Proza

Buikziek

Door Lena Plantinga | beeld: Brechje de Jonge
15 april 2021

Als je bananen te lang laat liggen, worden ze zacht. Zachte bananen zijn lekker om in te knijpen. Eerst voorzichtig, dan steeds harder, tot de schil openbarst en de geelbruine smurrie aan je handen kleeft.
Peren zijn veel minder leuk om in te knijpen. Als peren te lang blijven liggen worden ze waterig en bruin, dat noem je buikziek. Dan breekt het vruchtvlees zichzelf af. Mama bewaart haar peren altijd in de koelkast, daar is het te koud om buikziek te worden. Maar hoe langer fruit koud staat, des te minder de smaak wordt.

Het is donker in de keuken, op het felle licht van de koelkast na. Tussen de kaas en een blik tomatensaus staat een doorzichtig bakje. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes, bal mijn vuisten en leg mijn kin op mijn borst. Zo ziet mijn zusje eruit, maar dan zonder Lego-pyjama aan. Ze drijft in het bakje. Haar ogen zijn net ongepelde zonnebloempitjes. Ze lijkt een beetje op een vogeltje zonder veren. De koelkast zoemt, nog even en hij zal gaan piepen omdat de temperatuur stijgt. Ik pak het bakje met mijn zusje en duw de koelkastdeur dicht. Het gezoem stopt. De koelkast houdt zijn adem in.

Ze is zo groot als een mango. Eerst was ze even groot als een peer, daarvoor als een framboos en in het begin was ze zo klein als een maanzaadje. Aan de muur hangt nog een kalender waarop precies te zien is hoe snel mijn zusje groeide. Na mango komt koolraap, over de koolraap is geen sticker geplakt.

Haar bakje voelt koud aan, ik vouw mijn armen eromheen en druk het tegen mijn pyjamashirt. ‘Het geeft niet hoor, dat je nooit zo groot wordt als een koolraap.’ Ik schrik van mijn eigen stem die zo alleen klinkt in de donkere keuken. Mijn hart klopt in mijn polsen. ‘Koolraap is toch heel erg goor,’ fluister ik. Met het bakje tegen me aan gedrukt draai ik me om en hol op mijn blote voeten door het huis.

Bovenaan de trap blijf ik hijgend staan. Op mijn tenen trippel ik door de gang, tot de deur van mama’s kamer. Ik leg mijn oor tegen het hout. Ik druk mijn zusje in haar bakje ook even tegen het hout. We horen niks. Lange tijd kon mama alleen maar op haar rug slapen omdat ze anders mijn zusje zou pletten, maar nu doet ze niks anders dan op haar buik liggen. In het ziekenhuis hadden ze mijn zusje in het bakje met koud water gelegd, om mee naar huis te nemen zodat mama en ik nog een paar keer naar haar kunnen kijken. Mijn zusje had zich al een week niet bewogen in de buik, mama had het gevoel dat er iets niet klopte. Ze heeft altijd gelijk, ook als ze dat liever niet wil.

Met de toppen van mijn vingers duw ik de deur een stukje open. Door de gleuf heen zie ik op het bed een berg van dekens. Onder die berg ligt ze. Misschien heeft ze een zaklamp en leest ze stiekem een boek. Zoals we samen deden in het fort dat ze had gemaakt van haar Zuid-Afrikaanse doeken. Naast het fort had ze een gaspitje gezet waarop we knakworsten en havermout klaarmaakten. Het rook er aangenaam muf naar kaneel en slaap.

Na drie dagen vond ze dat we het fort weer uit moesten. Ze zei dat mensen ook buikziek worden als ze te lang blijven liggen. Toen we de doeken naar beneden haalden en de gordijnen openden, regende het buiten. Ik weet niet waar ik op gehoopt had, maar de wereld stelde mij zwaar teleur. Mama lachte en rende de tuin in, ze stak haar tong uit en probeerde alle regendruppels te vangen.

Ik doe haar deur dicht en loop met mijn zusje naar mijn slaapkamer. ‘Je mag best hier slapen, maar we moeten niet te veel meer kletsen,’ fluister ik. Het licht van een straatlantaarn spiekt door de gaatjes van mijn gordijn heen. ‘Oké dan… ik zal één verhaaltje vertellen.’

Ik graai onder mijn bed, al snel vinden mijn handen het dikke leren boek. Verzonnen verhalen, waargebeurde avonturen en natuurfeitjes van mama en mij, allemaal met blauwe pen hierin getekend en opgeschreven. De verhalen wachtten al lange tijd onder mijn bed op de juiste persoon om aan verteld te worden. Ik blaas het kleine beetje stof van de kaft, zoals een tovenaar, en klap het open. Mijn zusje zet ik op schoot.

Mijn favoriete verhaal gaat over een jonge vrouw die op blote voeten de wereld rondloopt. Ik lees het voor met verschillende stemmetjes en doe de geluiden van de dieren na. Mama knijpt tijdens het voorlezen altijd in mijn benen, ik open het bakje van mijn zusje en aai haar voorzichtig met één vinger over haar hoofd. Haar huid is zacht en glad, als van een vis. De geur van het water prikt in mijn neus, ik druk de deksel weer op het bakje. Mijn hoofd is moe. Ik schuif het boek terug onder mijn bed.

Snel vertel ik nog één mop, mijn beste mop. ‘Er liggen twee bananen in een bed. De ene banaan zegt tegen de andere banaan ‘Ga eens recht liggen,’ waarop de andere banaan antwoordt: ‘Dat kan ik niet, ik ben een banaan.’’

Ik druk mijn zusje tegen me aan. Zij hoeft nooit bang te zijn in het donker, want ze heeft mij.

In de ochtend ligt het bakje tegen mijn buik. Het zonlicht glijdt onder de gleuven van de gordijnen door. Ik ga rechtop zitten en pak het bakje met mijn zusje onder de deken vandaan. Ik schrik zo dat ik het van me af gooi. Het bakje stuitert op de grond, het deksel valt eraf en mijn zusje kletst met haar water op de vloerbedekking. Haar huid is niet meer perzikroze, maar donkerder en gevlekt. Haar gezichtje is gerimpeld, ze heeft een deuk in haar zij. Als een beurse banaan.

Er klinkt geschuifel in de gang. Snel druk ik mijn gezicht in mijn deken. De deur gaat krakend open. Ik wacht op de schrik, de knal van de deur die weer dichtslaat, gehuil, geschreeuw, want dit is allemaal mijn schuld en de wereld weet dat nu.

Even staat alles stil, een pauze tussen twee momenten waarin je hoopt dat de tijd zichzelf terug zal draaien.

Dan stort mama zich boven op me, vouwt haar armen om mijn lijf heen, drukt haar natte wang tegen mijn schouder aan. We vormen een schokkende rots op mijn bed. Haar tranen vallen van haar neus op mijn pyjama. Mijn zusje ligt op de vloer alsof ze zo bij ons is aangespoeld.

Ze zal nooit voelen hoe het is om op blote voeten door een donker huis te rennen. Ze zal nooit regendruppels opvangen met haar tong of knakworsten eten in een fort. Ze zal nooit lachen om mijn grapjes, niet omdat ze niet grappig zijn maar omdat mijn zusje niet kan lachen.

Mama pakt me bij de hand en we lopen op blote voeten de tuin in. We graven een gat in de hoek van de tuin, de aarde voelt zacht aan. Als we mijn zusje in het gat leggen, ziet ze er nog meer uit als een gevallen vogeltje. Mama schuift zo snel mogelijk het gat dicht, alsof ze zo probeert te voorkomen dat er zand in de gesloten ogen komt. Ik wilde dat ik een banaan had om in te knijpen of dat ik wist wat ik moet zeggen. Het enige wat ik kan bedenken is: ‘Och mensenkinderen, och mensenkinderen.’

Ik klink als de buurvrouw, mama lacht door haar tranen heen. Een lach die naar zout smaakt.

Ze tilt me op, legt haar wang tegen de mijne. Samen gloeien we.
   ‘Misschien kunnen we een bananenboom planten,’ zeg ik. ‘Of een mangoboom of een perenboom of koolraap!’
Mama schudt haar hoofd. ‘Hè bah, goor, geen koolraap.’

Samen kijken we naar het kleine heuveltje aarde waaronder mijn zusje ligt. Een eerste druppel regen maakt zich los van een wolk en valt op mijn neus. Het is onder de grond vast warmer dan in de koelkast. Er belandt een druppel op mijn haar, op mijn wimpers, ze rollen over mijn wangen, over mijn pyjama, vallen van mijn voeten naar beneden en zinken de aarde in. Ze vallen met bakken uit de lucht, alsof de druppels mijn zusje gezelschap willen houden. Mama knijpt in mijn benen, ik knijp zachtjes terug.

Over de auteur

Lena Plantinga (1999) studeert Writing For Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Ze is schrijfster van proza, scenario en toneel. In 2020 won Lena de eerste prijs van Write Now! Utrecht met het verhaal 'Klein Hemelrijk'. Momenteel loopt ze stage bij Anne Barnhoorn en Uitgeverij Chaos. Het liefste wil ze later ook boerin worden.

Over de illustrator

Brechje de Jonge (2002, Amstelveen) is een jonge kunstenaar. Ze studeert Graphic Design op de kunstacademie in Rotterdam. Ze verdiept zich graag in verschillende disciplines en daarmee neemt ze ook maatschappelijke thema’s mee die zij belangrijk vindt. Zie haar ontwikkelingen op brechjedejonge.com of volg haar op Instagram @bybrech.

Lees meer uit de categorie Proza

Stijlestafette: Politierapport

Door Max Urai

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Hieronder beschreven gebeurtenissen vonden plaats voor de ingang van café Van Zuylen te Amsterdam om 01:00 in de nacht van vrijdag op zaterdag jongstleden. Drie jonge stadsbewoners bevonden zich op de brug tegenover eerdergenoemde café. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper