proza

Strepen uit een minibus

Door Ana Marija Grbic | beeld: Bo Yuan
5 september 2021

vertaling: Pavle Trkulja

Het eerste olieverfschilderij van de schilder Neša Nedeljković was zojuist in een minibus van het bedrijf Gea verkocht, in de buurt van Bujanovac. Een vriend had hem er vijftig euro voor geboden, las hij in zijn sms-bericht, en Neša dankte God dat hij nog altijd aan deze kant van de grens zat en het prachtige nieuws kon ontvangen. Eerst staarde hij een tijdje naar zijn mobiele telefoon en begon toen te broeden op de meest theatrale manier waarop hij het aan zijn vrouw zou vertellen, Djurdja Nedeljković, die op dat belangrijke ogenblik lekker lag te snurken op het opblaasbare reiskussen, met haar pink vastgeklemd in de handtas vol geld. Na een paar minuten maakte Neša zijn vrouw zachtjes wakker, liet haar het doek zien en vroeg of ze het liever thuis wilde bewaren of aan vrienden wenste te schenken. Djurdja, die sinds Neša’s pensioen een grote waardering had ontwikkeld voor de keuze van haar man zich tot de kunsten te bekeren en haar daarin eindelijk te vergezellen, stelde enigszins onverschillig voor om het aan een stel goede vrienden te geven. Daarop wipte Neša even van zijn stoel omhoog, waarvan hij zelf schrok, en zei lachend: ‘Dit doek kunnen we helemaal niet weggeven’. Djurdja Nedeljković, een gepensioneerd muzieklerares, ging rechtop in haar stoel zitten en keek naar de gesprongen haarvaatjes in de ogen van haar echtgenoot, die, watertandend met zijn korrelige tong bijna het hele montuur van zijn bril aflikte. Want dat was het allerbelangrijkste moment in het leven van Neša Nedeljković, hij wist dat hem gouden tijden stonden te wachten, hij wist dat zelfs al toen hij vanwege zijn acné door de meisjes werd afgewezen, toen hij de bolleboos van de klas was, toen zijn moeder en vader stierven en het hem niet lukte om zijn rechtenstudie af te maken en hij in plaats daarvan zijn hele leven naar de verkankerde ingewanden van Yugo-auto’s moest kijken. Neša Nedeljković wist dat er ooit een dag als deze zou aanbreken waarop de decennia-oude lagen motorolie ineens van zijn vingers zouden glijden. Neša bloeide op als de bomen op zijn schilderijen en zijn hersenen stegen in paarse nuances hemelwaarts. Heeft hij nou een beroerte, vroeg Djurdja zich ietwat naïef af, terwijl ze roerloos naar de knipperende ogen van haar man keek. We geven het niet weg, omdat het is verkocht, zei Nedeljković uiteindelijk met een wat vreemde stem, die schel en toch vastberaden klonk: het was alsof hij een kreet slaakte. De gepensioneerde muzieklerares, overduidelijk in haar nopjes, sprong van haar plaats op, knuffelde haar man een paar keer, kuste hem met haar vochtige, verzorgde lipjes op de mond en slaakte een paar kreetjes van geluk. Ze keken nog lang naar de foto die ze met hun mobiele telefoon van dat doek en van alle andere doeken hadden gemaakt, in totaal tachtig stuks, die Neša het eerste jaar van zijn pensioen had geschilderd. Dit doek vonden ze het mooist. ‘Vanwege deze rivier,’ Djurdja wees naar het subtiele riviertje dat van het chalet naar beneden stroomde en uitkwam bij een heuveltje aan de rand van het schilderij, ‘zie nou toch hoe levendig je het hebt gemaakt.’ Nee, nee, het kwam door de wolken dat ze het zo mooi vonden, Neša streek met zijn vinger over het telefoonscherm alsof hij ze probeerde aan te raken. Bij een Albanees benzinestation stapte iedereen uit de minibus om een frisse neus te halen en de benen te strekken, onder het genot van een sigaret en veel te dure burek, een deeggerecht gevuld met kaas. Djurdja en Neša Nedeljković zaten op hun stoel en staarden zwijgend naar een meeuw, ze wisten zeker dat die meeuw de reden was dat het schilderij was verkocht en niets anders. Neša Nedeljković’ hoofd lag op de schouder van zijn vrouw en een uur later sliep hij met zijn voorhoofd geleund tegen het koude glas dat van tijd tot tijd hevig trilde door de hobbels in de weg. De gepensioneerde muzieklerares hield nog steeds de mobiele telefoon met de foto in haar hand, ze bekeek het houten chalet en het levendige riviertje dat uitmondde in een uiterst buitenproportionele berg, en vervolgens de meeuw, die op je af leek te vliegen als je er te lang naar keek. Ze keek naar de slapende Neša en zijn handen die trilden als kattenpootjes. Djurdja had altijd al geweten dat hij een genie was, zelfs toen nog niemand dat wist, maar wat nu als hij opeens naast zijn schoenen ging lopen? Wat als hij een jongere vrouw vond, naar Parijs verhuisde en daar zou gaan exposeren, kaviaar ging eten en mousserende wijn ging drinken? De trotse, donkere baan van de snelweg leek dwars door Djurdja heen te schieten en haar gespleten op het asfalt achter te laten. ‘Neša,’ – ze maakte hem wakker – ‘Neša, wat nu als we dit schilderij niet verkopen, ik ben er zo aan gehecht geraakt.’ De slaapdronken Neša dacht een ogenblik stilletjes na, streelde over haar hoofd en zei instemmend: ‘We kiezen wel een ander,’ en doezelde snel en volkomen onschuldig weer weg. Djurdja had zichzelf, ook al wist ze dat het om luttele seconden ging, voor heel even voor een groot ongeluk behoed dat haar man naar Amsterdam zou voeren, misschien zelfs New York, of waar dan ook, ergens ver weg van haar wil. En toch, ze kon niet anders dan dromen over de wijde ruimte van Centre Pompidou, met daarin Neša’s Zonsondergang in de geboortestreek die soeverein over de museumzaal heerste. En hoe hij werkelijk door iedereen aanbeden zou worden.

*

Bij kilometerpaal 354 van Belgrado bedenkt Marina dat het tijd is om iets te eten. Voorzichtig haalt ze haar worstenbroodje tevoorschijn, maar het gaat moeizaam, de plastic tas verzet zich en ruist als de zee. Nu moet ze de mensen naast zich een stuk aanbieden. Van een worstenbroodje nog wel, dat deel je niet. Maar toch: ze moet. Wilt u een stukje, nee, prima, natuurlijk, en ze zet haar dunne en scherpe tandjes in het taaie bladerdeeg. Uitgerekend op dat moment stopt de minibus bij een benzinepomp en moet Marina in de wind haar lunch nuttigen. Ze is op de terugweg van de universiteit, ze reist drie keer per week op en neer van Gračanica naar Belgrado. Soms overnacht ze bij haar zus in Borča, maar ze durft het vaak niet te vragen en haar zus biedt het haar niet langer aan, want ze heeft geen zin om tijd door te brengen met iemand die zo hardnekkig kan zwijgen. Sinds ze aan haar promotieonderzoek is begonnen, als dochter van het rijkste gezin in de regio, is iedereen eindelijk trots op haar. Vanwege haar pokdalige gezicht zegt nooit iemand dat ze mooi is, maar slim, wat na een paar jaar aan negens en tienen ook steeds minder is geworden. En toch, Marina heeft haar kracht nu hervonden: in de buurt wordt er over haar gesproken als over een belangrijke geleerde en de nummer één van het dorp. Als ze niet zo’n pokdalig gezicht had gehad, hadden ze vast gezegd dat ze iemand had ontmoet en helemaal niet studeerde, maar dat ze de slet uithing en dat haar ouders dat probeerden te verhullen. Zo gelooft iedereen dat ze doctorandus is en iedere keer als ze weer thuis is, stellen ze haar vragen die ze van tv hebben, waarop zij zachtjes en bondig antwoordt, tot hun grote ergernis, omdat ze een slimmerik verwachten, niet een mens dat geen stom woord zegt. Maar ja, ze hebben geen andere doctorandus en moeten het maar met Marina’s korte antwoorden zien te stellen, terwijl zij ondertussen onbeholpen met haar vingers knakt. Ze weten niet dat dit de laatste keer is dat ze uit Belgrado vertrekt en dat ze er nooit meer zal terugkeren, dat ze dankzij de harde hand van de aldaar zetelende, intellectuele elite in een zee van studenten is verdronken. Zelf is ze ook verbaasd: tot nu toe was ze altijd een student met alleen maar tienen geweest, maar vanaf nu iemand die het jaar niet heeft gehaald vanwege haar naïeve, emotionele verhandelingen over de Karamazovs, waarin ze stelde dat Aljosja een engel was, tot grote ontsteltenis van een vooraanstaand professor die meteen haar cijferboekje teruggaf, en waarop een medestudente naast haar schamper glimlachte. ‘Dat krijg je ervan als ze hier naartoe komen om hun diploma wit te wassen,’ hoorde Marina verward aan terwijl ze, voor de laatste keer, de okergele werkkamer van haar hoogleraar literatuurwetenschap verliet. Daar staat ze nu, ze trekt haar mouw over haar bevroren vingers en probeert, nog altijd verward, te begrijpen wat er nou eigenlijk was gebeurd, en hoe het kwam dat ze naast de OMV-benzinepomp op het verdorde gras stond met het gevoel dat haar leven elke zin had verloren die het een paar dagen geleden nog had. Door de stress en het stadse stof was haar bleke gezicht nog verder opgezwollen en het vet onder haar dunne huid kolkte. De chauffeur van de minibus snauwt tegen de reizigers dat ze moeten instappen, want hij wil er geen tien uur over doen. En als je Mara toch eens kon zien, ze stapt niet in, haar voeten zijn aan het gras genageld en haar vingers zweven losjes langs haar lijf. Ze weet dat ze niet terug naar huis kan, waardoor haar lichaam verstijft en net doet of het een eik is. De chauffeur kookt van woede, de reizigers beginnen zich te roeren. Er loopt een vrouw op haar af, maar ze schrikt van haar uitdrukkingsloze ogen en deinst bijna een meter achteruit. De minuten trekken voorbij en iedereen wacht tot Marina een kik geeft, maar ze verroert zich niet, en haar wilde haar wappert in de wind. Mara is net een toorts. Ze verlicht zichzelf en weet hoe ver dat licht reikt. De chauffeur heeft er schoon genoeg van en een marineblauwe sporttas landt op haar voeten. Ze schrikt en zet een stap opzij, waarop de chauffeur en de reizigers nog een laatste keer haar kant op kijken, maar zij antwoordt met een zachte, verlegen glimlach en heft haar rechterhand op, als teken van afscheid. Als de deur van de minibus dichtslaat, denkt ze terug aan de woorden van haar professor: ‘U bent zowel stilistisch als wetenschappelijk ongeletterd, een schande voor een academisch geschoolde burger,’ waarop ze haar tas opraapt en haar weg tot de eerste afrit vervolgt. De afslag naar Velika Drenova is haar niet eens opgevallen. De koude nachtlucht verdooft haar wangen en Mara spert, waarschijnlijk in een poging haar gezicht te ontdooien, haar kaken wagenwijd open en roept bijna onbedoeld: ALJOSJA WAS EEN ENGEL!

Ze loopt vervolgens naar het klooster van de Heilige Elia en blijft daar tot het eind van haar leven.

 

 

Deze Nederlandse vertaling kwam tot stand binnen het internationale talentontwikkelingstraject CELA, waaraan 30 auteurs, 79 vertalers en 6 literair professionals uit 10 Europese landen deelnemen. CELA wordt in Vlaanderen en Nederland getrokken door deBuren, Passa Porta en Wintertuin. Het project wordt mee mogelijk gemaakt door onder meer Creative Europe en het Letterenfonds. Ontdek meer via www.cela-europe.com

Pavle Trkulja is geboren in voormalig Joegoslavië, het huidige Bosnië & Herzegovina, maar opgegroeid in Nederland. Hij studeerde Slavische en Oost-Europese Studies aan de KU Leuven, gevolgd door een Master in Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Twee vertalingen van hem zijn gepubliceerd in literaire tijdschriften en momenteel werkt hij aan de vertaling van twee romans vanuit het Servisch/ Kroatisch naar het Nederlands.

 

 

 

Over de auteur

Ana Marija Grbić was born in 1987. in Belgrade, where she graduated in COmparative Literature. She is currently in her final year of PHD studies in literature. She published three books of poetry Yes, but Don't Be Afraid (Prvenac, 2012), The Venus Mound and Other Mounds (LOM, 2014), Earth 2.0 (Arete, 2017) and a book about the band Idoli Idoli and the Last Day (Kontrast, 2018). She is the founder of the poetry organisation ARGH, editor, creative writing mentor and the radio host of the Klub 2 show on Radio Belgrade 2.

Over de illustrator

Bo Yuan is een Illustrator uit Rotterdam met een specialisatie in digitale kunst. Via deze medium creëert hij werelden en karakters met een focus op kleur en atmosfeer. Naast commercieel werk houdt Bo zich bezig met persoonlijke projecten waarbij hij gevoelens omtovert tot beeld dat surrealistisch maar ook herkenbaar is. Zie instagram.com/ba.pow.

Lees meer van

Achter het behang

Door Ana Marija Grbic

Meijer zat zwijgend op de houten stoel en kneep zijn ogen halfdicht. Het was stil in de leeggehaalde kamer, op het monotone getik van een grote wandklok na. Het protserige uurwerk was waarschijnlijk te zwaar gebleken om mee te nemen. Of te lelijk, al was dat een mogelijkheid die niet opkwam in de stroeve geest […]

Lees meer uit de categorie proza

Anne Giesen: zolderkamerschrijver en ontdekkingsreiziger

Door Elske Jacobs

‘Schrijven doe ik op gestolen momenten. Wanneer ik sta te koken of op de fiets zit, bedenk ik plotten, personages en mooie zinnen. Die schrijf ik op de achterkant van boodschappenlijstjes of typ ik uit tijdens onbelangrijke colleges.’ Anne Giesen is student Algemene Cultuurwetenschappen en fanatiek deelnemer aan schrijfwedstrijden. Ze mag zich winnaar noemen van Write Now! 2018, […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper