.’
   Hij was verbaasd over zijn reflex. Waarom had hij haar terzijde getrokken? Als hij haar had laten staan, was ze aangereden. Ze zou beschadigd zijn, languit over het trottoir met een gezicht vol bloedsporen. Dat was toch wat hij wilde
   Nee, dat was niet de bedoeling. Het moest geen ongeluk zijn. Hij wilde het plannen. Haar moeder moest worden geïnformeerd. Geduldig blijven…
   Voor een modezaak bekeek de jonge Finse aandachtig een mosgroen jurkje. Hij zuchtte onhoorbaar en vroeg zich af of zij een vrouw was voor een feestje.
   Onverhoeds keek ze hem aan. ‘Wilt u mij niet iedere keer fotograferen?’
   Een vervolg bleef achterwege, haar telefoon ging over en ze draaide zich van hem af. Na afloop meldde ze kort: ‘Het was mijn moeder. Ze vroeg hoe warm het hier was. Bij ons vriest het vijf graden.’
   Hij wachtte even en zei toen dat hij haar moeder kende. ‘Doe haar de groeten.’
   Verwonderd staarde ze hem aan.

Ze zaten op de bovenverdieping van een konditorei en keken uit over een brede marktplaats. Hij had zich voorgenomen niets te vertellen. Mary hoefde niets te weten. Haar moeder moest het weten… en die zou het weten. Dat had hij geregeld. Voor haar waren de scans van het mislukte plan. De krantenknipsels van haar laffe vlucht, zijn straf, de wanhoop en de littekens… Alles stond in de cloud, in die blou lug.
   De foto’s van deze laatste dag werden eraan toegevoegd. Hij zou ervoor zorgen dat moeder toegang kreeg. De inlogcodes stonden gereed om te worden verstuurd.
   Een kelner arriveerde met de bestelling, heet water en diverse smaken thee. Een etagère met zoetigheid volgde.
   De gewatteerde jas had ze uitgetrokken en lag over de rugleuning van de stoel.
   ‘Heeft u kinderen?’
   Hij glimlachte om haar vraag. Nee, maar hij wist nog hoe het was om kind te zijn. De jeugdjaren bij zijn grootouders, de boeren met skape en hun bedrevenheid om met deze dieren te fokken. Op zondagen haalde grootmoeder massieve grammofoonplaten tevoorschijn. Die schöne blaue Donau, hij kon zich de melodie herinneren.
   Er kwamen berichtjes binnen.
   ‘Moeder schrijft dat ze geen Ros kent.’
   Ach ja, hij had zich correct moeten voorstellen. Zijn naam was Steve Ross. ‘Misschien is het beter om Steve Bike te noteren. Dat zal haar vast wel wat zeggen.’
   Ze tikte verder.
   De tafeltjes om hen heen bleven onbezet. De meeste bezoekers zaten in de benedenzaal. Hij vertelde dat in Afrika het leven buiten was. ‘Maar ik ging filosofie studeren, want ik wilde het leven begrijpen.’
   Ze keek hem venijnig aan.
   Verontwaardigd reageerde ze: ‘Hoe is het mogelijk? Ben ik zo ver van huis en dan zit ik met een filosoof aan tafel! Iemand die pretendeert na te denken.’
   Hij voelde zich overrompeld. Wat was dit?
   Ze zei dat ze aan filosofie een hekel had. Dat kwam door haar moeder. Die was mateloos irritant door steevast alles in twijfel te trekken: ‘Alles wat mooi is, maakt zij belachelijk.’ Een wandeling in het bos. Het is najaar en alle berken zijn kaal. ‘Zij zegt dat niemand zeker weet dat dit een boom is. Ik stap naar een boom en leg mijn hand op de bast.’ Maar moeder is niet overtuigd. ‘Ze zegt dat ik niet kan weten wat het betekent om een boom vast te pakken.’
   Hij begreep het. Haar moeder… weinig veranderd. Twijfel behoorde niet tot haar karaktereigenschappen. Ze kon overtuigen. Ze kon manipuleren. Een persoonlijkheid waar je aan ten gronde ging.
   ‘Als we samen zijn, gaat het verkeerd. Dan zegt ze dat er geen tafel is en dat de muren ook niet bestaan. Niets is zeker en ze dramt maar door… Ik wil dat ze stopt, maar dat gebeurt niet.’
   Hij hoefde niets te zeggen.
   Ze kneep haar handen tot vuisten. ‘En zeuren dat ik moet twijfelen en moet leren nadenken.’ Om verontwaardigd te concluderen: ‘Zij moet zelf leren nadenken!’
   In de stilte die volgde, waren alleen de geluiden van buiten te horen.
   Hij had het kunnen weten. Haar moeder was nog steeds filosoof… Bomen met raadsels, taal als gevangenis en rijwielen die niet bestaan.
   Nieuws uit Finland arriveerde.
   ‘Nou, dat verbaast me niks… Ze kent u wel.’
   Daarna wachtte ze en bestudeerde de display. ‘Weet u wat ze schrijft?’
   ‘Long time no see?’
   ‘Nee, iets anders… Ze noteert dat ik hard moet wegrennen.’
   Haar ogen vernauwden zich.
   Hij wachtte. Wat zou Mary doen? Zou ze vertrekken? Zou ze echt weggaan? Dat zou jammer zijn, dan kon hij zijn voornemen vandaag niet uitvoeren…
   Maar zij aarzelde niet, borg de telefoon op en zei: ‘Moeder met haar idiote adviezen!’
   Ze wilde weten hoe hij haar moeder had leren kennen.
   Daarop vertelde hij over haar gedrevenheid en de plannen en projecten die ze had opgezet bij Greenpeace.
   ‘Daar heeft ze nooit iets over gezegd.’
   Maar het was toch bekend dat ze in Zuid-Afrika was geweest?
   ‘Ja, maar niet dat ze bij Greenpeace had gewerkt.’
   Kijk, dat geheim had moeder dus bewaard. Dan had ze haar plotselinge vertrek waarschijnlijk ook verzwegen… Zou ze ooit iemand hebben verteld over de aanslag? Dat zij het vervoer zou regelen? En dat ze hem had achtergelaten als prooi voor de jaghonde van de beveiliging?
   Medelijden?
   Nee… Moeder had geen medelijden. Hij ook niet.

Na een uur vertrokken ze en vervolgden hun trip naar de Donau. Onopgemerkt had hij twee pillen uit een strip gedrukt en met lauw theewater doorgeslikt. Het waren de laatste voor die ongedurige skerpioen in zijn buik.
   Onderweg vertelde zij over de smalle schachten die in graniet werden geboord om daarin het radioactieve materiaal te deponeren. Door de straling smolt het gesteente, maar verderop stolde het weer. Zo ontstond een natuurlijke omhulling voor het nucleaire afval.
   Een graftombe, een stralend mausoleum, hij knikte begrijpend. De mensheid temde demonen door ze in graniet te verstoppen.
   Aangekomen bij de kade zagen ze het stromende oppervlak met militaire fregatten en een rondvaartboot. Aan de overkant de flats van de IAEA, vol kantoren en vergaderzalen waar morgen de officiële ontvangst zou plaatsvinden.
   Het was winderig.
   Hij hoorde geen melodie. Hier resoneerden niet meer de golven van een blauwe walsmuziek. Hij voelde een misselijkmakende leegte.
   ‘Mag ik de camera?’
   Hij poseerde.
   ‘Meer naar links. Glimlachen!’
   Zijn rennen was afgelopen. De aanslag was toen mislukt. Hij had zich laten gebruiken om de Koeberg kerncentrale te saboteren. Hij was verraden. Het ontstekingsmechanisme werkte niet. De afspraken deugden niet.
   Ditmaal zou hij ervoor zorgen dat het laatste sluitingsmechanisme functioneerde. De mail was naar de moeder verstuurd. Hij was klaar.
   ‘Kom, we maken een gezamenlijke foto.’
   Hij plaatste de camera op een verhoging en bekeek de display. Vervolgens een druk op de opnameknop om de gebeurtenis live vast te leggen. ‘Over zes seconden wordt de foto gemaakt.’
   Terwijl de opname was gestart, liep hij terug.
   Ze stonden te wachten. De gewatteerde jas kon hij aanraken. Haar moeder zou het begrijpen.
   Daarna ging het snel. Hij trok haar achterover. Hij was voorbereid op de kou en op het geluidloze gespartel. Het dierlijke verlangen naar lucht, naar licht en vrijheid. Ze ging mee naar beneden, naar haar gevangenis.
   Hij hield haar omklemd, zijn armen waren sterk. Hij was niet bang voor haar draaien en trappen, hij zat op haar rug. Hij werd zwaarder en voelde haar lichter worden. Ze was sloom als een skaap. Het was pikdonker en zijn longen zaten vol.
   Alle krachten verdwenen en zijn laatste gedachte was aan de camera daarboven, die de leegte bleef registreren.

Over de auteur

Frans Kingma (1965) is als fysicus werkzaam in het Ornsteinlaboratorium (Utrecht). Publiceerde eerder literair werk bij Meulenhoff (Spiegellevens (roman), De cyclus van het mes (verhalenbundel, nominatie ECI-prijs Schrijvers van nu)) en verhalen in De Revisor, Tirade en De Gids. Daarnaast schrijft hij columns o.a. in het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde. Zie www.frans-kingma.com.

Over de illustrator

Björn Nelissen (Roermond 1977) woont en werkt in Haarlem. Hij studeerde illustratie aan de Academie Beeldende Kunsten Maastricht. Acryl en houtskool zijn zijn favoriete materialen. Door analoog te werken is treden altijd imperfecties op, maar perfectie vindt Nelissen per definitie saai. Zie bjornnelissen.nl en zijn Insta-pagina.

Lees meer uit de categorie Proza

Nighthawks

Door Anna Dijk

Het is alsof we in een duikboot zitten, denkt Diana, een duikboot in de nacht. De lampen van het café schijnen door de grote ramen naar buiten en verlichten de stoep. Buiten het licht kan ze niets zien behalve een paar straatlantaarns in de verte. Tekenen dat ze niet het enige leven zijn.       Diana deelt […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper