proza

Barmhartig in Bern

Door Joost Pollmann | beeld: Joost Halbertsma
24 juni 2021

“De bokken wacht eeuwige straf.”

In de stormachtige winter van 2019 vond ik het opeens hoog tijd om de kasten en laden in mijn huis uit te mesten. Als kuur tegen het lege-nest-syndroom dat ik opliep nadat mijn dochter in Diemen was gaan wonen, op tien minuten fietsen van het Science Park waar ze zich met Future Planet Studies bezighoudt. Toekomstplannen, die had ik namelijk ook: ik wilde wonen in een opgeruimd appartement zonder nostalgische spoken achter deuren en deurtjes. Vuilniszakken en dozen met mij meezeulend ging ik alle vertrekken af, tot en met de berging drie trappen lager. Behalve schoolschriften, irrelevant geworden paperassen en andere vergeelde souvenirs – hapklare brokken voor de papiervreter – vond ik ook een ouderwets envelopje waarop in drukletters stond: Kantonspolizei Luzern. Er bleken elf gevouwen bonnen en briefjes in te zitten die ik al 44 jaar niet onder ogen had gehad. Een van de “stukken” was een kaartje van het Consulaat-Generaal der Nederlanden in Zürich, waarop een paar regels waren getypt: ‘10% Finderlohn Fr. 70.- bereits abgezogen.’ Maar laat ik bij het begin beginnen. In de zomer van 1975 vertrok ik met de donkergroene Triumph Herald Convertible van vriend Ron voor een kampeervakantie naar Zwitserland. Kentekennummer EN-71-97, wat ik kan weten dankzij een van de bewijsjes in ‘bovenvermelde’ envelop. Ons reisdoel was Brunnen aan de Vierwaldstättersee, omdat ik enkele jaren eerder met mijn ouders mooie weken had doorgebracht in Alpnachstad aan hetzelfde meer. Ron was twintig en had een rijbewijs, ik was zeventien en kon fietsen. Ik zou dus shotgun rijden, zoals Amerikanen zeggen als ze bedoelen dat je voorin zit, naast de chauffeur. ‘Vogelvrij’ maak ik daarvan, want wij woonden niet ver van het circuit van Zandvoort en Ron putte daar veel inspiratie uit. Twee jaar eerder hadden we tijdens een grand prix de Britse coureur Roger Williamson voor onze ogen zien verongelukken, maar Ron was niet geïntimideerd, hield van een sportieve stijl en zou later Drachten onveilig maken in zijn Jaguar met twaalf cilinders. Wij vlogen dus zuidwaarts over de fast lane, zeilden door de Alpen en scheerden langs fragiele vangrails die ons scheidden van het met ijskoud bergwater gevulde meer in de diepte.

Ik stel me een beetje aan, want we arriveerden heelhuids op camping Touring Club Suisse, waar we blijkens de kwitantie tien nachten hadden geboekt voor 87,50 in Zwitserse frankgen (die ‘g’ wordt met keelschrapen uitgesproken). De eerste dagen waren heerlijk. We zwommen in het algengroene water. We raakten bevriend met een Duits jongetje van vier dat sliste en er heel trots op was dat hij slissend en wel Comme ci, comme ça kon zeggen, waarbij hij zijn handjes naar buiten openvouwde. Ron had pukkels, ik niet. Ik had een vriendin, Ron niet. Het jongetje vond dat maar oneerlijk, en sliste tegen mij: ‘Du hast alles, er hat nichts.’ Sinds drie weken was ik ernstig verliefd op Emmy, maar omdat de vakantie al lang van tevoren was gepland, zou ik haar tijdelijk moeten missen. Ik was daar goed in, want ieder jáár werd ik verliefd kort voordat ik op reis ging en smachten naar ‘t schatje deed ik met masochistische overgave. Ron en ik namen de Zahnradbahn naar de top van de Rigi, de Koningin der Bergen die ook Nietzsche en Wagner ooit hadden bestegen, en genoten als twee ouwe wijven van koffie met appeltaart op het terras. We maakten er, gewend aan Hollandse platheid, iets merkwaardigs mee: een heel eind onder ons begon het te onweren, en al schudden de Ola-parasols in de wind heen en weer, wij merkten niks van donder en bliksem. Als Olympiërs zaten we boven het onheil en kauwend op de strudel keken we geamuseerd naar de witte schuimkopjes op het verre meer da unten. We realiseerden ons niet dat het er woei met windkracht 11 en dat vriendelijke stervelingen bezig waren onze wegwaaiende tent te redden. Maar echte pech was onderweg.

Een dag later stapten we in de Triumph voor een tochtje langs de meeroevers. Vanwege de motregen bleef de stoffen kap van de cabriolet dicht. Eerst nog even tanken en dan vol gas die slome Zwitsers voorbij. Na een paar kilometer begon Ron onrustig om zich heen te kijken en wees naar het handschoenenvak (the glove box, in een Britse auto). ‘Zit het tasje daarin?’ Ik opende het luikje, zag zijn zonnebril, een aangebroken rol pepermunt, landkaarten. Ron doelde op een accessoire waarmee mannen destijds zonder gêne over straat konden: het lederen polstasje met lus en handige ritsvakken. Daar zaten onze paspoorten, reischeques van Cook en bankbiljetten in, maar ik moest zijn vraag negatief beantwoorden. Tijdens het tanken had Ron het tasje op het dak gelegd, zo reconstrueerden we, en was het daarna vergeten. Hij had betaald met geld dat nog in zijn broekzak zat (contactloos pinnen, beste lezer, moest nog worden uitgevonden). Scheisse. Na de auto te hebben gekeerd reden we langzaam terug – sloom is een beter woord – en probeerden in de berm onze waardepapieren te spotten, een hopeloze queeste die werd begeleid door geclaxonneer van de plaatselijke bevolking.

Polizeiposten Weggis: daar hebben we op 5 juli aangifte gedaan van het verlies van onze documenten. Het nummer van mijn paspoort was blijkbaar B 127399, netjes opgetypt door agent A. Kaesar, die ook wist te vermelden dat ik ‘holländischer Staatangehöriger, Schüler, ledig’ was. Ledigheid is des duivels oorkussen. De afstand van Brunnen naar Weggis bedroeg twintig kilometer en kennelijk hadden we meteen en ter plekke de autoriteiten ingelicht. En toen? Een paar centen hadden we nog wel bij ons, maar meer dan een snack zouden we er niet mee kunnen kopen. Het toeval wilde (modern bijgeloof: toeval is niets anders dan het kruisen van coördinaten waarvan wij start- en eindpunt niet kennen, en het wil net zo weinig als de wind) dat de vader van Ron voor zaken vaak naar Zwitserland moest omdat hij handelde in zoiets vaags als warmtewisselaars. In de hoofdstad had hij ‘omgang’ met een verpleegster die ons zou kunnen helpen. In theorie. Als we haar nummer hadden. We reden terug naar de camping en legden de situatie uit, waarna Ron in het kantoortje van de receptie zijn vader in Nederland mocht bellen en vervolgens, nadat hem iets over discretie was toegesist, de reddende engel in Bern.

Het was ongeveer 140 kilometer rijden en pas aan het eind van de middag arriveerden we bij het Viktoria Krankenhaus, een antiek hospitaal met jugendstilachtige trekjes, dat als sanatorium was begonnen en tegenwoordig bejaarden huisvest. In de jaren zeventig was het nog een ziekenhuis, van oudsher gerund door de Barmhartige Zusters van Ingenbohl. Onthoud die naam. De verpleegster in kwestie was naar de bank geweest om contanten op te nemen die wij van haar konden lenen. Precaire affaire, want zij was vermoedelijk het liefje van de vader, die haar bij zijn volgende warmtewisselaarbezoek de bankbiljetten moest retourneren. Ron vertrouwde mij bovendien een geheim toe dat mijn beeld van Bern voor altijd heeft bepaald: ze had een kunstbeen… Ik zag deze ongerijmdheid voor mij als een foto-onderschrift in een roddelblad: ‘Zakenman met manke maîtresse.’ Er school een vreemd soort erbarmen in, een pervers mededogen met beschadigd fruit. 

Ik heb helaas geen flauw idee waar wij de nacht hebben doorgebracht. In de logeerkamer van haar flatje in een buitenwijk? Lijkt me zeer onwaarschijnlijk. Een hotel? Te duur. Hadden wij de tent afgebroken om hem ergens anders weer op te zetten? Gedoe. Misschien hebben we wel in de auto geslapen, dat doe je op die buigzame leeftijd nog. Feit is dat we de volgende dag onze tocht voortzetten naar Zürich, 125 kilometer verderop, omdat daar het consulaat stond waar we een tijdelijk paspoort konden aanvragen dat ons terug naar Haarlem moest loodsen. In de Mainaustrasse 8 vlak achter de Zürcher See betraden we het Generalkonsulat der Niederlande, dat heel mooi zal zijn geweest (afgaand op het ertegenover gelegen herenhuis met zuilen aan de Bellerivestrasse), maar waar vandaag de dag een donkerrood gestuct appartementengebouw staat. In de hal zat een man achter een soort loket en nog voor ik mijn mond had kunnen opendoen, zei hij: ‘Pollmann? Sie sind Josef Pollmann?’ Een telepathische ambtenaar, dat ontbrak er nog aan. Bedremmeld antwoordde ik van ja. Hij deelde kort mee dat onze spullen waren gevonden en konden worden opgehaald bij Frau Gisler-Schilter aan de Schwyzerstrasse 55a in Ingenbohl. We verruilden het schrijven dat we in Weggis van de Kantonspolizei hadden gekregen voor een kaartje met naam en adres van de eerlijke vinder, en stonden weer op straat. Oftewel: we moesten nu zestig kilometer terug naar het Vierwoudstrekenmeer om onze vakantie te kunnen vervolgen alsof er niets gebeurd was, maar omdat we volgens het kaartje pas werden verwacht ‘zwischn 17 – und 18 oo’ hadden we alle tijd om zuidwaarts te karren. We gingen iets drinken aan de oever van het meer en zagen in de verte hagelwitte jachten over het water laveren. Toen er een regenbui overtrok, werden abrupt hun zeilen grijs.

De Barmhartige Zusters van Ingenbohl, dat was dus geen toeval geweest. Tegen zessen arriveerden we na enig zoeken (ook de gps was nog niet uitgevonden) bij de Schwyzerstrasse 55a, dat een kaal huis tussen grasvelden aan een asfaltweg bleek te zijn. Niks romantisch. We belden aan en een vrouw deed open. Een zakelijke transactie volgde. Wij waren natuurlijk opgelucht om onze passen en biljetten terug te hebben, maar van ontroering over de naastenliefde van deze persoon – die uit de goedheid van haar hart had besloten zich niet ons bezit toe te eigenen maar dit belangeloos bij het gezag in te leveren – was geen sprake. Neutraal Zwitserland heeft ‘het mooie gebaar’ geïnstitutionaliseerd en verleent de vinder een wettelijk recht op tien procent van de waarde. Dat betekende een enorme hap uit ons vakantiebudget: 70 van de 700 Franken, die ten opzichte van de gulden toch al zo duur waren. De hebberige Helvetische had haar aandeel reeds uit Rons polstasje gevist.

In het bijbelboek Mattheüs (25: 35-36) worden zes van de zeven werken van barmhartigheid opgesomd. De Zoon des mensen spreekt er Zijn waardering uit over hongerigen spijzen, dorstigen laven, bloteriken kleden, vreemdelingen herbergen, zieken bezoeken en gevangenen troosten. Het begraven van doden is het zevende werk, maar werd pas in de vierde eeuw na Christus toegevoegd. Jezus belooft de baatzuchtige bokken van de behulpzame schapen te scheiden, en dreigt aan het slot van het verhaal: ‘De bokken wacht eeuwige straf.’ Schrale troost voor een bestolen scholier.

Over de auteur

Joost Pollmann (1957) organiseerde tien edities van de Stripdagen Haarlem, publiceerde meerdere essaybundels en schrijft sinds 1998 over strips voor de Volkskrant. Hij geeft in binnen- en buitenland lezingen over tekenkunst en beeldcultuur. In de zomer van 2021 verscheen bij uitgeverij In de knipscheer de verhalenbundel Sneu karma.

Over de illustrator

Joost Halbertsma (1984) werkt vanuit zijn studio in hartje Rotterdam met een goede do-it-yourself overtuiging. Naast illustraties maakt hij pinatas, prints, installaties van karton en ontwerpt hij regelmatig exposities. Ook is hij een van de oprichters en editors van Kutlul, een uit de hand gelopen zine voor het betere internationale autonome strip- en tekenwerk. Zie instagram.com/joosthalbertsma.

Lees meer van

Meer dan duizend woorden

Door Joost Pollmann

Beeld: © Rob Funcken Portretschrijven houdt in dat je je fantasie loslaat op een foto.Wat zie je, wat gebeurt er buiten het kader, wat speelde zich voor en na deze momentopname af? Deze rubriek laat zien dat een foto inderdaad meer dan duizend woorden zegt. Tel maar. In de krochten van het nachtleven Ysbrand sloot […]

Lees meer uit de categorie proza

De Nieuwe Lichting: Lars Meijer

Door Lars Meijer

De Optimist vroeg de nieuwe lichting afgestudeerden van schrijfopleidingen in Nederland en Vlaanderen om hun eindwerk in te sturen. In DE NIEUWE LICHTING presenteren wij fragmenten uit dat werk en stellen wij de schrijvers van de toekomst voor. Lars Meijer studeerde af aan de opleiding Creative Writing aan ArtEZ met Alleen mijn vrienden zijn bang, een […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper