Proza

Damsko Inferno

Door Joanne Van Beek | beeld: Amarens Eggeraat
31 mei 2021

Mijn pyromane neigingen begonnen enkele weken geleden, toen ook wandelen niet meer hielp om de onrust in mijn hoofd te stillen. De wirwar van mensen, het ongemakkelijke links-rechts-links om te bepalen wie er voorrang kreeg in de drukke winkelstraten, jonge ouders die met hun gigantische buggy’s de hele stoep bezetten. Ik stak pleinen over en voelde hoe de blikken van mooiere, betere mensen op de terrassen in mijn rug prikten. Soms hield ik mijn ogen strak op de stoep gericht, bang om in de reflectie van de winkelruiten een glimp van mezelf op te vangen en zo te zien wat anderen zagen: hangende schouders, een bierbuik en een lege blik. Andere keren keek ik juist om me heen, zocht ik overal mijn spiegelbeeld en vroeg ik me af welke versie van mij de echte was. Ik moest hier weg.
Ik had voor amper een handvol geluk in alle hoeken en gaten van de stad gekeken: zocht verhalen in volle kroegen en lege boekwinkels, woorden om de ruimte in mijn onderbuik mee te vullen, om tegen mijn ouders te kunnen zeggen dat het een goed idee was om hier op mijn zestiende naartoe te verhuizen. Maar bij het maken van de lijstjes met voors en tegens bleef de linkerkant van het vel akelig leeg. De grond was hier giftig en niet van mij, dat wist ik zeker, maar op momenten dat ik vrienden vertelde dat ik wilde verhuizen, vroegen ze me vaak: ‘Waar wil je dan in godsnaam naartoe? Je bent nog jong, dan is er toch niets beters dan Amsterdam? Of wil je liever naast Henk en Gerda op het platteland wonen?’
Ik had geen idee. Er leek geen weg naar buiten. Ik zocht voortdurend naar het einde van de stad, maar na elke straat kwam er een nieuwe, tot ik uiteindelijk aan de rand van de snelweg stond en maar weer huiswaarts keerde. Amsterdam werd een spiegelpaleis van onvervulde verwachtingen, vol angstaanjagend mooie bezoekers die me overal achtervolgden. 

*

Toen de kade voor het universiteitsgebouw instortte door wanstaltig onderhoud, droomde ik dat het zinkgat de hele stad verzwolg. Ik werd wakker en schrok van mijn gedachten: ik was teleurgesteld dat het een droom was. Nog half in slaap was ik opgelucht geweest dat ik geen andere optie had dan de stad te verlaten. 
Tijdens mijn zoveelste rondje door de buurt schopte ik uit frustratie tegen een leeg pakje Wicky, het vloog met een boogje door de lucht, waarna het in een waterplas terechtkwam en bleef drijven. 
Net een vrolijk gekleurde woonboot, dacht ik. 
     Nog diezelfde middag belde ik Marco, een vriend die al jaren met een kunstcollectief in een loods in het noorden van de stad bivakkeerde.
‘Mag ik je loods gebruiken?’
      Even was het stil. Aan de andere kant van de lijn nam Marco waarschijnlijk een hijs van zijn sigaret.
‘Ligt er een beetje aan waarvoor. Wat had je in gedachten?’
     Ik beet op het touwtje van mijn capuchon.

*

Als je vriendschap langs een conventionele maatstaf legde, was Marco geen goede vriend. Hij was er nooit op je verjaardag, vroeg nooit bezorgd door als je expres lauw reageerde op de vraag hoe het met je ging en praatte altijd door je verhalen heen. Als vriendschap betekende dat je elkaars perverse fantasieën aanmoedigde, was hij je beste vriend.
Marco’s loods was gigantisch. In elke hoek stond een grote tafel waaraan de kunstenaars werkten. Hier en daar stonden ezels, onafgemaakte sculpturen en langs de muur stond een grote ijzeren kast vol met materialen. 
‘Is dit iets?’ Met een plof legde Marco een stapel karton op de enige vrije tafel neer. 
Ik had hem gevraagd naar de restjes en knikte dankbaar. 
Op YouTube zocht ik naar tutorials. Ik vond een bebaarde man die uitlegde hoe hij de set van King Kong had nagebouwd, inclusief een levensechte miniatuurversie van het Empire State Building. Gewapend met zijn camera was hij de stad ingegaan op zoek naar de juiste patronen die hij vervolgens met Photoshop bewerkte: eindeloze rijen met ramen, deuren, dakbedekking en bakstenen. Je kon ze uitprinten om er vervolgens je gebouwen mee aan te kleden. 
Te veel werk, dacht ik. Het zou wel goedkomen als ik de grachtenstructuur intact hield. Dus bouwde ik van het karton kleine kubussen van verschillende formaten, sneed er ongelijke gaten in met een stanleymes en plaatste ze in bogen achter elkaar.
Op de deur van het huis van mijn ex tekende ik een piemel. Die had iemand er op een dag met een spuitbus opgespoten, geheel ironisch natuurlijk, aangezien dit ook de dag was dat ik ontdekte dat ze een ander had. Ik bracht eenzame avonden door op Instagram en zocht hem meerdere malen op, kocht dezelfde sneakers als hij, nam zijn foto mee naar de kapper, observeerde zijn glimlach en oefende deze in de badkamerspiegel, die nooit hetzelfde naar me terug lachte.
Voor De Rooie Kater, mijn stamcafé, legde ik een gelukspoppetje neer dat ik onderweg naar de loods op straat vond. Ik dacht aan die nacht dat ik te lam was om te lopen en na sluitingstijd op de straat ervoor in elkaar zakte, druk mompelend over dat ik een vierkantje was en deze stad een rond gaatje in een blokkendoos, en dat ik mezelf wel rond zou zuipen als dat betekende dat alles daarna beter zou passen. Tegenover me zat voetbalvriend Ron op zijn hurken. Hij had me de hele avond aangehoord terwijl hij afwisselend bezorgd en geïrriteerd van mij naar zijn horloge keek.
‘Het enige rondje dat jij vanavond hebt gezien is de bodem van je glas,’ zei hij, waarna hij me op een bankje tegenover de kroeg zette, naast een oude man met een lange baard en vier blikjes Schultenbräu. Rons telefoon ging. ‘Liedewij belt. Het is laat. Vind je het erg als…’
‘Ga jij maar lekker neuken, jongen,’ zei ik. Het laatste dat ik me herinner is Ron op zijn rode racefiets.
‘Jij redt je wel he?’ riep hij over zijn schouder terwijl hij aanstalten maakte om weg te fietsen. Ik knikte. Een uur later werd ik wakker in een steegje om de hoek, zonder portemonnee of telefoon. Ik strompelde de hele weg naar huis. 
Ik vouwde een bootje dat ik in de Keizersgracht legde. Daar waar ik Neeltje twee jaar geleden had gezoend. Het had drie jaar geduurd voor ik haar durfde te vragen en vier dates voordat we elkaar überhaupt voorzichtig durfden aan te raken. Die avond klommen we met ieder een Happy Meal in een leeg sloepje op het water. Ze at er zo gretig van dat ik halverwege vooroverboog, haar gezicht in mijn handen nam en haar zoende. Ik had niet door dat ze nog aan het kauwen was en voelde met mijn tong de zompige restjes cheeseburger in haar mond. Toen ik de volgende dag een berichtje stuurde, bleef het aantal vinkjes in WhatsApp hangen op één. 
Tussen het bouwen door fietste ik zo nu en dan naar huis om mijn spullen in te pakken. Ik zegde mijn huur op, verdeelde kleding en boeken onder vrienden en de kringloopwinkel en zette het grootste deel van mijn versleten meubilair bij het grofvuil. Uiteindelijk bewaarde ik mijn rugzak en een backpack vol zaken die ik naar de loods sleepte.
Daar bracht ik nachtenlang knippend en plakkend door, terwijl Marco me het ene na het andere speciaalbiertje voorschoof en me af en toe voorzag van een bak waterige koffie.  
‘Wie had ooit gedacht dat jij kunst zou maken?’ 

Ik heb mijn stad op de binnenplaats uitgestald en bekijk het resultaat uitvoerig: de wirwar van lelijk afgewerkte kartonnen huisjes, de plastic autootjes in de straten, de mensfiguurtjes die ik in een winkeltje om de hoek vond. Het heeft iets grotesks om zomaar een god te zijn. Ik word er melig van en vind dat er muziek bij hoort, dus loop ik naar binnen. Ik pak nog een biertje uit de koelkast, blader wat in de platenbak van Marco en vis er een single van The Trammps uit die ik gniffelend op de platenspeler leg. Het is tijd.
Rommelend ga ik door de stellingkasten heen op zoek naar iets brandbaars en vind een fles spiritus. Eenmaal buiten houd ik hem voor mijn kruis en doe alsof ik over de stad heen pis. 
Een maniakaal lachje ontsnapt aan mijn lippen als ik de eerste brandende lucifer op de stad gooi. Een steekvlam schiet omhoog en werpt zich als een gewelddadige geliefde op de gebouwen. Snippers brandend karton komen neer op de auto’s in de straten. De piemel op de voordeur van mijn ex krimpt in de hitte en de vlammen achter de deur van De Rooie Kater doen me realiseren dat dit precies is hoe de hel eruit moet zien: als de brandende ingang van een bruin café. Een penetrante geur van brandend plastic bezorgt me hoofdpijn, toch blijf ik lachen tot er kramp door mijn kaken trekt. Ik masseer ze en voel dat mijn wangen nat zijn. Vandaag ben ik keizer Nero en zet ik mijn stad in lichterlaaie.

*

De loods is nog verlaten als Marco binnenkomt. Hij houdt een hand voor zijn mond en ruikt zijn eigen adem, die zuur is van een avond feesten. Slaap voelt korstig in zijn ooghoeken. Op de tafel in de hoek liggen snippers papier, een schaar, een koffiemok met een prop kauwgum erin, maar geen spoor van mij. Het ruikt er naar benzine. Marco loopt door de andere deur naar buiten. Op de parkeerplaats liggen de zwartgeblakerde resten van een stad. De wind tilt de snippers de lucht in, waar ze ronddwalen als zwarte spoken. Marco krabt de korstjes slaap uit zijn ooghoeken, haalt zijn schouders op, pakt een bezem en veegt de restjes stad bij elkaar. 
Ik denk dat het zo gegaan is, ik sprak hem nooit meer.

Over de auteur

Joanne van Beek (1993) schrijft verhalen en gedichten en maakt af en toe illustraties. In 2019 werd ze geselecteerd voor de Lage Landen Schrijfweek, georganiseerd door Stichting Beter Schrijven, Editio, alumni van de Rietveld Academie en literair tijdschrift DW B. Haar teksten werden gepubliceerd op Hard//hoofd, in de wedstrijdbundel van De Gedichtenwedstrijd en als tekst en podcast op de websites van VPRO Mondo en deBuren. In maart 2020 richtte ze samen met Roddia Rumahloine, Nicole Kaandorp en Nora van Arkel het online magazine ‘VIRUS / verhalen om te lezen in quarantaine’ op. Hiervoor maakte ze ook de illustraties.

Over de illustrator

Amarens Eggeraat (1992) is illustrator, schrijver en journalist, voor o.a. Vrij Nederland en Vice.
Amarens op Instagram

Lees meer uit de categorie Proza

Stijlestafette: Politierapport

Door Max Urai

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. Hieronder beschreven gebeurtenissen vonden plaats voor de ingang van café Van Zuylen te Amsterdam om 01:00 in de nacht van vrijdag op zaterdag jongstleden. Drie jonge stadsbewoners bevonden zich op de brug tegenover eerdergenoemde café. […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper