proza

Een rat komt zelden alleen

Door Julien Staartjes | beeld: Myilln
16 augustus 2021

Ze zeggen dat ratten als eerste een zinkend schip verlaten. Lang voordat het naar de bodem wordt getrokken, zijn ze al te water. Trappelend met hun korte pootjes gaan ze op zoek naar iets wat drijft, wat dan ook. Al is het de rug van een verdronken soortgenoot. Alles is beter dan te verdwijnen in de diepte.
   Twee zwarte ogen lichtten op boven het scherm van mijn telefoon. De rat zat op zijn achterpootjes boven op mijn kledingkast. Zijn staart was lang en stevig als een kabel. Ik kwam uit bed en opende het raam. Het regende. Als een portier bleef ik naast het natte kozijn staan wachten tot het beest uit eigen beweging vertrok, de nacht in. Maar een rat is geen vlieg. Zijn blik was nieuwsgierig, zijn lijf onbeweeglijk. Even overwoog ik hem dan maar zelf op te tillen en in een snelle beweging het raam uit te kiepen zodat hij drie verdiepingen lager in de tuin zou landen. Zijn vacht zag er vettig uit. Het onaangename idee hem aan te moeten raken glibberde snel uit mijn gedachten.
   Ik probeerde wat met hem te praten zoals ik weleens met katten deed als ze zich op straat tegen me aan vleiden. Ik wisselde tussen zoete woordjes en korte bevelen. Het enige effect daarvan was dat hij me nu aankeek alsof ik dom was. Inmiddels werd de vloer nat van de regen. Ik pakte een handdoek en klom op een kruk om de rat van dichtbij te bekijken. Zijn snorharen waren wit. Hij knipperde met zijn ogen. Het was een jonge rat, iets aan de dikke kant. Een welvaartsratje, zo een die gevaar niet herkent als het voor hem staat, hem in een handdoek wikkelt en die vervolgens uit het raam leegschudt. Kort bleef hij nog met zijn nagels aan de badstof haken en toen liet hij los. Beneden in de tuin hoorde ik een zachte plof gevolgd door geritsel tussen de bladeren. Hij had het overleefd. Mooi. Ik ging weer in bed liggen. Het was half vier. Iedere keer dat ik mijn ogen opende, was het slechts vijf minuten later. Zo ging het nu al weken. (Over verdwijnen in dieptes gesproken.)

Eén nacht niet gestoord worden, meer had ik niet nodig

Toen ik opkeek zat hij weer op de kledingkast. Was hij door het raam naar binnen geklommen? De buitenmuur was nat, steil en drie verdiepingen hoog. Toch leek dit waarschijnlijker dan dat hij de trap had genomen en aan de deurklink was gaan hangen om zich binnen te laten. Dat raam was al jaren een ramp. Ik had het harder dicht moeten duwen. Zo niet voor de rat, dan wel voor de regen. Het tapijt rook naar voetbalsokken.
   Het leek alsof de klap het dier niets had gedaan, maar toen ik weer op de kruk klom, handdoek gereed, dook hij ineen. Zijn achterpootje bloedde en trok een beetje. Als ik hem weer uit het raam kiepte, zou hij zichzelf niet kunnen opvangen. Hij zou de rest van de nacht in de struiken blijven liggen en hulpeloos jammeren. Ik gaf het raam een beuk en liep met de rat in de handdoek de trap af naar de voordeur.

Ik was doodmoe. Koffie smaakte me niet als ik moe was, ik werd er trillerig van. Ik moest me scheren. Ik moest onder de douche. Ik moest vroeger opstaan en eerder naar bed gaan. Ik moest sporten. Als ik ging hardlopen, zou ik ’s avonds moe zijn. Dan zou ik overdag meer energie hebben en zou ik tijdens de lunchpauze naar het park kunnen gaan om na te denken over mijn toekomst. Dan zou ik kunnen besluiten een andere baan te zoeken en meer geld te verdienen. Te gaan reizen. Te verhuizen. Dan zouden er geen ratten meer op mijn kledingkast kunnen gaan zitten die me uit mijn slaap hielden. Eén nacht niet gestoord worden, meer had ik niet nodig. Gewoon één keer in bed stappen, de lakens over me heentrekken en op kalme golven wegdrijven naar de remslaap. De volgende ochtend zou ik mij eens goed uitrekken en het slaapzand uit mijn ogen wrijven om in een potje op mijn nachtkastje te bewaren als bewijs dat ik het nog kon.
   Hij zat er weer.
   ‘Wat moet je nou van me?’ probeerde ik. De rat knipperde met zijn ogen.

 

Toen ik thuiskwam van werk, lag hij met zijn kop op zijn voorpootjes. Zijn staart had hij om zijn lijf gevouwen. Hij keek me slaperig aan. Ik zette een schoteltje melk op de vloer en overwoog de rat een naam te geven, maar wilde me niet te veel hechten. Hem ‘Rat nummer 1’ noemen, leek me niets: dat impliceerde dat er meer zouden volgen. Wie weet zaten ze er al. Ik pakte een emmer, legde er een stukje kaas in en bouwde een val.

Als ik goed had geteld, was het eenendertig keer dat ik die nacht op de wekker had gekeken toen de rat met zijn nagels tegen het plastic van de emmer kraste. Ik schoot uit bed en plaatste een deksel op de rand. Hij beukte tegen de deksel, maar ik hield vol. Zijn ademhaling werd sneller, raspiger en uiteindelijk zachter. Nog heel even en hij zou stikken.

Een muis moet je minimaal honderd meter verderop vrijlaten, anders is hij eerder thuis dan jij bent

Ik verving de deksel met een oud shirt, prikte er een luchtgat in en stapte met de rat op de fiets. Een muis moet je minimaal honderd meter verderop vrijlaten, anders is hij eerder thuis dan jij bent. Of dat ook voor ratten geldt, wist ik niet. De maan leek los te komen van de hemel en de Jozef Israëlskade was verlaten. Ik besloot de Amstel een stuk af te fietsen, richting Ouderkerk. De rat en ik schoten over de nog lege landweg, we roetsjten door ondiepe plassen terwijl de ochtend begon te schemeren. Langs de rivier stonden statige huizen die van de buitenkant verlicht waren, erven met grindpaden die naar theehuisjes leidden. We versnelden. De roze-oranje zon trok zich uit de polder omhoog en beklom de hemel. Dikke, witte mist kroop over de weilanden en in de verte verschenen de silhouetten van het voetbalstadion en de hoge kantoren. De rat was op de een of andere manier uit de emmer geklommen en nestelde zich op mijn schouder. Zijn adem was warm. Toen ik bij een T-splitsing rechtsaf ging, beet hij me zachtjes in mijn nek tot ik omdraaide. We moesten linksaf. De statige huizen maakten plaats voor bomen en gras. Uiteindelijk lag de stad zo ver achter ons dat ik niets anders zag dan eindeloze mistvelden. De rat groef zijn nagels diep in mijn huid en dwong me tot stilstand. Ik parkeerde de fiets in de berm en hij sprong de melkachtige massa in. Het zag er gek uit: dat malle, gemankeerde achterlijf van hem dat achter die vastbesloten voorpootjes aan bungelde. Hij maakte een harde landing. Het deed me denken aan toen ik als kind van de duikplank moest en op mijn buik terechtkwam. Meer nog dan de pijn herinnerde ik me hoe ik me onder water voorbereidde op het gelach van de anderen bij het zien van de rode plek. De rat had geen last van dat soort gêne. Zijn rattenstaart prikte door de mist en nog altijd trekkend met zijn achterpootje leidde hij me het weiland op. Het rook er naar zoethout. Of nee, anijs. Ik had geen tijd om hier lang over na te denken, ik moest de rat in mijn vizier houden. Steeds sneller joeg hij voor me uit. Op een gegeven moment hinkte hij niet eens meer. Hij sneed door de wolken en ik rende achter hem aan.
   Midden op het grasveld stopte hij. Hijgend knielde ik naast hem. Zonlicht streelde zijn vacht en ik zou willen zeggen dit het moment was waarop ik erachter kwam dat zijn ogen niet zwart waren, maar bruin. Dat hij een kuiltje in zijn snuit had. En dat ik zwoer dat hij naar me lachte, alsof hij wilde zeggen: mooi is het hier hè? Dat hij omkeerde en waarschijnlijk eerder thuis was dan ik. Maar nee, de rat schoot weg.
   Met mijn fiets aan de hand liep ik terug langs de Amstel. Ik zocht een mooie plek uit en hing mijn trui over het stuur. Mijn broek en onderbroek vouwde ik netjes op. Naakt naast de rivier haalde ik diep adem. De koude golven likten aan mijn tenen. In de weerspiegeling van het water hurkte iemand op de rand met zijn handen als een kommetje voor zich gevouwen, wachtend op een muntje. Ik liet me voorovervallen, de diepte in. Ik zonk langs planten als kroppen sla, hun bladeren plakten aan mijn lijf. De rivierbodem ontving me als een zachte, harige hand. Het was er donker. Ik blies de lucht uit mijn longen en de hand sloot zich langzaam om me heen. Vlak voordat ik niets meer zag dan zwart, boog ik door mijn knieën en zette ik me af.

Over de auteur

Julien Staartjes (1989) studeerde Cultural Analysis aan de UvA. in 2014 deed hij mee aan het allereerste Das Magazin Zomerkamp. Hij publiceerde verhalen in o.a. DW B, DeFusie en Tijdschrift Ei en werkt voor Stichting Perdu.

Over de illustrator

Myilln [ mai-elin ] is een illustrator en striptekenaar. Haar persoonlijk word gekenmerkt door zwart-wit en blauwe kleuren met een symbolische toets. Zie instagram.com/myilln.

Lees meer van

Blikvanger – In de hand

Door Julien Staartjes

Speciaal voor De Optimist schrijft beeldend kunstenaar Lotte van Geijn regelmatig over kunst die haar blik wist te vangen. De derde aflevering van Blikvanger gaat over handen. Ik kijk naar mijn handen, ik draai ze om en weer terug, om en weer terug, om en weer terug. Ik beweeg iedere vinger afzonderlijk, kijk naar de […]

Lees meer uit de categorie proza

Het zwarte ei

Door Chris Kok

In het holst van de nacht begon het ei te kraken. Teun lag boven in bed, wakker. Het ei lag beneden. De eerste barst klonk als een baksteen door het raam. Soepel voor zijn tachtig jaren sprong Teun uit bed. Hij vloog de kamer uit, stortte zich van de trap en kwam tot stilstand in […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper