Proza

Het lot van reizen in de ochtendspits

Door Khalid Idmalek | beeld: Dewi van der Zijden
28 maart 2021

Vanwege de drukte zijn alle deuren geopend. De trambestuurder rinkelt. Achter ons is de volgende tram al tot stilstand gekomen. Een mensenmassa sjokt, voornamelijk met gebogen hoofd, door de miezer richting het station. De deuren vallen dicht.
   Een man in blauw pak wurmt zich langs het poortje en bemachtigt de laatste lege zitplaats pal voor mij. Mijn blik valt op zijn bruine puntschoenen met goudkleurige gespen. Ze glimmen terwijl het buiten grauw is. Uit zijn leren aktetas pakt hij een boek. Door onopvallend onderuit te zakken, lees ik een stuk van de titel. How to win friends. De man tuurt naar buiten en het boek valt op zijn schoot. Wanneer hij verder leest, lees ik de volledige titel. How to win friends and influence people. Ik ben op weg voor mijn wekelijkse bezoek aan Boudewijn, mijn oude studievriend. We zijn inmiddels grijs als een duif, maar onze discussies over literatuur zijn nooit kleurloos geworden. Vooral als ik schrijvers verheerlijk die een maatschappelijke boodschap uitdragen, wordt mijn vriend driftig. Het enige moment waarop hij tijd wil doorbrengen met vrienden of een handjevol familie is in de vroege ochtend. Uitsluitend als zijn visite klokslag negen voor de deur staat. Na het middaguur houdt hij de gordijnen dicht en is hij druk met de actualiteit. Door elke week met dezelfde tram te reizen, raken mijn medereizigers gaandeweg vertrouwd. Zonder ooit met ze gesproken te hebben geef ik ze namen, bedenk ik wie ze zijn en wat ze doen. Geleidelijk ontstaan vanuit de woorden in mijn notitieboekje verhaaltjes. Zo is er Laetitia, een Congolese die naar het vmbo gaat, maar dit jaar zal doubleren. En Debby, een huisvrouw die één dag per week werkt, omdat wat ze van huis uit heeft meegekregen niet verloochend mag worden. Tegenover mij zit Renzo. Zijn gladde kop komt regelrecht uit een Marlboro-reclame. Hij vindt zijn baan een bullshit job. Toch haalt hij betekenis uit inhoudsloos werk, namelijk de status die ermee gepaard gaat.
   ‘Uw paraplu is op de grond gevallen,’ zegt Renzo. Ik zit weer stokstijf. Soms heb ik de neiging te lang naar onbekenden te staren. Mijn vrouw, die mij meestal gezelschap houdt in het openbaar vervoer, port dan in mijn zij. Zij is de laatste die zit te wachten op een praatje met onbekenden. Renzo staat op en slaat zijn vochtige haren achterover. Ik wil hem bedanken, maar word onderbroken door de trambestuurder. Door de luidspreker kraakt: ‘Kattenburgerstraat’. Ik moet eruit, Renzo wacht voor het poortje totdat we stil staan. Ik check uit en volg hem naar buiten. Onder het smalle afdakje van de halte vinden we beschutting. In de verte breekt het ochtendzonnetje door de wolken. De regen druipt vlak voor ons naar beneden. Ik maak aanstalten mijn weg te vervolgen, maar Renzo geeft me een klets op mijn schouder.
   ‘We verspillen zo verschrikkelijk veel tijd met z’n allen!’ zegt hij. ‘Uit onderzoek blijkt dat mensen in de stad gemiddeld drie uur per dag verspillen. Doelloos internetgebruik, emotional eating, gesprekken over niets, dat soort zaken.’
   En zo verzand ik in een gesprek over ditjes en datjes. De botterik neemt resoluut mijn spaarzame tijd in beslag. Mijn interesse voor het manipuleren van de medemens is nihil, maar als hij eindelijk weer een stilte laat vallen, zeg ik: ‘Mag ik je iets vragen over het boek dat je leest?’
   ‘Ja hoor, natuurlijk.’
   In werkelijkheid is zijn naam Ashok en nu we in de frisse lucht staan, zie ik zijn Indiase uitstraling. Hij is trainer en moet naar de marechaussee op het Marineterrein. Ashok blijkt nogal thuis in de wereld van de zelfhulpboeken. Zonder terughoudendheid deelt hij allerlei adviezen over hoe je hoort te leven. Al zijn raad komt in essentie neer op hetzelfde: alvorens waarachtig mededogen getoond kan worden, dient een mens extreem egoïstisch te zijn. Ashok besluit dat we gerust een stukje met elkaar kunnen oplopen, en we steken de weg over.
   ‘Waarom ben je dit boek gaan lezen?’ vraag ik.
   ‘Dale Carnegie, zegt dat u niets? Miljoenen exemplaren zijn ervan verkocht. Leest u geen boeken?’
   ‘Ik lees,’ verzeker ik hem. ‘Mijn werkkamer puilt ervan uit.’ Daar bewaar ik mijn klassiekers, van Anaxagoras tot Seneca, maar Ashok vermoedt niet dat hij met een classicus te maken heeft. Ik vraag of we elkaar kunnen tutoyeren.
   ‘Tuurlijk meneer, geen probleem,’ zegt hij een tikkeltje nederig. ‘Weet u, ik werk in het bedrijfsleven. Dat is serious business. Op een borrel werd ik getipt door een senior manager over How to win friends. Het boek staat vol handige tips and tricks die ik gebruik voor mijn missie: mensen beïnvloeden zodat ze gaan denken zoals ik, maar op een vriendelijke manier, onopvallend.’
   ‘Wat moeten die mensen in hemelsnaam gaan denken, Ashok?’
Ashok leutert nog even door. Hij beweert dat goed leiderschap hand in hand gaat met kwetsbaarheid. In plaats van te bekritiseren, is het beter eerst over je eigen fouten te beginnen. Er is bewezen dat je zo sneller het vertrouwen van anderen wint. ‘Wat ze moeten gaan denken?’      
We staan samen op de hoek van de straat. Miezer heeft plaatsgemaakt voor de geur van bloesem die dit jaar vroeg is uitgekomen aan de iepen. De ochtendspits buldert richting zijn hoogtepunt. Terwijl het tempo van de stad versnelt, schijnt Ashok zich te bezinnen. Een automobilist scheurt door een plas. Voor ons klettert water op de stoep.‘Wat ze moeten gaan denken is onbelangrijk, hoe ze denken, daar gaat het om.’ Ashok wijst vooruit. Gevallen bloesem wemelt over de weg.
   ‘Ashok, excuseer me. Ik wil niet onbeleefd zijn, maar waar kom jij vandaan?’. We lopen langs een muur die eeuwenlang de admiraliteit beschermde. In de verte verschijnt de toegangspoort.
   ‘Ik kom uit India en ben geboren in een dorp in Rajasthan. Mijn ouders maakten sieraden die ze verkochten aan een handelaar uit Jaipur. Tegenwoordig hebben ze een restaurant in Alblasserdam. Je kunt er trouwens ook Italiaans eten, en shoarma. Ze zijn doodongelukkig. Misschien hadden ze nooit moeten gaan.’
   ‘Ga je er vaak langs?’
   ‘Ik ga iedere zaterdag langs. Als we samen zijn, dan eten we met onze handen.’ Zijn woorden klinken haast als een bekentenis. We kijken elkaar aan en knikken. De bloesem ritselt in de wind. ‘Wees jezelf, en als dat een te grote opgave is, wees dan op z’n minst thuis jezelf, of thuis bij jezelf,’ zegt hij. In zijn pupillen glinstert het als vuurvliegjes. We staan ondertussen bij de poort, die doet denken aan de tijd dat onze natie nog de wijde wereld introk om exotische handelswaar te bemachtigen. Ik heb een binnenpretje, omdat Boudewijn altijd zo pronkt met Hollands glorie, die in mijn ogen al ruimschoots voor zijn geboorte is teloorgegaan.
   ‘De vorige keer wilden ze me niet binnenlaten. Geen legitimatiebewijs,’ zegt Ashok.
   Eventjes wens ik dat hij me mee zal vragen.
   Ashok kijkt op zijn smartwatch. ‘Ik moet nu echt door, tot ziens!’
   Bij de wacht laat hij zijn papieren zien, en dan loopt hij houterig door het terrein op. Mijn ochtendhumeur is opgelost na zijn gezwets. Ik loop een onbevlekte hemel tegemoet. De zon verwarmt mijn rug. Als ik achteromkijk, is van Ashok niets meer te bekennen. Ik haast mij richting Boudewijn, maar niet voordat ik in mijn boekje noteer: ‘Manipulerende gelukszoeker’.

   Ik sta voor zijn deur en bel aan. Het is één over negen. Ik kijk door het raam van Boudewijns woonkamer. Tussen de smalle opening van de gordijnen doemt zijn geïrriteerde gezicht op. Vervolgens hoor ik hem stampvoetend door de gang lopen. Tot mijn verbazing doet hij open. Doorgaans gunt hij laatkomers geen blik, en verschuilt hij zich achter zijn ochtendkrant totdat ze weggaan.
Boudewijn staat in zijn ochtendjas. ‘Ik ben weer begonnen met roken,’ zegt hij.
   ‘Je weet wat de artsen hebben gezegd. Mag ik binnenkomen?’
   ‘Vooruit, maar zorg toch potdorie dat je op tijd bent.’ Ik ga aan de tafel in zijn woonkamer zitten. Overal liggen krantenknipsels op de grond. Boudewijn schenkt koffie in en reikt me een gevulde koek aan.
   ‘Hoe is het met Elisabeth?’
   ‘Goed, we spreken elkaar nauwelijks, ze doet veel met vriendinnen.’
   Boudewijn begint door zijn knipsels te graaien, die als een lappendeken de tafel bedekken. Sinds zijn pensioen is hij zich obsessief met politiek gaan bezighouden. Belangrijke gebeurtenissen knipt hij uit en bewaart hij in zijn map. Hij is voortdurend angstig een ontwikkeling over het hoofd te zien.
   ‘Waarom ben je te laat?’
   ‘Onderweg raakte ik aan de praat en vergat de tijd.’
   ‘Heb je dit gelezen? Ze zeggen dat we de planeet om zeep helpen. Wat een hoogmoed te denken dat wij daartoe in staat zijn. We zijn maar een schimmeldek, en over duizend jaar is de planeet ons lang en breed vergeten. En dit dan, lees dit eens.’ Voor mij legt hij een nieuwsbericht neer: ‘Klimaatspijbelaars’ demonstreren op Malieveld. Boudewijn verslikt zich bijna in zijn koek, zijn gehoest gaat door merg en been.
   ‘Je reinste manipulatie. Ouders en scholen die kinderen onderwerpen aan hun ideologische agenda. Waanzin! Laat ze eerst een diploma halen voordat ze een statement maken over het klimaat.’ De spetters vliegen over tafel.
   ‘De jongeren kunnen protesteren, maar missen de wijsheid, de ouderen hebben de wijsheid, maar hebben geen kracht meer.’
   Mijn vrije interpretatie van Saramago schiet in het verkeerde keelgat bij Boudewijn.
   ‘Ach, wat is er toch mis met jullie stoïcijnen? Die onverstoorbare houding naar alles en iedereen. Wat een onzin.’
   ‘Boudewijn, mag ik…’
   Voordat ik mijn zin kan afmaken, overschreeuwt hij me. ‘Die Seneca van jou, dat is een lapzwans!’
   Ondertussen loopt hij driftig rondjes door de kamer. Ik vrees voor zijn hart en vraag of hij rustig op de bank wil gaan zitten. Boudewijns hoofd loopt rood aan, zijn ogen tranen. Door zijn gehoest is hij onverstaanbaar. ‘Te zot voor woorden! Laat die kinderen in de schoolbanken zitten.’
   ‘Boudewijn, wat heb je nog in de koelkast staan?’
   Terwijl hij naar de keuken loopt, bromt hij vaag commentaar over de jeugd. Hij roept: ‘Er ligt kaas. Verder niets, en het brood is op!’
   ‘Is het je niet gelukt te bestellen bij Albert deze week?’
   ‘Nee, het duurt zo afgrijselijk lang op die laptop die je me hebt gegeven. Doodmoe word ik ervan. Neem dat ding weer mee. Toen jij mijn boodschappen bracht, had ik tenminste wat aan je. Maar je hebt het zeker te druk met andere dingen. Met Elisabeth, en die stoïcijnse kletskoek.’ Boudewijn knielt op de grond en verzamelt zijn knipsels.
   ‘Het spijt me, maar ik moet ervandoor.’
   ‘Ervandoor? Ga je nu al? Je bent er net.’
   ‘Ja, ik ga. Elisabeth was vannacht niet lekker, ze rekent op me. Ik moet er vandoor, sorry.’
   Mijn jas had ik na binnenkomst aangehouden. Ik geef Boudewijn een handdruk. Met moeite behoudt hij zijn evenwicht. Tegelijkertijd besef ik dat we dit moment allebei aan hebben zien komen.
   ‘Volgende week kom je toch weer? Ben je er rond negen?’
   Ik verlaat de woonkamer en loop door de gang. De voordeur sluit ik geruisloos. Van achter het raam hoor ik Boudewijn roepen: ‘Verdorie, mijn koelkast staat wagenwijd open. Kom je op tijd volgende week! Negen uur!’
   Teleurgesteld en opgelucht loop ik terug richting de halte bij de Kattenburgerstraat. Waar ik de rest van de ochtend zit, en tram na tram laat passeren.       

Over de auteur

Khalid Idmalek is schrijver en filosoof. Met zijn verhalen hoopt hij systemen omver te werpen en een bijdrage te leveren aan de wereldvrede. Hij heeft een hekel aan mensen die zich te goed voelen voor het maken van excuses.

Over de illustrator

Dewi van der Zijden is een veelzijdige illustrator en grafisch vormgever gevestigd in Zwolle. Materialen waarmee ze onder andere werkt zijn houtskool, gouache, keramiek en digitale kunst. Ze haalt haar inspiratie uit de natuur, fascinerende verhalen, haar omgeving en humor.

Lees meer van

De Ratelslang

Door Khalid Idmalek

Het was tijdens de dageraad van een kloeke herfstdag, op een ochtend waarop een dauw van morgenrood het bos bedekte. De ratelslang krioelde zich een baan door de vochtige takken en twijgjes, op weg naar een delicate prooi. Wellicht een verdwaalde veldmuis of in het beste geval een vieve haas. De loofbomen torenden hoog boven […]

Lees meer uit de categorie Proza

Vriesvak

Door Evelien Flink

Ik heb je spijkerbroek gewassen. Je favoriete broek met de lichtblauwe pijpen, de zachte, witte rafels aan de zoom en de scheur boven de rechterknie; de broek die we samen hebben uitgezocht in die ene winkel aan de gracht, waar de kledingstukken opzettelijk onafgewerkt en gehavend zijn, en je tijdens het winkelen ook boerenkoolsmoothies en […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper