Voor alles

Door
19 juli 2021

Op het moment dat ik het briefje op de keukentafel zie liggen weet ik dat het mis is. Ik twijfel geen moment en bel 112. Niet dat er voortekenen waren in de afgelopen weken. Zoals elke woensdagochtend als ik het huis binnenkom via de achterdeur, tref ik ook deze morgen in de kleine keuken één glas voorzien van melkresten, één beboterd mes en één bordje met broodkruimels aan, die ik deze ochtend zal afwassen en opbergen in de kast, daar waar het hoort. Toch is de aanblik van het briefje voldoende om te beseffen dat het mis is.
   Als de meldkamer me sommeert om naar boven te gaan, vraag ik of ze me niet geloven.
   ‘Zo moet u dat niet zien mevrouw, maar wij moeten een inschatting maken wie we zullen sturen,’ zegt de stem. Met de telefoon aan mijn oor, mijn jas nog aan en het plastic tasje van de Hema, met daarin een kerstkrans voor op tafel, nog aan mijn arm, ga ik naar boven. De smalle trap met de ondiepe treden, die ik de afgelopen twaalf jaar meer dan honderd keer op- en neergelopen moet hebben, lijkt steiler dan anders.
    ‘Wat ziet u?’ vraagt de stem. Ik geef een gedetailleerde weergave van wat ik zie, alsof ik een radioverslaggeefster ben die de luisteraars live mee moet nemen bij de ontdekking van dit drama.
   ‘Hij ligt er vredig bij. Op zijn rug, boven op het netjes opgemaakte bed, alsof hij na het opmaken ervan dacht: Nog vijf minuutjes liggen voordat ik aan de dag begin, dat kan nog best. En dat het noodlot tijdens zijn hazenslaapje heeft toegeslagen,’ zeg ik zacht. De lege potjes en flesjes op het nachtkastjes verraden dat het niet zo is gegaan, maar dat laat ik achterwege. ‘Hij heeft zijn driedelig pak aan, met zijn zachtroze overhemd,’ ga ik verder. ‘Het lijkt of hij de bruine Van Bommels aan zijn voeten recent nog heeft gepoetst, hij ziet er precies zo uit als toen ik hem voor het eerst zag.’
   ‘Wat is uw relatie tot meneer?’ vraagt de stem als mijn verslaggeving is afgerond. Ik aarzel even en antwoord dan: ‘Ik ben een goede vriendin.’ Ik schrik van mijn eigen antwoord.
   Het is doodstil in de kleine huiskamer. Alleen het tikken van de grote staartklok houdt me gezelschap. Ik zit op de oude fluwelen bank, die ik jaar in jaar uit met zoveel zorg behandeld heb, waardoor hij er nog steeds als nieuw uitziet. Mijn benen voelen loodzwaar aan en mijn handen zijn klam. Het briefje met de vier regels ligt voor me op de salontafel, waar ik de kerstkrans, vreemd genoeg, toch maar gezellig naast heb gelegd.

   Bang geweest
   Voor alles altijd bang geweest

Ik kijk de kamer rond en glimlach naar het platgedrukte spoor op het tapijt dat loopt van de keuken naar de bank. Hier moet hij elke avond heen en weer gelopen hebben. Of zou hij na het eten heel de avond op één plaats hebben gezeten met een boek? Televisie keek hij volgens mij nooit. Het kleine tv’tje staat in het grote wandmeubel aan de zijkant van de kamer. Vanaf de bank is het scherm nauwelijks goed te zien. Tijdens het afstoffen van het oude toestel vroeg ik me keer op keer af of meneer soms een stoel uit de keuken ervoor zet wanneer hij iets wilde zien. Op armlengte afstand dan waarschijnlijk, want een afstandsbediening ben ik nooit ergens in het huis tegengekomen.
   Opeens wordt de stilte verbroken door gepraat op het tuinpad en gemorrel aan de achterdeur. ‘Mevrouw? Bent u daar?’ Ik reageer niet meteen, waarop een tengere, blonde politieagente de kamer binnenstapt en resoluut op me afloopt. Andere voetstappen hoor ik op de trap naar boven gaan. Ik vind het jammer dat ik nu niet meer alleen ben met mijn herinneringen.
   ‘Gaat het?’ vraagt de agente vriendelijk. Ik knik. ‘Kende u meneer al lang?’
   De agente komt nu voorzichtig naast me zitten op de fluwelen bank. Ik vraag me af of dit de eerste keer is dat er twee mensen tegelijk op de bank zitten.
  ‘Twaalf jaar,’ antwoord ik zacht. Twaalf jaar lang, elke woensdagochtend, heb ik zijn spulletjes voorzichtig onder handen genomen. Alles netjes teruggezet op de plaats waar ik het aantrof, maar wel ontdaan van een ragfijn laagje stof. Nooit heb ik iets hoeven opruimen. Alles was altijd netjes aan kant. Krant opgevouwen op de hoek van de tafel, boeken op alfabetische volgorde in de kast, gewichten van de staartklok in opgetrokken positie en de lakens van het eenpersoonsbed netjes om de dekens gevouwen en ingestopt. Soms vroeg ik me wel eens af waarom ik eigenlijk elke week langskwam. Vijftig woensdagen per jaar heb ik de sterke lucht van mottenballen in drie uur tijd weten te verjagen en kunnen vervangen door de geur van een lentebries. Toch had ik altijd een voldaan gevoel wanneer ik wegfietste van mijn klus. Ergens wist ik dat het goed was.

‘Twaalf jaar is best een tijd, dus u kende meneer goed?’ De pen van de agente rust op het nog altijd lege blocnote in haar schoot.
   ‘Zag u hem vaak?’
   ‘Eén keer,’ zeg ik zacht.
   ‘Eén keer per week bedoelt u?’
   ‘In totaal.’
   ‘Sorry, ik verstond u niet.’
   ‘Eén keer in totaal,’ herhaal ik nu iets harder.
   ‘U kent meneer al twaalf jaar zegt u, maar u heeft hem pas één keer gezien?’ De agente slaat haastig het blaadje van haar notebloc om.
   ‘Ja, tijdens de kennismaking, zijn pb’er was er ook bij.’
   ‘Pb’er?’
   ‘Ja, zijn persoonlijk begeleider. Meneer had een begeleider vanuit de zorg.’
   ‘Kreeg meneer zorg? Mankeerde hij wat?’
   ‘Zo precies weet ik het ook niet, maar ik word in ieder geval betaald vanuit zijn pgb.’ Ik merk dat ik geagiteerd raak van zo veel persoonlijke vragen. Meneer was helemaal niet gediend geweest van zo veel bemoeienissen. Zelfs een goedbedoelde ansicht of verjaardagskaart belandde in de vuilnisbak. Het is dan ook een godswonder dat mijn jaarlijkse vakantiegroet in het wandmeubel kon belanden. Ik tel er inderdaad precies twaalf. Ik kan een glimlach niet onderdrukken wanneer ik ook mijn gehaakte kleedje op de tv zie liggen, mijn kussentje op de bank en de gatenplant in het raam. Alles wat deze kamer nog een beetje opvrolijkt heb ik in de afgelopen jaren binnengebracht.

‘Had meneer familie?’ Het notitieblokje van de agente is nu al een eind gevuld.
   ‘Niet dat ik weet. Zijn moeder is een aantal jaren geleden overleden, maar de rouwkaart is inmiddels weggegooid. Ik meen dat daar verder niemand op vermeld stond, behalve meneer zelf.’
   ‘En die pb’er? Weet u wie dat is?’
   ‘Ik heb een telefoonnummer van de instantie die ik moet bellen als ik niet kan komen.’ 
   Ik ben degene die hem het beste kent. Ik weet waar meneer van houdt en wat hij nodig heeft. Ben ik niet degene die er altijd voor heeft gezorgd dat meneer het goed had? Dat er altijd wat gezelligheid in huis kwam en dat er altijd iets lekkers in de koektrommel zat? Meneer was er dol op, want elke week waren de koekjes tot de laatste kruimel verdwenen. Ze moeten verdomme bij míj zijn wanneer ze dingen willen regelen!
   ‘Hoe moet het nu verder met meneer?’ vraag ik aan de agente. ‘Wie moet de begrafenis nu regelen? Meneer heeft niemand, tenminste, bijna niemand…’
   ‘Tja dat wordt nog een probleem,’ zegt de agente. ‘Als we geen familie kunnen vinden, dan wordt het een gemeentebegrafenis. Een ambtenaar zal dan de uitvaart regelen.’

Uit het gestommel op de trap maken we op dat de ziekenbroeders naar beneden komen. Het duurt lang en ze maken veel kabaal. Ik durf niet te gaan kijken, maar ik vrees dat ze meneer naar beneden aan het tillen zijn. Als ik naar buiten kijk, zie ik tot mijn schrik dat er al een zwarte lijkwagen voor het tuinpad staat.
   ‘Ik moet u weer verlaten,’ zegt de agente. ‘Redt u het alleen, of kan ik iemand voor u bellen? Ik zal sowieso contact met u onderhouden, om u op de hoogte te houden van het verloop van de uitvaart van meneer.’ De agente heeft haar notitieblok al opgeborgen en staat al halverwege het tapijtspoor naar de keuken.
   ‘Ik red het wel hoor,’ weet ik eruit te persen. ‘Ik maak hier de boel nog een beetje aan kant en sluit dan het huis af.’
   Als de rust is wedergekeerd in het huisje, stof ik met de Franse slag de kamer, doe het afwasje en haal een borstel door de wc. Gehaast pak ik mijn jas en slinger mijn tas om mijn nek. Voordat ik de deur op slot draai voel ik nog één keer in mijn zak of het briefje erin zit. Onmiddellijk doemen de vier regels weer op in mijn hoofd. Ik weet dat ik ze uit mijn hoofd ken, maar je weet maar nooit op zo’n moment. ‘Ik zal ze voor je voordragen,’ denk ik hardop.
   ‘Als ware het mijn eigen woorden.’

   Bang geweest
   Voor alles altijd bang geweest
   Maar niet voor jou
   Nee niet voor jou

Lees meer van

Losgezongen van papier

Door

Drie kenners over poëzie in de multimediale toekomst. In vergelijking met romans worden er weinig poëziebundels verkocht. Poëziefestivals en –performances, daarentegen, lijken goed bezocht te worden. Zal de poëzie zich van het papier loszingen? Zit er een verdienmodel in multimediale presentaties van poëzie? En: leidt dat tot een wezenlijk ander soort dichtkunst? De Futurist vroeg aan […]

Lees meer uit de categorie

De omgekeerde wereld: De reünie

Door

In de omgekeerde wereld draaien we de zaken voor de verandering eens om. Nu eens niet eerst een tekst waar een illustrator een beeld bij maakt. In de omgekeerde wereld is er eerst de illustratie, daarna gaat de schrijver aan de slag om er een kort verhaal of gedicht bij te maken. In deze vierde aflevering maakte Nastia Cistakova het […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper