proza

Petrarca

Door Rodrigo Blanco Calderon | beeld: Jalinka Gressmann
21 juni 2021

Uit de verhalenbundel Los terneros, Páginas de espuma, Madrid, 2018.
Vertaling uit het Spaans: Daan Pieters

 

In de metro zien Petrarca en ik iets vreemds: drie blinden, die elkaar bij de ellebogen vasthouden als wagons van een dronken trein, volgen een beambte die hen over het perron naar boven leidt.
   Als ze bijna verdwenen zijn, vertelt Petrarca me een van zijn verhalen.
   Het gebeurde in 1998, in Mexico-Stad. Dat jaar maakte hij eindelijk zijn middelbare school af. Hij was eenentwintig, en haalde zo dus zijn diploma als probleemkind. Het was een bevestiging van het anachronisme dat altijd al zijn lot had gekenmerkt. Zoals zijn naam uit de late middeleeuwen, of het feit dat hij als jongen al wit haar had.
   Als laatste van negen kinderen was zijn geboorte een opeenstapeling van voorouderlijke fouten, maar hield ze ook het vooruitzicht van verandering in. Zijn moeder was zesenveertig, maar het verlangen om een dichter genaamd Petrarca als zoon te krijgen, was sterker dan onverschillig welk medisch advies. Zo gaf hij haar een geschenk, door haar te leren kennen zoals alleen hij haar kende, en schonk hij haar ook haar einde (een hartinfarct) op zijn elfde.
   Toen hij naar Mexico besloot te vertrekken, deed Petrarca al vijf jaar aan klimmen en alpinisme. In de rotsachtige uitlopers van het gebergte bij Mexico-Stad vond hij de ideale omstandigheden om van die sporten zijn beroep te maken. Zijn oudere broer Martín wilde dat hij daarnaast ook zou studeren of een of ander baantje zoeken. Petrarca herinnerde zich dat zijn oude klasgenoot Achiles (van een van de scholen waar hij tijdens zijn puberteit had gezeten) daar woonde en hem misschien kon helpen. En zo geschiedde. Hij was nog maar nauwelijks aangekomen toen hij als assistent aan de slag ging voor het televisiekanaal waar Achiles werkte als sounddesigner van Mexicaanse soaps.
   ‘Een soap bestaat uit geluiden en stemmen. Mensen kijken eigenlijk niet naar soaps. Ze luisteren ernaar terwijl ze de afwas doen, hun kleren wassen of de krant lezen,’ zegt Petrarca.
   Stemmen, denk ik. Petrarca vertelde me over de stem van zijn moeder, die hem op zijn achtste de Canzoniere voorlas. Toen vernam ik dat hij tot die leeftijd in Capaya had gewoond, een dorpje in de streek Barlovento waar zijn vader een landgoed had. Aan die tijd hield hij zijn voorliefde voor poëzie over, de band tussen filosofie en natuur en een passie voor messen. Van zijn vader, een typische kerel uit Trujillo (‘ik ga je pijpje oversnijden,’ dreigde die soms), erfde hij zijn tegendraadse karakter en de neiging om ruzies te beslechten met een stuk metaal.
   ‘Naast dichter wilde mijn mama dat ik herder zou worden. Daarom kocht ze een geit voor mij waarmee ik moest gaan wandelen om haar in de buurt van het dorp te laten grazen. Maar Capaya was een woestenij: de enige plek waar wat gras groeide, was het kerkhof. Dus gingen mijn moeder en ik, gekleed in een tunica met een touw rond ons middel, met die geit naar het kerkhof. En op het kerkhof las ze me voor uit Petrarca’s Canzoniere.
   Na zijn terugkeer uit Mexico ontmoette hij Yana, zijn beste jeugdvriendin, weer aan de faculteit filosofie van de Universidad Central. Petrarca was gestopt met klimmen en Yana was gescheiden. Vanaf toen maakten ze van hun weerzien een romantische versie van Het zijn en het niet.
   Maar voor de geleerde filosofie kwam de praktische filosofie.
   ‘Alpinisten en klimmers zijn filosofen,’ zegt Petrarca. ‘Ze denken over alles na in abstracte termen. Maakt niet uit of ze de Mount Everest beklimmen of dertig biertjes hijsen op een avond. De dag erna roken ze een joint en vergeten ze het absolute en hun kater.’
   Aanvankelijk begon Petrarca letterlijk te klimmen om het hoofd boven water te houden. Hij was zestien. Zijn moeder was vijf jaar eerder overleden, zijn vader was teruggekeerd naar Trujillo in een waas van alcohol en toen vertrokken Martín en zijn vrouw Jimena, die sindsdien zijn pleegouders waren, ook nog naar New York.
   Hij moest in Caracas blijven met een van zijn broers, maar had het gevoel dat hij eigenlijk achteropraakte op de weg van het leven, dat hij op de laatste plaats stond, die van de absolute eenzaamheid.
   ‘In die tijd, toen Martín en Jimena vertrokken, scheelde het niet veel of alles ging voor mij naar de mallemoer,’ zegt Petrarca.
   Om niet als laatste aan te komen besloot hij de coördinaten drastisch te veranderen. De horizontaliteit van de x-as in wisselde hij in voor de verticaliteit van de y-as. Hij ging van school en begon de bergen in te gaan om te klimmen.
   Ik weet niet wat er tussen zijn zestiende en zijn eenentwintigste in zijn leven gebeurde. Tussen de beslissing om te gaan klimmen en het besluit om nog hoger te klimmen. De wanhoop kan een put zijn, maar net zo goed een top. Laten we Petrarca situeren tussen beide punten, die hij exploreerde alsof het kaarten waren die zijn toekomst in codetaal beschreven.
   Laten we ons dat inbeelden en een sprong maken naar eind 1998, in Mexico-Stad. Dicht bij de Zócalo is Petrarca op zoek naar een adres.
   ‘De opera, zegt u? Zoiets als de schouwburg?’ vraagt de taxichauffeur die hem naar het centrum heeft gebracht.
   ‘Bar La Ópera,’ verduidelijkt Petrarca.
   ‘Weet ik veel, man. Ik kom uit Toluca.’
   Petrarca betaalde en begon te lopen. Hij sprak een heer op leeftijd aan die aan zijn hoofd krabde en toegaf dat hij afkomstig was van Querétaro.
   ‘Ik breng u er wel naartoe, jongeman,’ zei iemand.
   ‘Een prachtige mannenstem,’ vertelt Petrarca me. ‘Een stem als van een soapacteur.’
   Toen hij zich omdraaide, werd hij verrast. Een paar seconden dacht hij erover na, maar de opgerichte arm van de blinde, die rechtop probeerde te blijven in de lucht, duldde geen uitstel.
   En zo liepen ze onder leiding van de blinde naar La Ópera.
   La Ópera is een bar die op een saloon uit een cowboyfilm lijkt. Klapdeuren, houten tapkast, houten zoldering, houten vloer. Veel hout.
   Eenmaal ze een tafel hadden gevonden, bleef de blinde naar de vloer zitten kijken. Enkele seconden later richtte hij zijn blik op, tastte hij met zijn witte ogen de dichte lucht af en riep de ober:
   ‘Hoe gaat het, Miguelito? Deze jongeman hier wil de kogelinslagen zien.’
   ‘Dat kan,’ zei Miguelito, en hij wees naar een punt dat amper zichtbaar was in het donkere patroon van de zoldering. ‘Wat wilt u drinken?’
   ‘Ik ging knock-out,’ vertelt Petrarca me.
   Blijkbaar had de blinde op straat zijn accent herkend en besloten hem te helpen omdat hij ook uit Venezuela kwam. Maar tegen de ober praatte hij alsof hij een Mexicaan was.
   ‘Twee Modelo Negra’s, Miguelito.’
   ‘Bovendien weet ik niet hoe hij wist dat ik naar La Ópera wilde gaan om de inslagen te zien van de kogels die Pancho Villa daar naar verluidt had afgeschoten,’ vertelt Petrarca me.
   ‘Vind je het gek? Alle toeristen komen toch hetzelfde bekijken en zijn allemaal even teleurgesteld,’ zei de blinde.
   ‘En hoe heet u?’
   Onderweg had Petrarca zich voorgesteld, maar de blinde had hem nog niet zijn naam verklapt.
   ‘Tiresias,’ zei de blinde.
   ‘Echt?’
   ‘Nee. Geintje. Ik heet Juan.’
   Ook al heette hij niet Tiresias, de blinde leek wel alles over hem en Francesco Petrarca te weten. Terwijl hij hem op een hoorcollege over lyrische poëzie vergastte, gaf de blinde hem met de behendigheid van een zakkenroller zijn levensverhaal terug. Hetzelfde verhaal dat hij uit Petrarca’s zak had gejat zonder dat die iets in de gaten kreeg.
   ‘Vergeet Diana,’ zei hij aan het einde van zijn langdradige betoog.
   ‘Yana. Met een Y,’ onderbrak Petrarca hem, terwijl hij met zijn vinger een schuine lijn omhoog trok, het profiel van een berg, alsof de blinde hem kon zien.
   ‘Juist, Yana. Als ze al getrouwd is, moet je je inbeelden dat ze dood is. Je moet ook de vaste baan aanvaarden die ze je aanbieden bij de televisie, zodat je kunt doorgaan met klimmen en zo. En schrijven. Alleen zo kun je je moeder gehoorzamen en dichter worden.’
   ‘Je moet dit, je moet dat,’ herhaalde Petrarca voor zichzelf.
   Vond die dialoog werkelijk plaats? Zou het waar zijn dat zijn Tiresias Juan heette en in Mexico-Stad woonde? Zou hij ook een in Mexico verdwaalde Venezolaan worden? Dat hij zich die dingen op die manier afvroeg, met een commentaarstem, was dat soms geen teken?
   ‘Petrarca deed zelf aan bergbeklimmen tijdens zijn ballingschap in de Vaucluse,’ vertelde Juan. ‘Daar begon hij in 1337, tien jaar na die 6 april waarop hij bij de poort van de Sint-Clarakerk in Avignon Laura voor de eerste keer zag, een groot deel van zijn herdersgedichten en vrijwel zijn hele Canzoniere te schrijven.
   ‘Op 6 april?’ vroeg Petrarca.
   ‘In 1327,’ vulde Juan aan.
   ‘Op 6 april.’
   ‘Yep.’
   ‘En hij was bergbeklimmer.’
   ‘Ja.’
   ‘En wie is die Laura?’
   ‘De liefde van zijn leven. Ik zeg niet onmogelijke liefde, want echte liefde is altijd onmogelijk. De dichter heeft de opdracht die te vinden in zijn leven, daarna te verliezen en vervolgens terug te vinden in de poëzie.’
   Petrarca dronk de helft van het bier dat hij nog over had in één keer op en probeerde zijn gedachten te ordenen. De blinde had zijn glas al leeggedronken en bestelde nog een rondje. Nu deed hij dat zonder de lucht af te tasten, en hief hij zijn arm op alsof hij een pistool richtte en zijn bestelling in de zoldering schoot.
   Het bier kwam en ze zaten een tijdje in stilte te drinken.

   Petrarca was erin geslaagd om zijn ideeën te ordenen, maar het resultaat van die ordening kwam nog steeds overeen met zijn oorspronkelijke vrees: hij had Yana leren kennen op 6 april.
   ‘Je zou een interessant artikel van de wereldgeschiedenis kunnen schrijven dat alleen over die datum handelt,’ zei Juan, die mijn gedachten las. ‘Dante en Beatrice, Petrarca en Laura, Garcilaso de la Vega en Isabel Freyre: alle drie zagen ze hun geliefden voor de eerste keer op die dag, alle drie torsten ze hun verdriet ver van hen en alle drie waren ze zeer grote dichters.’
   666, dacht Petrarca. Hij werd afgeleid door de luchtpijp van de blinde, die zone die zijn vader ‘het pijpje van de duivel’ noemde. Hoorde hij al die dingen echt? 6 april, 6-04: Dante, Petrarca, Garcilaso de la Vega en nog eens Petrarca. Ging het daarover? Zou het waar zijn wat de blinde vertelde? Was 9 niet Dantes getal?
   Ze dronken hun bier op en Juan zei tegen Petrarca dat hij de rekening moest vragen.
   Juan maakte helemaal geen aanstalten waaruit zou blijken dat hij de kosten wilde delen. Petrarca haalde een paar briefjes uit zijn portefeuille en rekende af.
   ‘We gaan,’ zei Juan.
   Petrarca gehoorzaamde en ze liepen de bar uit.
   ‘De lucht op straat hielp me om weer wat wakker te worden,’ vertelt Petrarca me. ‘Het werd al laat. Ik vroeg hem waar we naartoe gingen.’
   ‘Naar de Torre Latinoamericana,’ antwoordde Juan.
   Dat is een van de meest karakteristieke gebouwen van Mexico-Stad. Een tijdlang was het met zijn ruim veertig verdiepingen de hoogste wolkenkrabber van Latijns-Amerika en een van de hoogste ter wereld. Maar dat was niet het belangrijkste.
   ‘Het belangrijkste,’ vertelt Petrarca me, ‘is dat die toren als een grote baas de aardbeving van ’85 had doorstaan.’
   Het probleem is dat ik het uitkijkpunt van het gebouw al kende. Dat zei ik ook tegen Juan.
   ‘We gaan niet naar de stad kijken,’ zei de blinde. ‘We gaan zo duizelig mogelijk worden.’
   Toen we op het hoogste uitkijkplatform stonden, hield Petrarca halt en bestudeerde in detail de lift met het oude, wit uitgeslagen metaal.
   ‘Wat scheelt er?’ vroeg Juan hem.
   ‘De lift,’ antwoordde Petrarca.
   ‘Wat met de lift?’
   ‘Het lijkt een bergbeklimmer.’
   Ze kwamen aan het einde van het uitkijkplatform.
   ‘Leun over de rand,’ beval Juan hem.
   Petrarca zette een stap voorwaarts en keek.
   Enkele seconden later begon Mexico-Stad naar de bodem van het glas toe te groeien, als een vloedgolf die eindeloos kwam opzetten. Petrarca’s ogen verdwaalden in de nevel van de middag, op zoek naar de vochtige rand van het uitzichtpunt.
   ‘Ik kon niet meer zien,’ vertelt Petrarca me.
   ‘Hoezo dan?’ vraag ik.
   ‘Ik weet het niet. Het leek wel een witte verblinding, alsof ik te ver was gereisd en de wereld in de rug verraste. Als ik een beetje meer had volgehouden, zou ik misschien uiteindelijk de wereld hebben ingehaald. Misschien had ik dan mijn eigen cyclus kunnen vervolmaken om, als ik eenmaal was losgeraakt van mezelf, opnieuw te beginnen. Dat had gekund, maar ik deed het niet. En ik deed het niet omdat ik plotseling aan de lift dacht. Ik dacht aan de lift en zag mezelf als een lift die naar boven en beneden op bergen ging. Om op de top marihuana te roken en het geluid van Mexicaanse soaps te producen als ik weer beneden was. Zonder Yana, zonder gedichten te schrijven, alleen meer de hele tijd naar boven en weer naar beneden zoals die sukkel Sisyphus, tot het einde der tijden, wanneer de touwen waar ik aan vasthing, zouden beslissen om te breken.’
   Dat dacht onze Zarathoestra toen hij voelde dat hij bij zijn billen werd gegrepen.
   Zijn blik kwam terug van de uithoeken van Mexico-Stad, van die horizontale Mount Everest die hem deed terugdeinzen voor het vooruitzicht van een terra incognita, en viel op Juans onbeholpen hand die zijn kont streelde.
   Op dat moment verzoende Petrarca zich onverwachts gedurende enkele seconden met zijn vader.
   ‘Ik ga je pijpje oversnijden,’ zei Petrarca.
   ‘O ja? Ja, ja, snij maar over,’ antwoordde Juan opgewonden. Toen voelde hij de punt van het mes op zijn luchtpijp, stopte met Petrarca te betasten en begon te beven.
   Toen ze van de toren waren afgedaald, door de straat liepen en het metrostation binnengingen, bleef Juan zich de hele tijd verontschuldigen. Petrarca gaf hem enkel zijn arm, zonder te antwoorden. Het was drukste uur van de avondspits. Op het perron zag het zwart van het volk. Er werd gebotst en geduwd; opeengepakte, blinde, tegen elkaar aan schurkende lijven betastten elkaar anoniem.
   De trein reed het station in en de mensen stonden te drommen bij de deuren.
   ‘Het was niet mijn schuld,’ vertelt Petrarca me. ‘Ik heb gedaan wat ik kon.’
   Hij was in de wagon geraakt terwijl de blinde zich nog steeds op het perron een weg probeerde te banen. De blinde drumde en botste tegen de mensen, zoals je soms in je droom tegen zo’n enorm, uit het niets gekomen net aanbotst.
   Petrarca zag hoe Juan achteropraakte in het gewoel, waardoor hij uiteindelijk terugzakte naar helemaal achteraan de mensenmassa die hem de rug toekeerde.
   ‘Toen gingen de deuren van de trein dicht,’ zegt Petrarca,’ en dat was het laatste wat ik van hem heb gezien.’

 

Daan Pieters (1978) vertaalt en recenseert Spaans- en Franstalige literatuur. Zie literairvertalen.org

Over de auteur

Rodrigo Blanco Calderón (1981) groeide op in Caracas, maar emigreerde zoals zoveel andere Venezolanen nadat Hugo Chávez het land naar de afgrond had gedreven. Aanvankelijk belandde Rodrigo in Parijs, waar hij literatuur en linguistiek studeerde en promoveerde op een dissertatie over zijn landgenoot Juan Carlos Méndez Guédez. Ondertussen bleef hij zelf ook schrijven: de Nederlandse vertaling van zijn roman The Night verscheen in 2017 bij de Bezige Bij. In hetzelfde jaar verscheen hij ook op Crossing Border in Den Haag. Tegenwoordig woont hij in het Spaanse Málaga.

Over de illustrator

Jalinka Gressmann is een mixed media artist/visual artist. Ze maakt collageportretten, fotografeert en geeft experimentele tekenworkshops. Kijk voor meer werk en info op jalinka.com.

Lees meer uit de categorie proza

Ik deel de lucht met de vogels

Door Agata Tomazic

vertaling: Staša Pavlović        Soms wordt het echt ondraaglijk. Ze smakken zo luid, dat ik er wakker van werd. Daarnaast kibbelen ze over wie de lekkerste hap gaat krijgen, dus terug in slaap vallen kan ik ook niet. Ik hoor alles, hoewel de ramen dubbel glas hebben en goed sluiten. De ene wil […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper