De bar

Door
9 september 2021

In die tijd had de bar nog geen airconditioning. De ramen waren van de zon afgeschermd door zilverkleurige blinden en de counter was van glimmend, vuistdik mahonie met onderaan een echte koperen stang waar je je voet op kon zetten. Er was veel wit tegen de muren en de vloer had een dambordpatroon. Achter de counter was een spiegel aangebracht en rekken met flessen. Je kon er eersteklas gin krijgen en ze maakten er de beste martini van het noordelijk halfrond – en ik vermoed ook van het zuidelijk.
     Het was het soort bar waar je met vrienden heen ging. Niet om je te bezatten, maar om de nieuwtjes van de dag te vernemen: de uitslagen van het voetbal, dat een man zijn huis had verspeeld, dat soort dingen. Je kon er zonder probleem met je vrouw of minnares of met allebei tegelijk iets drinken en geen kat die daar iets van had gezegd. Het was er wat men in het Engels nice and clean noemt en het personeel bleef er altijd even vriendelijk.
     Die avond liep ik er binnen zoals elke dag na werktijd en ik bestelde de eerste martini. Ik kende de kelner onderhand en hij wist dat ik mijn martini flink geschud wilde hebben. Ik sloeg het ritueel gade, deels met verbazing, deels geamuseerd, en vroeg me af of men over een bijzonder talent moest beschikken om perfecte martini’s te kunnen maken.
     Intussen liep de bar vol. De meeste gasten waren buitenlanders en ze hadden geld, en dat betekende dat het er altijd jofel toeging en ook dat er bijna nooit gevochten werd. Het is merkwaardig, maar geld en macht lijken de zeden te verzachten. Maar het kon ook de drank zijn.
     De kelner zette mijn glas op een viltje en schoof het naar me toe. Ik nipte van mijn martini en toen ik mijn blik oprichtte, bemerkte ik in de spiegel achter de counter het gezicht van een jonge vrouw dat me aanstaarde.
     Ik sloeg mijn ogen neer. Als er iets was wat je beter niet deed, was dat naar een vrouw staren, toch niet dat slag vrouwen. Even later verliet de vrouw de bar in het gezelschap van een kerel van het soort dat slappe hoeden droeg.
     ‘Het nieuwe afdelingshoofd,’ zei de man naast me. ‘Ik heb je wel zien kijken,’ voegde hij eraan toe. ‘Niks voor jou en nog minder voor mij.’
     Hij produceerde een schamper lachje.
     ‘Je vraagt je natuurlijk af waar ik die wijsheid vandaan heb. Ik ben zijn adjunct, namelijk. Volgende week trouwen ze.
     Daarop zweeg hij en ik bedacht dat dat het beste was wat je kon doen en dat gold voor alle bars ter wereld: je mond houden en je met je eigen zaken bemoeien.
     Mijn aandacht werd al een poosje getrokken door een man die alleen aan het tafeltje bij de deur zat. Hij had bier besteld. Niet van dat pittige Engelse bier, maar lager, dat ze hier zo koel als mogelijk schenken, zodat je glas van ijs lijkt en bijna uit je handen glipt.
     De kelner had er het gebruikelijke schaaltje versnaperingen bij geserveerd, in het Spaans toepasselijk una tapa genoemd omdat het dient om de inhoud van je glas tegen de vliegen te beschermen.
     Maar de man liet het schaaltje naast zijn glas staan.
     Ik vermoedde dat het een Duitser was, of misschien een Engelsman. Zijn gezicht, bovenarmen en nek hadden de ongezond rode kleur die typisch is voor noorderlingen die te lang in de zon hebben gelopen en vannacht niet zullen kunnen slapen. Hij leek op iemand te wachten, want hij keek aldoor op zijn horloge. Nou ja, misschien had hij een afspraakje of wachtte hij op een zakenrelatie, bedacht ik, maar toen vielen mijn ogen op het aantekenboekje in het borstzakje van zijn sporthemd.

     Ah, zei ik bij mezelf, het is er zo een. Hij is hierheen gekomen met dat ene doel voor ogen. Echt, ik zou ze niet te eten willen geven, de kerels die om dezelfde reden naar de bar waren gekomen. Bovendien liep het zelden goed af.
     De man op de kruk naast mij had mijn blik gevolgd.
     ‘Die vent aan het tafeltje bij de deur,’ zei hij. ‘Ik denk dat het een flikker is, want hij zit je aldoor aan te staren. Nee, niet kijken.’
     Ik merkte dat de ander mij inderdaad zat aan te kijken en ik wendde mijn blik af en deed of ik bijzonder geïnteresseerd was in de olijf in mijn martini.
     Twee minuten later zette de kelner een verse martini voor me neer.
     ‘Pardon,’ begon ik.
     ‘De meneer aan het tafeltje bij de deur biedt u een drankje aan.’
     ‘Zie je wel,’ zei mijn buurman. Daarop gaf hij me een medelijdend klapje op de rug, steeg van zijn kruk en verliet de bar.
     Ik maakte een halve draai en de man aan het tafeltje bij de deur knikte me toe. Ik besloot niet grof te doen en hief het glas op zijn gezondheid.
     Hij slenterde op me af.
     Hij stelde zich voor in onberispelijk Engels. Hij was journalist.
     ‘Dat dacht ik al,’ zei ik.
     ‘Dat meent u niet.’
     ‘Je kunt ze er zo uitpikken,’ zei ik.
     ‘Dat meent u niet,’ zei hij weer. En vervolgens: ‘Ik hoop dat ik hier aan het juiste adres ben.’
     ‘Hier ben je altijd aan het juiste adres,’ antwoordde ik, maar met een cynische ondertoon.
     ‘Denkt u? Ik zit hier namelijk al een poos te wachten.’
     ‘Is me opgevallen,’ zei ik. En toen: ‘Er zit een vlieg in uw glas.’
     Hij keek in zijn glas en merkte een klein zwart insect op dat vergeefs een gevecht tegen het bierschuim leverde.
     ‘Je moet er zo’n schaaltje opzetten,’ zei ik. ‘Daar dient het voor. Het heet niet voor niets una tapa.’
     ‘Una tapa,’ herhaalde hij met gefronste wenkbrauwen.
     ‘Een deksel, ja, al gebruikt iedereen tegenwoordig de meervoudsvorm.’
     ‘Ah,’ zei hij. ‘Helaas is mijn Spaans niet zo goed.’
     ‘Dat dacht ik al,’ antwoordde ik.
     ‘Wat ik wilde zeggen,’ ging hij verder. ‘Ik wacht hier al een hele poos.’
     ‘Je bent wel aan het juiste adres, maar niet op het juiste uur,’ zei ik.
     ‘Blijkbaar.’ Hij keek me een tel vorsend aan. ‘U lijkt er alles van te weten.’
     ‘Dat gaat,’ antwoordde ik.
     ‘Komt u hier vaak?’
     ‘Toch,’ zei ik.
     ‘Wat denkt u, wacht ik nog even?’
     ‘Ik kan niet in uw plaats denken,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Maar als u hém per se wilt spreken…’
     ‘Eigenlijk wel.’
     ‘U zou het morgen nog eens kunnen proberen, natuurlijk.’ Ik glimlachte, maar hij schonk er geen aandacht aan.
     ‘Heb ik al overwogen,’ zei hij in plaats daarvan en hij keek in zijn glas waar de vlieg de strijd had verloren. ‘Vechten tegen de bierkaai, noemen ze dat, niet?’
     ‘Pardon?’
     ‘De vlieg.’ Hij gebaarde naar zijn glas. ‘Ik verveel u toch niet?’ vroeg hij opeens.
     ‘Nee,’ antwoordde ik niet geheel naar waarheid.
     ‘Sorry,’ zei hij.
     ‘Nee, het geeft niet, maar ik denk dat u een blauwtje loopt.’
     ‘Vanavond?’
     ‘En morgenavond en de avond erna enzovoort.’
     Hij schoof zijn glas van zich af en leek een ogenblik in dubio te verkeren of hij een ander biertje zou vragen. Maar hij zei: ‘U lijkt er echt alles van te weten.’
     ‘Ik kom hier vaak,’ antwoordde ik.
     ‘Drinkt u nog iets van mij?’
     ‘Nee, bedankt. Maar u loopt een blauwtje.’
     ‘Heus?’
     ‘Zeker weten. Ze lopen allemaal een blauwtje.’
     ‘Misschien ben ik de uitzondering op de regel wel?’
     ‘Misschien,’ antwoordde ik zonder overtuiging.
     ‘Ciao,’ zei hij toen.
     ‘Het moet buenas noches zijn,’ zei ik.?
     ‘Ik zei al dat mijn Spaans belabberd is.’
     Hij slenterde terug naar zijn tafeltje.
     Even later had hij een vers biertje voor zich staan. Hij dekte het glas deze keer wel af met het meegeleverde schoteltje. Er zaten vliegen op de olijven.
     Arme kerel, dacht ik. Waarschijnlijk was hij hier in opdracht van zijn chef. Ik wist uit ervaring dat ze jonge redacteurs altijd met de onmogelijkste opdrachten opzadelden. Het had me een keer in Córdoba twee tanden gekost in een verhaal dat ik liever niet vertel, ook al omdat het zo banaal is. Maar na afloop miste ik wel twee tanden. Toen heb ik mijn baantje eraan gegeven om in het fruit te gaan. Dat gaf meer zekerheid op werk en een gaaf gebit.
     Ik schoof mijn glas opzij en bestelde een laatste martini. De man had zijn aantekenboekje nu voor zich liggen en met een timmermanspotlood pende hij er iets in neer. Misschien ging hij straks weg om zijn geluk te beproeven in de haven of in een andere bekende kroeg. Zijn soort geeft het nooit op.
     Ik besloot af te rekenen en intussen kwam weer volk binnen en een van hen was een man met een getrimde, volle, grijze baard. De man was groot en fors van gestalte en zijn hemdje stond open zodat plukken borsthaar te zien waren. Er zat ook haar op zijn polsen. Er was een kleine, tenger gebouwde vrouw bij hem en een jonge kerel met een lang en bruin gezicht die ik hier al meer gezien had. De jonge kerel was een inlander, maar de twee anderen waren Amerikanen. Dat was op zich niets bijzonders, want het wemelde hier van de Amerikanen.
     Het gezelschap ging in een hoek van de bar zitten. De Amerikaan hees zich op een kruk en hij bestelde een drankje en de man achter de counter ging in de weer met glazen en flessen en ijs.
     Ik merkte dat de stoel van de journalist leeg was en het speet me in zijn plaats dat hij op de valreep was weggegaan. Dat was brute pech hebben, vond ik, na al dat wachten en zo. Maar opeens zag ik hem bij de counter staan, om precies te zijn bij het gezelschap van de grote Amerikaan. Hij zei iets tegen hem. De Amerikaan maakte een afwerend gebaar en keerde zich weer naar zijn gezelschap en de counter toe, waar intussen de drankjes waren klaargezet. De journalist zei weer iets, nogal opdringerig leek het, en toen er geen gehoor kwam, legde hij een hand op de schouder van de Amerikaan.

   
 Ik heb me vaak afgevraagd waarom mensen zich willens en wetens in het ongeluk storten. Je kunt een hardrockcafé binnengaan en de eerste de beste nozem vragen waarom zijn haar op die idiote manier geknipt is. Of een kroeg vol mariniers binnenlopen en schreeuwen dat alle militairen schoften zijn. En zelfs als je beroepshalve mensen lastigvalt, kun je zo op de vingers van een hand uitrekenen dat je je op glad ijs waagt. Ik heb het nooit begrepen.
     Het volgende ogenblik maakte de journalist een pirouette en hij belandde tussen de tafeltjes. Er viel een stilte en daarop werd er gelachen. Iemand hielp de journalist overeind. Hij zei: ‘Je bent de vierde al deze week.’
     De journalist wreef over zijn kaak. De Amerikaan nipte van zijn drankje alsof er niets was gebeurd.
     Ik rekende af en liep naar de deur.
     ‘Ik heb toch gezegd dat je een blauwtje zou lopen,’ zei ik. ‘Dat doen ze namelijk allemaal. En wat je zeker niet moet doen, is aandringen en zéker niet op jouw handtastelijke manier. Buenas noches.’
     Ik verliet de bar die Floridita heette. Het was januari 1953 en flink heet voor de tijd van het jaar.
     Het is dus al lang geleden, maar ik zie het nog voor mijn ogen gebeuren alsof het gisteren was. De journalist tussen de tafeltjes, de man die hem overeind hielp, de spottende opmerkingen en lachende gezichten.
     En Ernest Hemingway, die doodgemoedereerd in zijn hoek bij de counter de eerste daiquiri van de avond dronk.

Lees meer van

De Duellist: poëzie van Steff Geelen

Door

Ik houd van u, OK boomer Ik vraag al mijn vriendenhun taal voor mij te ontmaskerenmaar niet aan uu bespaar ik de kolossaleondergang van het ongemak. Non-binair zijnis leuk voor in mijn vrije tijd. Ik leg mijn handenals kommetjes om mijn borstenen zeg toe maar, huil maarze zeggen me niets. In het mannentoilet kijken mannendie […]

Lees meer uit de categorie

Vers in de Etalage

Door

waar de vrouwen klinken naar wijnen waar de meisjes vleetvriendjes hebben, jongensnamen waar ze kinderen steken uit speculaasdeeg met amandelen op de plaats van de ogen beetje eigeel erover met een kwastje voor de glans niet te heet bakken, niet te lang laten liggen – niemand houdt van winkeldochters niemand houdt van zusjes – broertjes […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper