Dagboek van een blade runner

Door
5 augustus 2021

Zes weken geleden stopte ik mijn benen in de vriezer. Ik zat op de rand van de vrieskist in de schuur en wriemelde mijn tenen tussen de dozen bamischijven en raketijsjes.
   Het was zondag, mijn ouders waren naar de kerk, en omdat mijn vader dominee is had ik een goede drie uur, wat genoeg moest zijn. Ik las The Catcher in the Rye, een verschrikkelijk kutboek dat ik moest lezen voor school. Ondertussen beet ik op een houtje. Dat is geen uitdrukking of zo, ik had van tevoren een houtje gepakt uit de bak naast de haard. Het werkte verrassend goed tegen de pijn. Je zult je hier ergens beginnen af te vragen waar dit verhaal in godsnaam naartoe gaat. Daarvoor zeg ik sorry. Het moet van dokter Niebolt, het opschrijven dan. Volgens hem werkt het beter als ik net doe alsof ik het aan iemand vertel. Het is niet zo alsof iemand dit ooit te lezen krijgt, daar doe ik mijn uiterste best voor. Ik wurm dit notitieboekje straks weer onder het matras. Mijn ma kan zo nieuwsgierig zijn, waarschijnlijk zou ze fotokopieën maken, voor als ik ooit de nieuwe blade runner word. Kleine kans, zou ik zeggen, ik word altijd als laatste gekozen met gym. Oké, terug naar de vriezer. Zoals voorspeld kwamen mijn ouders precies na drie uur thuis en was drie uur net genoeg. Mijn benen zagen eruit alsof ze waren overreden door een vrachtwagen: het gewenste resultaat. Buiten sloeg de autodeur dicht en werd de voordeur opengewrikt. Mijn moeder liep op haar hakken door het huis met mijn vader erachteraan op een drafje. Ma gooide de achterdeur naar de tuin open waardoor het vliegengordijn in haar gezicht waaide. ‘Godsamme Remi, mijn koteletten!’ Met grote stappen beende ze naar de schuur, terwijl mijn vader met een lijkbleek gezicht het alarmnummer draaide.

 Ik ben Remi, schrijf ik, ben jij de maffiabaas van deze gang? Ik zeg het maar alvast: ik heb geen drugs.

   In het ziekenhuis gaan de ramen op een kier en niet verder, en in de kledingkast hangen geen kleerhangers. Ik zeg tegen de verpleger dat ze zijn vergeten mijn schoenveters af te pakken, hij vindt het niet echt grappig. Ik word zodanig volgepompt met morfine dat ik nauwelijks nog pijn voel, het enige dat ik voel is verveling, ik krijg er nog net geen doorligwonden van. De enige persoon die me gezelschap houdt, is Holden Caulfield, en hij komt me echt mijn keel uit. Een paar keer per dag komen er twee verplegers om me om te draaien, maar niemand lacht als ik met een hoog stemmetje zeg: ‘I’m well done on this side. Turn me over!’ Waarom snapt niemand mijn grapjes hier?
   Na een maand gebeuren er ineens een heleboel nieuwe dingen. Eén: ik krijg een nieuwe kamer, op de revalidatieafdeling, waar het raam helemaal open kan en ik niet meer in de gaten word gehouden door een stel haviken. Twee: ik mag voor het eerst in een rolstoel, dus ik heb iets meer bewegingsvrijheid. Protheses duren nog een eeuwigheid, die kan ik voorlopig wel op mijn buik schrijven. Drie: ik krijg van zuster Leah een briefje in mijn handen gedrukt, haar wenkbrauwen dansen veelbetekenend als enthousiaste rupsen.
   ‘Kijk eens, voor jou.’
   ‘Voor mij?’
   Van de jongen aan het einde van de gang. Zijn naam is Omid, schrijft hij. Hond heeft zijn voet eraf gebeten, en nu zit hij hier, aan het einde van de gang.
   Ik ben Remi, schrijf ik, ben jij de maffiabaas van deze gang? Ik zeg het maar alvast: ik heb geen drugs. PS In mijn vorige kamer had ik geen kleerhangers, enig idee waarom?
   Hij schrijft terug: Geen maffiabaas, wel blij een levende ziel te vinden op deze gang van onder de veertig. PS suïcidale zwangere tienermeisjes. Als ik hem vraag of hij in God gelooft, vraagt hij welke van de vierduizend. Een week later zit Omid op mijn kamer. Hij is precies zoals ik me had voorgesteld. Hij heeft zuster Leah zo ver gekregen dat ze drie keer heen en weer is gelopen tussen onze kamers met bordspellen balancerend op haar armen.
   ‘Het baasje van de hond heeft de hele auto volgeladen met spelletjes en boeken,’ zegt Omid, ‘ze voelt zich echt schuldig.’

We praten over school, onze gedeelde haat voor gym en we spelen mens-erger-je-niet.
   ‘Over een maand mag ik naar huis,’ zegt Omid. Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden. Ik heb geen idee of ik zijn contactgegevens moet vragen, misschien is dit wel zo’n gelegenheidsvriendschap. We blijven daarna nog steeds briefjes schrijven, omdat het ons doet denken aan vroeger, toen we nog kinderen waren en alle ledematen hadden. Het stopt wanneer ik een briefje krijg dat al het bloed naar mijn hoofd doet stromen, en laten we zeggen, ook een andere plek. Ik weet niet wat ik ermee aan moet. De volgende dag zegt Leah: ‘Geen briefje?’ en ik staar uit het raam, naar de zomer die zich opmaakt voor de herfst. Na een paar dagen snapt Omid dat er geen briefjes meer komen, want als hij langsloopt wendt hij zijn gezicht af. Hij zal van zichzelf walgen, zoals ik van mezelf walg. Wat had ik dan moeten doen? Vroeg of laat zou de vraag komen. Ik had hem nooit kunnen vertellen over de vriezer.
   Omdat de briefjesstroom me niet langer meevoert, breng ik veel tijd door met mijn moeder. Als ze een sigaret opsteekt, zegt een zuster: ‘Mevrouw, u mag hier niet roken.’
   ‘Je mag ook helemaal niets meer tegenwoordig.’
   De zuster zet me in een rolstoel en ik rol mezelf naar het raam om te zien hoe mijn moeder een sigaret uitleent aan een kankerpatiënt met een zuurstofcanule in zijn neus. Het lijkt mij persoonlijk een explosiegevaar, maar als je lichaam vol met tumoren zit ben je toch al een tikkende tijdbom. Papa roert zwijgend in zijn koffie, hij is een man van weinig woorden. Het grootste gedeelte van zijn leven beleeft hij in zijn hoofd. Hij werpt een blik op mijn boek dat ondersteboven op het nachtkastje ligt.
   ‘Wist je dat de moordenaar van John Lennon dat boek bij zich had?’
   ‘Ja pap, dat weet ik.’
   ‘En die Manson-grietjes, die ook.’
   Als mijn ma terug is, zegt ze: ‘Ik word helemaal lamlendig van dat joch dat elke keer naar binnen loert hier als hij voorbij hinkelt. Vreemde snuiter.’ Mijn moeder is en blijft een grote bol mysterie voor me. Ze praat tien keer zoveel als mijn vader, en toch zegt ze duizend keer minder. Als ze fruit eet, trekt ze een vies gezicht. Ze doet het nu weer, ze schuift voorzichtig de partjes van een appel naar binnen terwijl haar gezicht verfrommelt als een prop papier. Ik heb geen flauw idee van wat voor soort muziek ze houdt, of ze een honden- of een kattenpersoon is. (Ik gok geen van beide.) Is het raar dat ik dit niet weet? Weten andere mensen van mijn leeftijd dit wel over hun ouders? Ervaren ouders fantoompijn elke keer als ze naar hun kind kijken, omdat het beeld in hun hoofd niet klopt met de werkelijkheid?

Het barst van de mensen die niet helemaal compleet zijn.

   Op een dag begint ze uit het niets zachtjes te sniffen, terwijl ze mijn rolstoel door de ziekenhuistuin duwt.
   ‘Het is mijn schuld.’
   ‘Waar heb je het over?’
   Ze parkeert mijn rolstoel en zet hem op de rem, schudt een sigaret uit een pakje, maar steekt hem niet aan.
   ‘Toen je tien weken oud was, liet ik je op je hoofd vallen. Ik heb het tegen niemand verteld, zelfs niet je vader.’
   ‘Ik denk niet dat het zo werkt, mama.’
   Ze haalt haar neus zo luidruchtig op, dat een paar mensen om ons heen opkijken.
   ‘Nou ja, we zullen er nooit achter komen,’ zegt ze met een flauw glimlachje.
   ‘Zeg mam,’ zeg ik, als ze me een halfuur later weer over de drempel rijdt, ‘ben jij een honden- of een kattenpersoon?’
   ‘Wat is dat nou weer voor mallote vraag? Het zijn allemaal vieze stinkbeesten.’
   Ze trakteert me op een punt appeltaart in de lunchroom. Het fijne aan een ziekenhuis is dat niemand hier gek opkijkt van een jongen zonder onderbenen. Het barst van de mensen die niet helemaal compleet zijn. Vanuit mijn ooghoek herken ik Omid meteen aan de manier waarop hij loopt, als een hert dat net is neergeschoten. Hij torent uit boven zijn ouders. We doen allebei alsof we elkaar niet zien, dat is maar het beste.
   Gisteren nam dokter Niebolt me mee naar het strand, zodat ik het zout van de wind op mijn tong kon proeven. Ma rookte geen sigaret dit keer, ze zegt ze dat ze gaat stoppen. (Eerst zien, dan geloven). Ik keek naar beneden, naar mijn bovenbenen die gewikkeld waren in een deken en ik dacht terug aan toen ik voor het eerst wakker werd in het ziekenhuis en er geen tenen meer waren om mee te wiebelen. Dat waren pure tranen van euforie geweest, een geluksmomentje. Misschien wordt het daarom zo genoemd, omdat geluk niet bestaat, alleen geluksmomenten. We keken zwijgend naar de rollende golven. Ik draaide me om, zo goed en zo kwaad als dat ging, en bedacht me wat voor een gek stel we waren met zijn vieren. De dokter, met zijn plechtige hoofd en zijn potloodsnorretje, en mijn ma die geen idee had wat ze nu met haar handen aan moest, en mijn pa die waarschijnlijk de preek voor volgende week aan het schrijven was in zijn hoofd. De waarheid is dat ik aan het janken was. Tenminste, dat denk ik, misschien was het zout uit de zee. Ja, laten we het daarop houden.
   Hier is nog een waarheid. Ik wilde het zand tussen mijn tenen voelen.

Lees meer van

De straatlantaarn

Door

Hij woonde op de tweede verdieping en een halve vierde. Zijn slaapkamer was op die vierde. De trap daar naartoe was de langste die ik ooit had gezien. Twee etages recht omhoog. Ik vroeg hem of hij me naar boven ging dragen. Hier moest hij om lachen. Ik had nog nooit een woning gezien die […]

Lees meer uit de categorie

BV REPARATIES WERELDVLOEREN

Door

Wat een eikel is het toch. Mijn tante (die met de tatoeage van een nijlpaard op haar bil) zit naast me in de tuin. Hij wil niet eens meebetalen aan de begrafenis van zijn eigen zoon. Onze zoon. Nu weet ik weer waarom ik bij hem weg ben gegaan. Ze trekt haar kin naar achteren […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper