Een goede vader

Door
12 september 2021

Herman zegt tegen me: ‘Schrijf maar over wat je meemaakt, ma.’
            Erover praten wil hij niet. ‘Wat valt er te zeggen?’
            ‘Hij was je vader,’ zeg ik, ‘en een hele goede.’
            Ik vraag hem of hij zijn zus gelooft en hij begint over mijn auto. Of die nog een beetje fijn rijdt.

Ik heb een tafeltje in de bibliotheek waar ik graag aan zit. Het staat links, helemaal achterin. Normaal lees ik er de kranten, nu heb ik een schriftje meegenomen. In het schriftje pen ik alles dat ik zeker weet.
            Ik schrijf over het Gardameer in ’81, het water waarin ik mijn moeders trouwring verloor en huilde tot Bert een snorkel opzette en de ring terugvond tussen de schelpen.
            Ik schrijf over Sjoerd die tijdens het schoolzwemmen in het sportfondsenbad was uitgegleden op de trappen naar de kleedkamers en daardoor twee voortanden brak en zijn onderlip scheurde.
            De meester had Sjoerd zo goed als aangekleed en onder het gaas dat hij tegen zijn lip gedrukt hield, drupte bloed. Het kwam op zijn shirt en de ruwe tegels. ‘Kom maar, jongen,’ zei ik en ik drukte hem tegen me aan, ‘het ziet er erger uit dan het is, zo is het altijd, het valt altijd mee.’

‘Het komt wel goed met hem,’ zei Bert toen we die avond dicht tegen elkaar aan lagen. Hij drukte een kus op mijn slaap en hield me vast, alsof hij wilde voorkomen dat ik uit elkaar viel. ‘Hoe is het met jou?’
            Ik deed mijn best rustig te ademen, maar ik haperde. ‘Ik ben er zo zenuwachtig van,’ zei ik.
            ‘Dat snap ik,’ zei hij, ‘doe maar rustig. Hier, kom eens hier.’
            Bert keerde op zijn rug en sloeg met beide handen op zijn buik. ‘Kom hier liggen, je ademt verkeerd.’
            Ik kroop boven op hem met mijn rug tegen zijn buik en hij legde zijn handen op de mijne. Hij ademde diep in. ‘Doe me na,’ fluisterde hij, zijn mond bij mijn oor. ‘Adem in, dieper, zo ja, heel goed.’
            Na een paar tellen ademden we uit en voelde ik zijn warmte onder mijn oor en langs mijn nek en ik kalmeerde. ‘De tandarts heeft er niets aan kunnen doen,’ fluisterde ik. ‘Ik heb daarom gehuild.’
            ‘Het zijn maar melktanden,’ zei Bert, ‘daar groeien ze uit.’

 

We reden van Boston naar Miami. We waren al wat ouder, geen van de kinderen woonde nog thuis. Het was aan het eind van de ochtend en het licht was kraakhelder, we stonden op het punt ons hotel te verlaten. Ik begluurde hem via de zijspiegel, hoe hij onze koffers inlaadde in de gehuurde Ford. Zijn baard had hij de hele reis nog niet geschoren, hij droeg een Amerikaanse pet en achter zijn oor een Marlboro Red. Cowboy killers, had de dame van de receptie de sigaretten genoemd.
            ’s Avonds in het volgende hotel was ik stil. 
            ‘Wat is er?’ vroeg hij, terwijl hij het raam sloot en de gordijnen dichttrok.
            ‘Je bent zo goed voor me,’ zei ik, ‘soms denk ik dat je beter af zou zijn zonder mij.’
            Hij schoof naast me op het bed, sloeg een arm om mijn heupen en trok me tegen zich aan. ‘Je hebt af en toe een steuntje nodig,’ sprak hij met zijn neus in mijn haar, ‘daar is helemaal niets mis mee, ik kom met jou niets te kort.’
            ‘Je hebt zo veel rekening met me moeten houden,’ zei ik. ‘Jullie allemaal.’
            Hij schoof achter me, klemde me tussen zijn benen en drukte zijn buik tegen mijn rug zodat ik hem kon voelen ademen. ‘Ik ga niet liegen,’ zei hij, ‘en zeggen dat het altijd makkelijk is.’
            ‘Nee,’ zei ik, ‘en soms zou ik willen dat ik alles het hoofd kan bieden.’
            ‘Niemand kan dat, Fien,’ zei hij. ‘De beste moeder van de wereld had het niet anders gedaan.’
            Hij trok me aan mijn schouders naar achteren, het plafond was bruin van de nicotine. Mijn hoofd lag tussen zijn benen, met zijn duimen masseerde hij mijn slapen. ‘Maak je nou niet zo druk,’ zei hij, ‘het gaat nu toch juist heel goed met haar.’
            Hij had gelijk. Inge woonde op kamers in Groningen en had een huisgenoot die op haar paste.
            ‘Het stinkt hier,’ zei ik.
             ‘Ja,’ lachte hij, ‘gelukkig zijn we morgen weg.’

 

In de lente van ’92 streek er een vlucht ganzen neer op de grashelling langs het slootje aan de overkant. Ze keken rond, staken hun snavels in het gras en vonden het wel goed, ze kwamen hier wonen.
            Bert leefde op, ik niet. ‘Niet voeren,’ bleef ik zeggen, ‘ze kakken alles onder’. Hij deed het toch en uiteindelijk at ik de broodresten zelf zodat hij ze niet kon uitstrooien.
            ‘Ze vertrekken straks vanzelf naar Lapland,’ zei hij en leunde tegen het aanrecht.
            ‘Ze zien er niet Scandinavisch uit,’ zei ik en goot de rijst af.
            ‘Echt wel, ze gakken zelfs Fins,’ zei hij en deed ze na terwijl hij me door de keuken volgde, ‘ga-ku, ga-ku.’
            De dieren kwamen een week nadat Inge voor het eerst was opgenomen. Ze had te veel gewicht verloren en het maagzuur dat met het overgeven langs haar tanden gleed, vrat aan haar gebit. Soms spuugde ze zo een brok tand uit, het ketste tegen het parket als een spijker.
            Met haar vertrek kwam de rust. ‘Ik ga maar weer eens bij mijn beestjes kijken,’ zei Bert als het hem te stil werd.
            Ganzen moet je in paartjes afmaken, weet ik nu. Ik had de gemeente gebeld en zij zorgden voor een gele container en twee mannen die de beesten bijeendreven. Of ik misschien even in de container wilde kijken, vroegen ze nadat ze het gas hadden toegediend. De diertjes lagen erbij als een verwelkte bos bloemen, met hun oranje snavels aan het uiteinde van die slappe nekken.
            Na het vertrek van de mannen was er één gans over die bleef gakken naar haar mannetje. Bert liep die avond wel tig keer naar het raam. ‘Ze is nog steeds op zoek,’ zei hij dan.

 

Ik schrijf tot ik geen nieuwe herinneringen meer heb om op te schrijven. Dan ga ik naar huis. Thuis stap ik met een volle fles jenever in de hand naar de bank. Ik schenk een borrelglaasje in, ook voor hem.
            Ik houd het omhoog voordat ik het aan mijn lippen zet. ‘Ik weet niet of ik altijd goede bedoelingen had,’ zeg ik en neem de slok.
            ‘Ach, mooivogel,’ ik hoor Bert zuchten. ‘Kom, zet je glaasje maar even neer. Laten we dansen.’
            Ik sta op en probeer me te herinneren hoe zijn warme schouder voelde tegen mijn koude wang.
            ‘Je bent een lieve vrouw,’ zegt Bert, ‘altijd al geweest en dat zal altijd zo blijven.’
            ‘Shanna is jarig,’ zeg ik, ‘en Inge komt ook.’
            Hij wiegt me.
            Ik zeg: ‘Ik wil niet naar die verjaardag.’
            ‘Maar je gaat toch,’ zegt hij.

 

Als eerst hoor ik haar stem, nog voordat ik haar zie. Ik recht mijn rug en kijk naar Sonja, Hermans vrouw, die me aanstaart vanaf het moment dat het duidelijk is dat Inge aangekomen is. ‘Misschien wil moeder nog wat water,’ vraagt Sonja.
           Eerst zie ik Inges silhouet achter de houten kralen, pas een paar tellen later stapt ze door het gordijn. Haar man, John, achter haar.
           Ik kan niet lang naar haar kijken. Het is de manier waarop ze loopt, het ongemakkelijk schudden van de handen, met de schouders opgetrokken, dat me tegenstaat. Ze gedraagt zich als een excuusbriefje zoals ze van hand tot hand gaat.
           Haar man ziet dat ook, want hij legt zijn hand op haar schouder en geeft er een kneepje in. Ze reageert onmiddellijk, ze weet ineens weer dat ze schouders heeft. Als hij haar nou ook zou zeggen dat ze haar rug kan rechten, maar dat gebeurt niet.
           Ze lacht bij iedere hand en dan staat ze voor me. Ze blijft naar me kijken en ik weet ook niet goed wat ik moet doen, dus sta ik op en pak haar bij de schouders en schud haar rug recht. Zij denkt dat het om een omhelzing gaat en slaat haar armen om mij heen. Ze trekt zich terug en dan staat ze me weer aan te kijken met die donkere ogen.
           ‘Je bent er,’ zeg ik.
           ‘Ja,’ zegt ze en ik zie dat ze nieuwe tanden heeft, een compleet gebit.
           Ook John geeft me een hand.
           ‘Je tanden,’ zeg ik tegen haar, ‘die zijn nieuw.’
           Ze kijkt naar John, strijkt een lok achter haar oor en zakt in de tuinstoel naast me. Als we even zo zitten, merk ik hoe ze me tegenstaat en dat ik haar niet heb gemist. Zij komt nooit alleen, ik ruik de braaklucht van al die klinieken.
           Sonja reikt haar een taartpuntje aan en vraagt of ze iets wil drinken, ze antwoordt dat water goed is en John vraagt of er al een borrel wordt geschonken.
           ‘Het is warm,’ zeg ik.
           ‘Ja,’ zegt ze.
           Sonja komt terug met het water en bier. De mannen tikken hun flesjes tegen elkaar en beginnen een gesprek over vissen.
           ‘Herman heeft zijn best gedaan,’ zegt ze tegen me.
           ‘Ja,’ zeg ik, ‘ja.’
           ‘Ik ben blij hier te zijn,’ zegt ze.
           Dit is een vergissing, denk ik en daarna zeg ik het ook.
           ‘Ma!’ Het is Herman die reageert, Inge zwijgt en John kijkt alleen maar. Sonja verdwijnt de keuken in. ‘Ma,’ zegt Herman, ‘we hebben het hierover gehad.’           
           Ik sta op. ‘Hou jij er nou eens buiten,’ antwoord ik hem. ‘Ga zitten. Nee, ik word niet rustig. Laat me los.’
           Ik gris mijn tas van naast mijn stoel. ‘Je hebt me gebroken,’ zeg ik tegen haar, ‘gebroken!’

 

Het kralengordijn ketst tegen het kozijn als ik erdoorheen stap. Links is de badkamer. Ik knip het licht aan, sluit de deur en stap naar de wasbak. Ik druk mijn trillende handen tegen de witte muurtegels.
           Voorzichtig, steunend op de wasbak en de badrand, laat ik me zakken op de donkere tegelvloer. Ik druk mijn wang ertegenaan, mijn armen, mijn benen.
           Ik weet niet hoe lang ik daar zo gelegen heb. Misschien een paar minuten, of een hele poos. Ik kan even geslapen hebben, want ineens word ik me bewust van het geluid uit de tuin. Het zwelt aan en een warmte kruipt over de grond de badkamer binnen.
           ‘Mam,’ zegt ze, en als ze me ziet: ‘Waarom lig je op de grond? Ben je gevallen?’
           ‘Ik had het warm,’ zeg ik, ‘ik ben gaan liggen.’
           ‘Heb je hulp nodig?’ vraagt ze. ‘Moet ik Herman halen?’
           ‘Nee.’
           ‘Weet je het zeker?’
           Ze sluit de badkamerdeur. ‘Het spijt me,’ zegt ze, met haar rug tegen de deur, ‘ik kwam alleen dat zeggen, wij gaan weer.’
           ‘Ja,’ zeg ik, ‘misschien is dat het beste.’
           ‘En bedankt,’ zegt ze, ‘bedankt dat je het wilde proberen.’
           Ze draait zich van me weg, naar de deur toe.
           ‘Ik heb mezelf echt gepijnigd,’ zeg ik, ‘maar ik kom telkens op hetzelfde uit. Hij was niet zo, hij was een goede vader.’
           ‘Het spijt me,’ zegt ze, ‘dat het zo gegaan is.’
           ‘Ik verdien dit niet,’ zeg ik.
           ‘Nee,’ zegt ze en ze kijkt me weer aan, ‘wij allemaal niet.’
           ‘Je had het voor je kunnen houden.’
           Ze schudt haar hoofd en slikt wat weg. ‘Ik hou van je,’ zegt ze.
           ‘Dan was alles blijven kloppen,’ zeg ik.
           ‘Waarom zocht je niet?’
           ‘Er was niets te vinden.’
           Met de rug van haar hand veegt ze langs haar wang.
           ‘Kom,’ zeg ik en wuif naar haar, ‘help me overeind.’
           Ze tilt me op en ik neem plaats op de badrand. ‘Hij was niet alleen maar slecht,’ zegt ze, ‘ik wil niet dat jullie hiermee inzitten.’
           Ze haalt een hand over mijn hoofd, en draait zich om. ‘Pas goed op jezelf,’ zeg ik en kijk hoe ze uit de badkamer stapt, de warme keuken in.

Lees meer van

Kunstbende #2: Sterre Wolthers

Door

Vragen over het Licht Ik kon het klikken van de camera boven nog horen. ‘Foto’s,’ had ze gezegd, foto’s en herinneringen, en dat was het. Misschien was ze bang dat de herinneringen met haar haren zouden verdwijnen, dat de ziekte haar zou veranderen, maar ik denk dat ze voor mij altijd dezelfde zal blijven. Het […]

Lees meer uit de categorie

Merlijn Huntjens over ironisch realisme en de exen die hij (nooit) heeft gehad

Door

Op vrijdag 26 januari vindt in de Cloud Nine van TivoliVredenburg de finale van het NK Poetry Slam plaats. De beste (performance)dichters uit het hele land gaan deze avond de poëtische strijd met elkaar aan om de titel NK Slampion 2018, de naar Simon Vinkenoog vernoemde Gouden Vink-wisseltroffee en een geldprijs van 1000 euro. Zowel de […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper