proza

Lijn 42

Door Dafne Gotink | beeld: Jon Kvassay
12 oktober 2021

Amos wachtte bij het station in zijn lege bus en keek naar het plein dat voor hem lag. De zon kwam net op in een nog nachtblauwe stad en er waren meer vogels dan mensen op straat. Hij keek naar een dakloze die een handkus wierp naar het meisje dat hem voorbijliep. Ze zag het niet, of deed alsof.

Als het waar is wat ze zeggen en de eerste grote liefde van ons leven het materiaal blootlegt waarvan we zijn gemaakt, dan was Amos van een hardnekkig, genadeloos traagschuim. Zijn hart was niet veerkrachtig, gaf geen tegendruk en verzachtte in de warmte. Ook bleek het uitzonderlijk goed in het onthouden van dat wat al lang niet meer bij hem was. Leila, ongrijpbare Leila, die zijn gezicht had aangeraakt met haar handen van ivoor, en zo zachtaardig zijn blik met de hare had verbonden dat hij ervan overtuigd was dat ze elkaars ziel konden zien, was immers al lang weer met andere dingen bezig.

De Kade

Langs het water blies een windvlaag een krant omhoog in het witte licht, van de bushalte waar hij stilstond, helemaal naar de bovenste verdieping van het havengebouw. Op de voorpagina had een onbekend gezicht gestaan. Verderop, op straatniveau, kruisten twee voorbijgangers elkaar op de smalle stoep en belandden in een kleine ongemakkelijke dans om wie er voor mocht gaan. De voorbijganger met rode jas gaf zich gewonnen.

Hij was voor haar gewaarschuwd, maar de liefde wint het altijd van goede raad. Amos was drie maanden geleden overgenomen door een monster, een bosbrand die zijn hart uit zijn voegen had doen barsten. Hij had zich eraan overgegeven en heel even leek al het bestaande betekenisvol. Zolang de tekenen gunstig waren, was er niets in de wereld dat Amos niet aankon. Na andermans woorden had echter ook de tijd al snel duidelijk gemaakt dat hij zich had vergist. De Leila in zijn hart en de Leila in het echt groeiden uit elkaar. De bosbrand werd gesmoord en Amos bleef alleen achter in de hitte. Vergissing of niet, de stad deed mee met zijn eigenwijze hart dat van geen einde wilde weten. De straten op zijn route, de bomen die er woonden, de reclameborden en zelfs de kraaien op de stroomdraad, ze schreeuwden allemaal haar naam. En ongemerkt werd die naam met elke herhaling leger, ontdaan van haar drager, als de verpakking van een dierbaar cadeau dat hij ooit ergens kwijt was geraakt. Het werd steeds minder van haar, en steeds meer van hem.

Van Ostadelaan

Deze zonnige dag stapte er maar één passagier in, die hem groette met een verrassende stem. De bus rook naar diesel en naar het oude stof dat zachtjes zweefde in het zonlicht. Langs zijn raam fietste een oude man die Amos wel vaker zag. Hij fietste telkens dezelfde route en zijn mond hing altijd open.

Het was nu een jaar geleden dat Amos was ingedrukt door een redeloos verlangen. In de holte van het traagschuim had zich een gemis genesteld dat altijd bij hem was, ook al was het niet altijd voelbaar. En hoe langer het gemis in hem zat, hoe moeilijker het voor hem was om te formuleren wat hij precies miste. Hij ging wel eens naar haar op zoek, in de hoop dat zij patent had op dat wat hem ontbrak. Het toeval wilde niet dat ze elkaar zomaar ergens tegenkwamen. Toen hij haar eindelijk in het echt sprak, na veel moeite en het overboord gooien van zijn trots, was alles aan hun weerzien bevreemdend normaal. Dat wat hij miste, liet zich niet zien. Zelfs als hij nu in zijn herinnering haar gezicht afzocht, vond hij niet wat hij wilde.

Geestmolen

Uit zijn raam zag Amos een jongen, langer dan zijn leeftijd, een hond tegenkomen op de stoep. Ze konden elkaar bijna in de ogen kijken. Als de hond dat had gedaan had hij gezien hoe angst en aarzelende jongensmoed vochten om de eerste plaats. Intussen stapte een man in met een aktetas onder zijn arm, die uitpuilde van de papiertjes, en in zijn hand een oude telefoon. Hij had heldere, doordringende ogen maar een afgedragen pak en zijn grijze haar zat warrig. Hij nam plaats tegenover een jongedame in de bus en begon een gesprek. Tijdens de rit keek Amos kort in de spiegel en zag haar met hoopvolle ogen naar zijn verhalen luisteren.

Drie jaar waren voorbij gegleden sinds Amos de koele handen van Leila op zijn gezicht had gevoeld. Het gemis in hem had zich in die tijd tot een kluwen gevormd, waar niets meer aan te ontwarren of te begrijpen viel. Haar ondeugende blik, het gevoel van haar omhelzing of de klank van haar slappe lach; alles wat hij zich van haar herinnerde, was vervormd door de tijd. En zoals de raarste dingen wennen, wende ook dit: de ingedeukte vorm van Amos’ wezen werd als een nieuwe identiteit. Hij droeg het als het kostuum van een veteraan, met een vreemde, door zichzelf niet helemaal begrepen trots. In de medailles op zijn borst knaagde het gevoel dat iets voorbij alle woorden hem had aangeraakt, hem had veranderd en hem eenzamer dan ooit had achtergelaten. Als hij de moeite nam om iemand te vertellen over zijn gevoel, had hij telkens een eenvoudig verhaal uit zijn mond horen komen over een korte en onmogelijke liefde. De lagen van gemis waren in die woorden nooit te vinden.

Troostlaan

Vandaag had hij geluk. Op sommige herfstdagen stak de namiddagzon op deze lanen in lange strepen de weg over. Een tijdloos licht dat hem het gevoel gaf dat wat hem ontbrak gewoonweg om de hoek was. Dwars door de gouden strepen liep een dame, gekleed in een heldere tint rood die oplichtte in het ritme van de bomen. Ze keek opgewekt vooruit. Vanaf de andere kant, bij de verbleekte blauwe schuurdeuren, klonken kreten van een kinderfeest.

Soms dacht Amos nog aan Leila’s blik, toen ze hem had aangekeken alsof alleen zij hem ooit echt had gezien. Hij herinnerde zich vooral haar ogen. Hij kon ze maar heel even voor zich zien, dan verdwenen ze steevast weer in het niets. Vijf jaar geleden was het nu en Amos had al zijn pogingen gestaakt om te begrijpen wat er was gebeurd. Als hij goed in zijn eigen ogen keek, zag hij soms wat zij toen had gezien. Telkens keerde hij daarvan terug in een ouder gezicht.

Pronklaan

De bus stonk naar verwarming. Buiten was het zo guur dat Amos de deuren het liefst helemaal niet opendeed. Een oude dame schoof met kleine pasjes langs de bus in een lange, vaalgrijze jas. Trouw aan haar zijde een hondje, op haar hoofd een paarsig permanent. Ze liep gebogen onder het gewicht van onzichtbare tassen.

Het was nu zes jaar geleden dat Amos haar voor het laatst had gezien, en toch kwam ze af en toe voorbij in zijn dromen. Wakker worden was dan een vertrouwd, klein afscheid. Het verdriet kende hem en hij het verdriet, alsof ze allebei niet meer precies wisten waarvan. Alsof het oude kennissen betrof, die geen beleefdheden uitwisselden als hun paden elkaar kruisten, maar gewoon verdergingen waar ze de vorige keer waren gestopt.

Onderweg

Amos rijdt nog altijd door en de tijd kan nog steeds niet achteruit. Zijn passagiers bereiken hun doel, omhelzen hun kinderen bij de haltes, stappen samen in of samen uit. De kraaien roepen niet langer Leila, maar woorden in hun eigen onkenbare taal. Amos telt de strepen op de weg en de strepen in zijn haar, op zijn ooit ontstellend mooie hoofd.

Over de auteur

Dafne Gotink (1991) is kunsthistorica, onderzoeker en schrijver. Ze studeerde in Amsterdam en Berlijn en werkt in immer wisselende hoedanigheden in de culturele sector. Daarnaast schrijft ze korte verhalen en essays.

Over de illustrator

Jon Kvassay is an artist and designer working in North Eastern Ohio. Jon was born and raised in Los Angeles California and studied at Art Center College of Design. Jon spends most of his time with his wife and dog hiking, jogging and watching TV.

Lees meer uit de categorie proza

Een vis voor meneer Verstappen

Door Max Hermens

Ik klemde de hengel onder mijn oksel en sloot de deur van de tuinschuur. Mijn zoon lag nog te slapen, hij was weer naar de stad geweest. Zijn arm hing van het stapelbed naar beneden. Ik stapte stilletjes door de tuin en langs het huis van meneer Verstappen. Ik wilde hem en zijn vrouw niet […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper