Een vis voor meneer Verstappen

Door
29 juli 2021

Ik klemde de hengel onder mijn oksel en sloot de deur van de tuinschuur. Mijn zoon lag nog te slapen, hij was weer naar de stad geweest. Zijn arm hing van het stapelbed naar beneden. Ik stapte stilletjes door de tuin en langs het huis van meneer Verstappen. Ik wilde hem en zijn vrouw niet wakker maken. Het moest een verrassing blijven.
   Vier jaar hadden we eraan gewerkt, aan zijn boerderij. Ik had ook nog nooit eerder een boerderij verbouwd, maar dat hoefde meneer Verstappen natuurlijk niet te weten. Thuis zeiden ze dat die Nederlanders dat toch nooit merkten – ik leerde het gaandeweg wel. Mijn familie lachte ons nog uit dat we al die tijd in zijn schuur sliepen. Maar met het geld konden we Rafałs studie betalen, of een deel daarvan.
   Tussen de kribben in de rivier lagen smalle zandstranden. Op het eerste kampeerden een paar jongens – ze hadden een grote koepeltent opgezet, twee scooters ernaast. Een van hen zat op een bierkrat in het zand. Hij gaapte. Verspreid over het strand lagen de lege groene flessen.
   ‘Morgen.’
   Ik stak mijn hand op.
   ‘Wat?’
   De jongen schrok. Misschien was hij het niet gewend om vreemden te begroeten. Ik daalde af naar het strand.
   ‘Morgen.’
   ‘No, no,’ zei de jongen en hij gebaarde afwijzend. ‘No money.’

Het volgende strand was gelukkig leeg. Ik legde de hengel in het zand en greep een paar sprinkhanen uit het riet, door de dauw waren ze nog te koud om weg te springen. Ik stopte ze in een glazen pot met gaatjes in de deksel. Langzaam rekten ze hun poten. Ik leerde het van mijn vader toen ik jong was, voor elke gelegenheid ving hij een vis – Kerstmis, Allerheiligen, zelfs op de Dag van de Grondwet nam hij me mee naar het water. Een grote vis voorspelde geluk, een kleine voorzienigheid – hoewel ik daar zelf natuurlijk nooit in geloofde. Ik ging zitten op de basaltstenen van de krib en hing een sprinkhaan aan de haak.
   Meneer Verstappen en zijn vrouw wilden dichter bij de natuur wonen, daarom kochten ze de boerderij. Ik weet nog dat Rafał de eerste avond van de verbouwing zag hoeveel water er achter het huis stroomde.
   ‘Deze mensen zijn geschift,’ zei hij, ‘lieve Jezus, waar zijn we aan begonnen?’
   ‘Niet vloeken met de Heer! En zo zijn ze gewoon, die rijken. Ze willen altijd iets wat nog niemand heeft.’
   ‘Waar heb je het over?’
   ‘Kijk om je heen dan, zie je hier ergens een boerderij staan? Zolang ze maar betalen – wat kan ons het schelen dat het over tien jaar onder water staat?’
   In het begin was ik ook bang dat hij het niet zou volhouden, met die zachte handen van hem. Hij was zeventien toen we aan de verbouwing begonnen – had zijn school goed afgerond. Maar hij bleek een echte Czyżewski, al na een paar weken had hij eelt op zijn vingers. Klaagde ook nooit. Natuurlijk ging hij in de weekenden naar de stad, hij ontmoette er een paar Roemenen, maar zo’n mooie Nederlandse meid heeft hij nooit gevonden.
    De jongens achter de krib waren al vroeg dronken. Ze speelden luide rapmuziek en ik hoorde ze hardop boeren laten. Soms klom er een op de stenen en piste hij in mijn richting.
   Ik haalde mijn lijn binnen. Er hing niets meer aan de haak. Ik schudde de pot sprinkhanen eerst heen en weer om ze te verwarren, en pakte toen de allergrootste, een beige sprinkhaan – niet groen zoals de rest. Zijn poten waren twee keer zo lang als zijn lijf. Een grote vis zou passen bij het moment – meneer Verstappen was een goede werkgever geweest. Het had me wel verbaasd hoor, ze hadden me nog gewaarschuwd voor de Nederlanders. Dat ze geen vrienden wilden worden. Dat ze op hun geld zaten. Maar meneer Verstappen betaalde altijd op tijd. In het eerste jaar reed hij me zelfs naar een viswinkel voor de hengel en daarna naar een groot gebouw in de stad, waar ik een boekje kreeg met een glimmende kaft – mijn eerste vispaspoort. In de schuur liet ik het aan Rafał zien en we kwamen niet meer bij van het lachen.
    Hij was het ook die zei dat ik een vis voor ze moest vangen. De verbouwing was bijna voltooid, we waren al zo ver dat we in sommige kamers onze schoenen uitdeden, zodat we bij het plaatsen van de plinten niet langer de vloer vuilmaakten.
   ‘Of zouden ze dat niet willen?’ vroeg Rafał. ‘Hier in de schuur?’
   Ik keek naar de vuile werkkleding onder het stapelbed. Naar het elektrische kooksetje op de vensterbank.
   ‘Tuurlijk wel,’ lachte ik. ‘Maar dan moeten ze wel hun eigen stoelen meenemen.’
    Ik hield de vis met beide armen vast op het strand. Ik stond half in het water, zo groot was hij, mijn schoenen en sokken waren doorweekt. Dit was ook al wat later op de dag, ik had misschien vier voorntjes gevangen. Dit was de eerste echte vis, zijn rugvin kraste in mijn vingers.
   Ik sloeg hem stevig in zijn nek – twee keer, bij de wervel. Hij krulde zich om mijn hand. Zakte toen slap in het zand. Een van de dronken jongens stond op de krib toe te kijken. Hij riep iets naar zijn vrienden.
   Ik liet mezelf op mijn rug in het zand rollen, vlak naast de dode vis. Ik was buiten adem, ik hijgde, ik was het niet meer gewend om zo snel te bewegen. Ik voelde mijn hart in mijn polsen kloppen. Maar het was gelukt. Ik staarde naar de lucht. Hier en daar waren de wolken zo dun dat ik het blauw erachter zag.
   ‘Wat een joekel.’
   De dronken jongens stonden opeens bij de vis.
   ‘Ja,’ herhaalde ik. ‘Een joekel.’
   ‘Wat voor soort is het?’

Ik kwam niet meteen overeind. Ik rolde mijn hoofd opzij en keek naar de vis. Langs de onderkant glom een roze gloed, alsof iemand een rode lamp in de maag had gelegd.
   ‘Forel,’ zei ik.
   ‘Maar je doodde hem.’
   Met mijn hand maakte ik een lepelend gebaar.
   ‘Om te eten.’
   ‘Kun je deze eten? Zo uit de rivier?’
   De jongens keken mij verbaasd aan. Ik begreep ze niet, misschien had ik ze niet goed verstaan.
   ‘Je kan bijna alle vissen eten,’ zei ik verward. ‘Bakken. Of in de oven.’
   De jongens overlegden met elkaar. Ze spraken snel, ik lette er niet op. Ik was nog steeds buiten adem. Ik hield mijn hand op mijn borst en probeerde mijn hartslag langzaam te kalmeren.
   ‘Hoeveel wil je?’
   Een van de jongens leunde over me heen. Hij droeg een zonnebril en zijn halflange haren waren warrig achter zijn oren gestoken. Zijn vrienden bleven bij de vis.
   ‘Wat?’
   ‘Voor die vis natuurlijk – hoeveel?’
   Hij gleed zijn duim tegen zijn wijsvinger.
   ‘Hij is niet te koop. Hij is voor mij, om te eten.’
   ‘Die is toch veel te groot voor jou,’ lachte de jongen. ‘Voor ons is het beter. Wij zijn met z’n vieren.’
   Een van zijn vrienden tilde de vis van het zand. Met gestrekte armen hield hij hem voor zich, alsof hij er bang voor was. Een ander rukte de haak eruit.
   ‘Rustig aan!’ riep ik. ‘Hij is niet van jullie.’
   Ze tilden de vis naar de krib. Ik kwam snel overeind. De jongen met de zonnebril ging tussen mij en zijn vrienden staan.
   ‘Ho maar,’ zei hij en hij legde zijn handen op mijn schouders om me tegen te houden. ‘Hij is ook van jou, maar wij willen gewoon wat lekkers eten. En we betalen – hoeveel wil je?’
   Ik duwde zijn handen weg en ging staan. Zijn vrienden slingerden de vis over de krib. Ze lachten.
   ‘Nou? Hoeveel dan?’ De jongen pakte zijn portemonnee erbij. Hij schoof er een stapeltje briefgeld uit.
   ‘Kom op, je kunt het vast gebruiken.’
   Hij waaierde de briefjes uit voor mijn ogen.
   ‘Hij is niet voor jullie,’ zei ik. ‘Hij is voor meneer Verstappen.’
   De jongen drukte de briefjes tegen mijn borstkas.
   ‘Pak het gewoon, oké? Haal iets leuks voor je familie – daar kom je hier toch voor? Je familie?’

Het duurde nog een half uur voordat meneer Verstappen uit zijn huis kwam. Hij begreep eerst ook niet waarom ik belde – ik had niet zoveel Nederlandse nummers in mijn telefoon staan, alleen dat van hem en dat van mijn zoon. En ik wilde Rafał ook wel bellen, die zou de vis zo terugkrijgen, maar zijn werkvergunning was al afgepakt omdat hij een keer ruzie had gemaakt in de stad.
   Meneer Verstappen stapte door het houten poortje de achtertuin uit en daalde af naar het strand. Ik vertelde hem wat er gebeurd was. Ik gaf hem het geld en ik wees naar de krib.
   ‘Maar wat wil je dat ik doe dan?’
   ‘Nou, gewoon,’ zei ik. ‘Ik wil die vis terug – ze hadden hem helemaal niet mogen meenemen.’
   Ik hoorde de jongens gillen. Iemand hield de vis boven zijn hoofd, ik zag alleen zijn armen boven de krib uitsteken. Hij rende ermee achter zijn vrienden aan.
   ‘Ze hebben er toch voor betaald?’ Meneer Verstappen telde het geld. ‘En niet weinig ook, zie ik.’
   ‘Maar ik wilde hem helemaal niet verkopen. Het was juist bedoeld als cadeau – voor jou, voor jullie.’
   ‘Maar ík hoef toch geen vis.’
   ‘Het gaat ook niet om die vis, het gaat erom dat die jongens – die dachten vast van, ja, daar heb je er weer zo een, snap je? Die komt niet van hier en…’
   ‘Zeiden ze dat? Of wat zeiden ze precies?’
   Meneer Verstappen fronste zijn wenkbrauwen. Ik probeerde me te herinneren wat de jongens precies gezegd hadden, maar veel was het niet.
   ‘Het was ook meer hoe ze het zeiden – hoe ze deden.’

Toen begon hij te lachen.
   ‘Je hebt je vast vergist – je Nederlands is heel goed, hoor, maar je kent natuurlijk nog niet alle omgangsvormen. Waarschijnlijk heb je ze verkeerd begrepen,’ hij tilde mijn hand bij mijn pols omhoog en drukte het geld erin. ‘Laat het maar gewoon gaan. Het is veel voor een vis. Je zou juist blij moeten zijn.’
   Ik staarde naar de grond. Mijn hengel lag in het zand naast me, de lijn was nog niet ingehaald.
   ‘Dus je doet niets?’
   ‘Ik ben hier toch helemaal naartoe gekomen? Heb ook wel wat beters te doen.’
   Ik raapte de hengel op. Er bleven zandkorrels aan de hals kleven, maar ik nam niet de moeite ze eraf te vegen.
   ‘En waarom een vis? We betalen je toch gewoon? Laat die jongens maar, die zijn nog jong, die misdragen zich gewoon een beetje. Net zoals Rafał – daar heb ik ook niet moeilijk over gedaan, hè? En dat geld komt je vast wel van pas,’ hij knikte naar de boerderij. ‘Hier houdt het ook bijna op.’
   Meneer Verstappen draaide zich om en liep het strand af. Met een paar lichte stappen stond hij bij het poortje van zijn tuin. Ik bekeek de boerderij die we voor hem verbouwd hadden. Het zonlicht werd weerkaatst door de zonnepanelen. Achter het glas van de nieuwe serre zag ik zijn vrouw zitten, aan de eikenhouten eettafel. En hij floot. Meneer Verstappen floot alsof er niets aan de hand was.

Lees meer van

Wout gebruikt… Egels

Door

Wout Waanders stift maandelijks een gebruikshandleiding voor De Optimist. Dit keer gebruikte hij een kraan.

Lees meer uit de categorie

Wout gebruikt… Oproepfuncties

Door

Wout Waanders stift maandelijks een gebruikshandleiding tot een gedicht voor De Optimist. Dit keer gebruikte hij een telefoon.   

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper