essay

Noodzakelijke rommel

Door Sarah van Vliet | beeld: Maurits van Putten
28 augustus 2021

Ik moet mijn werkkamer opruimen. Mijn room of my own staat vol met verhuisdozen, schilderijen in bubbeltjesplastic, nog meer dozen, plastic mappen met administratie, een oude, bestickerde koffer. Er staat een piepkleine televisie met bol scherm en antenne, die zelfs in de tijd dat hij bij mijn moeder in de woonkamer stond, al belachelijk oud was. Op het bureau liggen stapels boeken. Daarachter het judopak van mijn zoon. Hij gebruikt het niet meer, maar het kan nog niet weg: misschien gaat hij het ooit weer gebruiken, of vraagt hij er ooit naar. Het hoort in principe in de houten ladenkist met andere sportspullen, en moet in ieder geval van het bureau af. Nog niet weggooien, maar wel netjes opbergen. Ik schuif een paar dozen opzij die voor de kast in de weg staan en wurm het judopak in de lade. Baby steps.
   De opruimgoeroe Marie Kondo laat je je spullen opruimen aan de hand van een gesloten vraag: does it spark joy? Ja of nee. Als het item vreugde oproept, moet het volgens de Kondo-methode worden opgevouwen en opgeborgen, en mag het blijven; zo niet, dan moet je het eerst bedanken voor de rol die het in je leven heeft gespeeld, en vervolgens weggooien. De methode Kondo bevalt me niet helemaal: te makkelijk, te grillig, te verspillend en te egocentrisch. Ik mis gevoel voor verleden, plicht, nalatenschap. Does it spark joy? Sommige spullen zijn complexer dan die vraag veronderstelt.
   Een filosofisch perspectief op spullen in het algemeen brengt me ook niet veel verder: Thing theory bouwt voort op het onderscheid dat de filosoof Martin Heidegger introduceert tussen het object en het ding: wanneer een object niet langer zijn gewone functie heeft, wordt het een ding, confronteert het ons met zijn ‘dingigheid’. Dat klopt, denk ik: zodra een horloge niet meer werkt, vestigt het de aandacht op zichzelf, en vormt het een probleem.
   Smoesjes. Ik moet mijn werkkamer opruimen.

*

Ieder jaar probeer ik een paar dagen in mijn eentje naar een hotel in Bergen te gaan. De omgeving ken ik goed: ooit woonden er een oom en tante, die er nu begraven liggen. Ik ga niet naar zee en niet naar de begraafplaats, maar loop wel rond in de bossen en duinen. ’s Middags ga ik terug naar het hotel om te schrijven.
   Bij de balie meld ik dat ik mijn tandpasta ben vergeten, en ik krijg vier kleine tabletjes mee ter vervanging. Ik moet ze droog stuk bijten, zonder water erbij, blijven kauwen tot het schuimt (gelukkig ziet niemand hoe ik daarbij kijk), dan even de tandenborstel onder de kraan en poetsen maar. Het smaakt een beetje vreemd, en minder fris dan mijn normale tandpasta, maar het werkt, en de tweede avond grijp ik al routineus naar het witte schuimpilletje. Zo makkelijk stap ik in een ander verhaal.
   Als ik ongebonden was, zou ik in een hotel kunnen wonen. Het is de aangename neutraliteit van de hotelkamer. In mijn werkkamer ben ik omringd door een geëxplodeerd verleden, in het hotel ben ik vrij van die last. De ballast van veel te veel spullen, van spullen die samen een leven vormen, van geschiedenis in dozen en lades laat ik thuis. Oké, ik smokkel: ik heb nog steeds een thuis waarnaar ik terug kan, en via telefoon en laptop is de rest van de wereld ook binnen handbereik. En toch bevind ik me in een vrije ruimte.

*

Ik herinner me een waargebeurd verhaal over een man die een dodelijke diagnose krijgt, vervolgens ontslag neemt, al zijn bezittingen verkoopt en de wereld rondreist. Totdat het geld op is en na een second opinion blijkt dat hij ook niet ziek is. Alleen blut en dakloos.
   In Zweden is het gebruikelijk om voor je overlijden je spullen op te ruimen: dingen weggeven, weggooien, verkopen; en een opgeruimde nalatenschap achterlaten. Döstädning veronderstelt dat je leven een verhaal is. Een kunstwerk dat je van je eigen leven zou kunnen maken, zoals Michel Foucault het noemde. 
   In hoeverre hoort het persoonlijke verleden bij dat kunstwerk? Je bent in iedere fase een ander; betekent dat dat je in het moment zelf moet leven, niet te veel bezig met verleden of toekomst, en alleen bewaren wat op dat moment vreugde oproept? Of moet je je steeds bewust zijn van verleden en toekomst, daar bewust een lijn in aanbrengen, en ook qua spullen steeds positie bepalen en op koers blijven?
   Hoe dan ook. Ik moet mijn werkkamer opruimen.
   Alles moet weg, is mijn eerste gedachte als ik de werkkamer weer binnenkom. Al die spullen vormen verantwoordelijkheden, potentiële problemen, psychologisch gewicht. Even ambieer ik een moment-tot-momentleven, van de ene spark of joy naar de volgende. Losgezongen van het verhaal, als in een lege hotelkamer.
   Als ik mijn zoon even later vraag of hij al studieplannen heeft, benadruk ik meteen dat hij moet kiezen voor iets wat hij leuk vindt, niet voor het geld. Want wat heb je aan een hoog inkomen als je werk niet leuk is? Ik heb het net gelezen in The Writing Life van Annie Dillard: ‘How we spend our days, of course, is how we spend our lives.’ Van moment tot moment dus.
   Verhaal of moment – het is natuurlijk een valse tegenstelling. Het is en… en…, zegt ook het citaat van Dillard. Maar leg je alle nadruk op het verhaal, dan verbleekt het moment; richt je je alleen op het moment, dan ontstaat het verhaal ook wel, vanzelf, maar onbewuster, grilliger. En dat wil ik niet. De dingen (en de spullen) moeten wel een geheel vormen.

*

 

*

Het tegenovergestelde van döstädning is hoarding, het dwangmatig, overmatig verzamelen of laten ophopen van spullen. Deze neiging is sinds kort ook als psychiatrische stoornis opgenomen in de dsm-5, het handboek van de psychiatrie. Er zijn allerlei vormen van hoarding: je hebt mensen die verzamelen, en mensen die niet opruimen; mensen die al dan niet functioneren, al dan niet vervuilen.
   Het is een dankbaar onderwerp voor televisieprogramma’s, omdat er zo’n grote discrepantie bestaat tussen hoe de hoarders hun spullen zien en hoe de kijker de troep ziet. Hoe komt het dat mensen gaan hoarden?
   Ik ben geen hoarder. Toch moet ik toegeven dat het fenomeen me al te bekend voorkomt: dat ik tegenwoordig in de woonkamer werk, en nauwelijks meer in mijn werkkamer kom; dat mijn vader ook een tijd lang een vergelijkbare kamer had, met stapels boeken, een autostoel en andere auto-onderdelen; dat mijn vriend alles bewaart, van fruitbakjes en opgeraapte elastiekjes tot boodschappenbriefjes en T-shirtjes van tientallen jaren geleden. Wat sleep ik met me mee?
   Hoarders vinden hun leven ook een verhaal, denk ik, omdat ze niets kunnen loslaten. Er moet nog betekenis worden toegekend aan ieder item, alles kan nog van belang blijken in het levensverhaal. Ook een vreemd soort hoop: dat alles nog goed kan komen.

*

In de autobiografische roman Harnas van hansaplast beschrijft Charlotte Mutsaers hoe ze de vervuilde, chaotische woning van haar overleden broer Barend opruimt, de woning die ook hun ouderlijk huis was. Na het overlijden van haar zonderlinge broer, met wie ze geen contact meer had, treft ze een weergaloze puinhoop aan: alles – van de open haard, antieke kasten, Perzische tapijten tot de chesterfield en de zware fluwelen gordijnen – ligt onder een dikke laag stof, en overal ligt troep:

‘Elke fruitschaal, kom of schotel ligt vol met stoffige kreeftenscharen, paperclips, Labello-stiften, scherven, overhemdknoopjes, boekenleggers, plakband, wijnkurken, stukjes touw, veiligheidsspelden, potloodstompjes, snoepjes en nog veel meer, dingen die alleen maar zijn bewaard omdat Barend het niet op kon brengen om ze weg te gooien.’ (83)

Mutsaers probeert te achterhalen wat deze achtergelaten spullen haar nog kunnen vertellen, waarom Barends verhouding met familie en wereld stukliep, wat hem bezielde. Als de verteller opmerkt dat Barends administratie ‘tot in de puntjes geordend’ is, constateert ze: hij kon het dus wel, opruimen. Toch was de troep onvermijdelijk:

‘Er zijn twee soorten rommel: de achteloze en de noodzakelijke. De achteloze rommel is niet van belang omdat die op nonchalance wijst, en nonchalance maar zelden iets goeds heeft opgeleverd. Met noodzakelijke rommel, troep die niet te voorkomen was, ligt dat anders. Die verbergt haast altijd het verhaal van een perfectionist die bij alles wat er werkelijk voor hem toe deed zozeer ad fundum wenste te gaan dat hij de praktische en logistieke kant van zijn leven wel moest verwaarlozen. Een voor de hand liggend gevaar dat ook mij bedreigt en steevast resulteert in tijdgebrek. Troep en perfectionisme zijn vaak kinderen van één vader.’ (153)

Als Barend het Zweedse döstädning had gehanteerd, dan had zijn zus het makkelijker gehad, ze had het verhaal van haar broers leven aan zijn woning kunnen ‘aflezen’ in plaats van het te moeten reconstrueren aan de hand van de troep.

*

Ik wil niet eindigen als Barend uit Harnas van hansaplast. Ik moet opruimen. Waar te beginnen? Met opruimen verschuift de achtergrond naar de voorgrond: liefdesbrieven die ik niet meer wil herlezen; kaarten die ik had moeten beantwoorden; een koffer met rouwbrieven en cassettebandjes en kunstwerkjes. Als ik opruim, dan moet ik die koffer onderhand een keer openmaken. Opruimen kan zowel opbergen als weggooien betekenen, maar in ieder geval spullen en dus het verleden een definitieve bestemming geven.
   Opruimen is moeilijk. Van alles uit de categorie ‘onbestemd’ moet je indelen en een vaste plaats geven. Dat categoriseren is nog niet zo makkelijk, daar heeft Wittgenstein al over geschreven in zijn Filosofische onderzoekingen: dat dingen zich niet altijd in termen van ‘necessary and sufficient conditions’ laten categoriseren, getuige een concept als ‘vrijgezel’ dat niet van toepassing is op de paus, ook al voldoet hij aan de condities [+ man] en [+ alleenstaand]. Nee, categorieën zijn wazig, en dat maakt opruimen ook zo moeilijk.
   Smoesjes.
   Ik ga naar mijn werkkamer en besluit dat ik ga opruimen. Hoe moeilijk kan het zijn? Het zijn maar spullen. Maar niet zomaar spullen. In Paraphernalia spreekt Steven Connor over magische objecten, spullen die meer vertegenwoordigen dan hun bruikbaarheid, ‘such objects are invested with powers, associations and significances (…) Magical things all do more, and mean more than they might be supposed to.’ (3-4). Dat is wat er misgaat als iemand te veel spullen verzamelt, het overzicht kwijtraakt en vervolgens niet meer wijs kan worden uit de troep. Die troep is uitgegroeid tot een verzameling magische objecten. Misschien is dat wat er met de spullen van Barend is gebeurd. (Misschien is dat wat er met mijn spullen is gebeurd?)
   In Harnas van hansaplast beschrijft Mutsaers een ontluisterende uitzoektocht in het ouderlijk huis dat al snel leeg moet worden opgeleverd. Waardevolle strips worden verpatst, de inboedel wordt noodgedwongen uitgeleverd aan lijkenpikkers die een groot deel van de spullen opkopen voor een prikkie. Wanneer ze als laatst het boudoir uitruimt, vindt Charlotte haar badschildpad terug:

Gelukkig biedt het muurkastje mij een immense verrassing: mijn opblaasbare badschildpad. Meer dan vijftig jaar is hij daar rustig blijven liggen, onaangedaan op zijn houten plank, zonder dat het ooit in iemand is opgekomen dat hij maar eens moest worden opgeruimd. Kom daar eens om bij andere families. Dat getuigt toch van een magnifieke mentaliteit. Goed, het beest is gedeeltelijk uitgedroogd en de donkere vlekken op zijn rug zijn een beetje vervaagd maar het ventiel staat nog puik overeind. Als ik hem opblaas is hij weer helemaal mijn schildpad. De eerste vondst in huis die me van een sprakeloos en ongecompliceerd geluk vervult. Eindelijk, mijn badschildpad terug. Wat ben ik hier blij mee. Nu onze boedelruiming op zijn einde loopt en me hierna alleen nog maar het sinistere boudoir wacht, had me niks beters kunnen overkomen. Ik laat hem weer leeglopen, vouw hem op, en berg hem in mijn tas. Ineens gaat er van die tas een kracht uit die hopelijk in mezelf overgaat. (271-272)

Mijn werkkamer staat vol met badschildpadden.

*

Een paar dagen later ben ik, onder leiding van een doortastende vriendin, daadwerkelijk aan het opruimen.
   Er staan twee dozen met proefschriften. Die moeten de deur uit. Ik heb een paar losse presentexemplaren, de universiteitsbibliotheken bezitten exemplaren, de tekst staat online, dus het bewaren van deze twee dozen zou louter ijdelheid zijn. Een proefschrift wordt doorgaans door ongeveer tien mensen gelezen: door de promotoren, de zes leden van de promotiecommissie, en misschien nog een of twee trouwe vrienden die het puur en alleen voor mij doen. Ik kan er dus niet mee aankomen bij een tweedehands boekwinkel. Het is oud papier. Maar het staat me zo ontzettend tegen om boeken in de papierbak te duwen, dat ik die dozen toch in de berging zet.
   Mijn studieboeken bewaar ik. De doos met zijden sjaals die mijn moeder om haar hoofd drapeerde, kan niet weg. De schilderijen groepeer ik netjes in de hoek.
   De Samsonite-koffer, met mijn moeders naam in blokletterstickers op de sluiting, en met stickers van soc-reizen, Garuda Plaza Hotel Medan (‘The Smiling Hotel’) en Singapore Airlines, is meegereisd naar Takengon, Atjeh, Sumatra, de geboorteplaats van mijn moeder. Nadien heb ik de koffer volgestopt met brieven die ik ontving na haar overlijden. De koffer bevat ook brieven, cadeautjes en cassettebandjes van vriendinnen, ontvangen bij haar afscheid van het museum waarvan ze directeur was. De koffer is niet te tillen, ik schuif hem naar een hoek van de kamer. Dit jaar nog openen, neem ik me voor.
   De piepkleine televisie met bol scherm en antenne moet blijven; ik hoef er niet naar te kijken om de twee draaiknoppen te kunnen uittekenen, die samen een goed zwart-witbeeld moesten opleveren. De manier waarop het hengsel naar links en rechts zwenkt. Op dit schermpje keek ik met mijn moeder naar Brideshead Revisited, de serie waarvoor ik mocht opblijven. Ik herinner me het verhaal over de jonge kunstenaar Charles Ryder die betoverd wordt door de adellijke familie Flyte en hun familielandhuis, in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw. Waarom keek mijn revolutionaire moeder met mij naar zo’n aristocratisch verhaal? En waarom was het zo indrukwekkend, zo melancholisch? Pas jaren later kwam ik erachter dat het geen vervolg was, dat er nooit een serie Brideshead was geweest, alleen Brideshead Revisited
   De tv krijgt een mooie plek. Van andere spullen besluit ik uiteindelijk toch afstand te doen. Ik wil tenslotte een nette werkkamer. Het al dan niet oproepen van vreugde (Kondo’s ‘sparking joy’) is een belangrijk criterium, dat wil ik best toegeven. Maar het oproepen van herinneringen is dat ook: hele dagen, avonden, weken zijn verdwenen, soms zijn er niet meer dan enkele levendige, zintuiglijke details overgebleven, en soms zitten die details vervat in onmisbare, magische objecten, waar ik een chronologisch, zinvol cv omheen blijf (re)construeren – een doorlopend verhaal.

Over de auteur

Sarah van Vliet is taalkundige, vertaler en schrijver. Na haar studie Engelse taalkunde heeft ze onderzoek gedaan naar persoonlijk voornaamwoorden en eigennamen. Daarna heeft ze gewerkt als universitair docent taalbeheersing. Sinds enkele jaren heeft ze de wetenschap verruild voor de literatuur, en schrijft ze essays en verhalen. Haar werk is verschenen in papieren helden, Armada en Kluger Hans.

Over de illustrator

Maurits (1986) groeide op tussen de paarden grutto’s in Friesland en woont tegenwoordig in Amsterdam. Hij adviseert namens Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed over aanpassingen en transformaties van rijksmonumenten. Het mooiste gebouw van Nederland? De oude Bavo in Haarlem. Vrije tijd is tijd om te schilderen en illustraties te maken, waarbij altijd alles met de hand gaat en een sterrenhemel de ultieme achtergrond van alles is.

Lees meer van

Vers in de etalage

Door Sarah van Vliet

Het Respijt Ze zegt: ‘Plant daar klimop dan zie je de dode boom niet en je bent beschut voor de buren.’ De tuin herstelt zich van de regen Naaktslakken hangen in de bieslook. Ze zegt: ‘De hond heeft weer alles onder gescheten.’ De houtduiven hervatten de bouw van een nest ergens buiten je blikveld binnen […]

Lees meer uit de categorie essay

De Optimist x Nieuwe Types

Door Sophie Kok

Gedurende de hele maand maart vindt online het literair festival Nieuwe Types plaats, een jaarlijks festival over de toekomst van de literatuur. Vanaf 1 maart kunnen (digitale) festivalbezoekers zich onderdompelen in het werk van nieuwe schrijvers, nieuwe verhalen en nieuwe vertelvormen. Om het festivalgevoel te vergroten, stelden we samen met Nieuwe Types een speciaal Optimist-festivalpakket […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper