proza

Zwemlessen

Door Tonnie Meewis | beeld: Ruben Gringhuis
21 november 2021

‘Heb je dit al gelezen?’ Evert overhandigde me zijn smartphone met het geopende krantenbericht. Omdat het streeknieuws betrof scande ik het vluchtig. Toen de strekking me eenmaal duidelijk werd swipete ik het scherm terug naar boven en las het bericht wat nauwkeuriger.
         Het bleek over een Loosdrechtse zwemleraar te gaan, op wiens werkcomputer naaktfoto’s van allerlei jochies uit zijn zwemklasjes waren aangetroffen. Voorbeelden werden uiteraard niet bijgeleverd, maar er werd geschreven over suggestieve poses, en enkele jongens waren kennelijk gedwongen seksuele handelingen voor de camera te verrichten.
         Mijn A-diploma haalde ik in mijn geboortedorp Bussum. Door een verhuizing haalde ik mijn B-diploma wél in Loosdrecht, tijdens het wekelijkse schoolzwemmen. Herinneringen aan mijn toenmalige zwemleraar had ik zo snel niet paraat, en ook de in het bericht genoemde voornaam zei me niet direct iets. Niet gek natuurlijk, want net als de andere meesters en juffen werd hij (autoriteitsgevoelig als we waren) altijd bij zijn achternaam aangesproken, en zelfs die kon ik me niet herinneren, het bijgeleverde initiaal ten spijt.
         Omdat me zo snel geen ongepaste voorvallen te binnen schoten (zelfs van zijn uiterlijk kon ik me geen heldere voorstelling vormen) gaf ik de smartphone al snel aan Evert terug, trok een nieuw biertje open en concentreerde me op ons zoveelste potje FIFA.

Tijdens de treinreis van Hilversum naar Utrecht moest ik bij vlagen toch weer aan mijn vroegere zwemleraar denken. Ergens ter hoogte van Hollandsche Rading, net toen ik dreigde weg te dommelen, schoot me plots een incident te binnen waarin hij me tijdens het vrij-zwemmen bij zich riep, ik in een poging tot borstcrawl op hem afzwom, me aan de rand van het zwembad ophees en me zijn complimenten over mijn vorderingen liet welgevallen. Dat betekende uiteraard nog niets. Een stuk bedenkelijker was dat hij me vervolgens vluchtig in de bovenarm kneep en bewonderend wees op mijn gespierde fysiek, en dat terwijl ik destijds acht, hooguit tien jaar oud kan zijn geweest, en pas op mijn dertiende goed begon uit te botten.
         Waarschijnlijk was dat voorval voor de rest van mijn leven een latente herinnering gebleven wanneer Evert mij het krantenbericht niet had voorgehouden. Zelfs als het ooit uit zichzelf naar boven zou zijn gekomen zou ik er hoogstwaarschijnlijk niets ongepast in hebben gezien. Nu, in mijn aangeschoten halfslaap, was ik er echter niet zo zeker van of het bij dat voorval was gebleven, ook omdat mijn verbeelding hem een zwoegende ademhaling van nauwelijks bedwongen lust toebedeelde.
         Door mijn herinneringen aan het incident zag ik ook de rest van zijn verschijning plots helder voor me, en ook die bleek met terugwerkende kracht met die van een pedo te rijmen. Gehuld in Speedo, tanktop en teenslippers scheen hij immers altijd met angstzweet behangen, als was hij consequent waakzaam doorzien te worden. Zijn kinderlijke bloempotkapsel en onthaarde borst en benen pasten eveneens in dat plaatje. Mogelijk kampte hij met een peterpancomplex, en zag hij in al die vrolijk rondspattende kinderlijfjes geestelijke leeftijdsgenootjes, die gerust als seksuele partners konden dienen. Alhoewel, dat gladgeschoren lichaam kon natuurlijk ook zijn terug te voeren op oude olympische aspiraties, en bij nader inzien kon ik dat behangsel van glimmend ‘angstzweet’ aan nagenoeg alle olympische zwemmers toeschrijven.
         Toch zou iets zwaarwegender dan dat lullige kneepje in mijn bovenarm het nodige verklaren. Zo had ik heel mijn volwassen leven al de nodige intimiteitsproblemen. Hoewel ik en mijn vriendin bijvoorbeeld al drieënhalfjaar samen waren, hadden we nog altijd een latrelatie – al haar aandringen op iets duurzamers ten spijt. Door ons weinig enerverende buishangen verkoos ik het de laatste tijd ook steeds vaker de avonden bij Evert of andere vrienden door te brengen. Bovendien werd ik tijdens vrijpartijen regelmatig besprongen door paniekaanvallen, zonder dat ik daar ooit de oorzaak van kon achterhalen.
         Was het mogelijk dat de zwemleraar me vaker bij zich had geroepen? Had hij me wellicht zelfs eens apart genomen, of me gezegd dat ik me gerust in zijn bijzijn kon omkleden? Had hij toen misschien opnieuw op mijn zogenaamd gespierde fysiek gewezen, me gezegd dat het zonde was dat niet op een foto vast te leggen? Rustig, ontspan je maar, er is niets om je voor te schamen…
        
Ik schudde de gedachte met een rilling van me af en probeerde gedurende de rest van de terugreis zo weinig mogelijk aan het hypothetische voorval te denken.

Desondanks arriveerde ik nogal kriegelig in mijn woning. Dat was overigens voor een belangrijk deel te wijten aan mijn vriendin, die zich onuitgenodigd in mijn bed geïnstalleerd had, zoals ze die laatste periode wel vaker gewoon was.
         In een poging haar slapende te houden ontdeed ik me zo geruisloos mogelijk van mijn bovenkleren. Nadat ik die op de stoel nabij de kledingkast over de boven- en onderkleding van mijn vriendin had uitgehangen, schreed ik op mijn tenen naar mijn zijde van het bed. Om het gekraak van de springveren te ontzien kroop ik vervolgens nagenoeg horizontaal onder de lakens en positioneerde me zo ver mogelijk aan de rand van het matras.
         Ik had mijn ogen nauwelijks gesloten of ik voelde haar hand al de lege ruimte naast haar aftasten. Nadat haar hand mijn bovenarm had gevonden schoof ook haar torso mijn richting op, als trok ze zich aan mijn bovenarm naar me toe. Haar hand kruide via mijn borst naar mijn onderbuik en verdween onder mijn T-shirt om mijn tot wasdom gekomen maar inmiddels onder vet begraven buikspieren te bepotelen. Verlegen maar hitsige ademstootjes schoten over mijn nek, en mijn tintelende huid werd al snel door een kus toegedekt.
         Ondanks mijn gebrek aan respons gleed haar hand onvermijdelijk naar mijn schaamstreek af.
         Ze had mijn weke lid maar net omvat of ik schoof met een morrende zucht onder haar vandaan. Ik wierp mijn benen over de rand van het bed, plantte mijn ellebogen in mijn dijen en begroef mijn hoofd in mijn handen. Spoedig kwam ze op haar knieën achter me te zitten, sussend bedoelde geluidjes in mijn oor puffend.
         ‘Rustig maar, schatje, rustig maar…’
         Ze sloeg een arm over mijn schouder, die bij de pols in de V-hals van mijn T-shirt verdween, de harde tepels van haar kleine borsten opdringerig tegen mijn ribben en bovenarm gedrukt. Haar vingertoppen kroelden door het vachtje op mijn borstbeen, en met haar andere hand wreef ze over mijn kruin, nek en bovenrug.
         Aanvankelijk liet ik haar begaan. Toen ze me echter opnieuw in de hals zoende en me gedecideerd terug naar achteren probeerde te trekken, maakte ik een onverhoedse beweging met mijn elleboog.
         Of ik haar raakte kon ik niet met zekerheid zeggen. Hard kon het in elk geval niet geweest zijn. Het kwam me dan ook wat overdreven voor dat ze onmiddellijk schichtig van bed kroop, twee vingertoppen aanstellerig op haar onderlip.
         Ze schudde haar hoofd en nam plaats op de rand van het voeteneind.
         ‘Heb ik iets verkeerds gedaan?’ vroeg ze na enige tijd, haar gekromde naakte rug nog altijd naar mij toegekeerd.
         Ik kon het niet helpen een vermoeide zucht te slaken.
         Met een ruk keerde ze zich tot me, een ongehavende onderlip onthullend. ‘Wat?’
         ‘Ik zei niks.’
         ‘Ik hoorde je zuchten.’
         ‘Ik zéí niks!’
         Bij gebrek aan respons wendde ze zich opnieuw van me af en begroef haar hoofd in haar handen.
         Onmiskenbaar dat ze mijn eerdere pose spiegelde, waarschijnlijk om te achterhalen of ik tot evenveel troost bereid was als zij. Hoezeer dit afbreuk deed aan haar eerdere gebaar scheen nauwelijks tot haar door te dringen, noch hoe doorzichtig haar manoeuvre was.
         Onwillig haar manipulatie te belonen bleef ik vast op mijn plek, zelfs toen ze haar gekrenkte pose nog aanzette door luidruchtig te snikken. Ze slikte haar tranen pas in toen ze ervan doordrongen raakte dat ze van mij geen troost hoefde te verwachten.
         Zonder me nog een blik te gunnen stond ze op van het voeteneind en trok haar kleren weinig voorzichtig van de stoel bij de kledingkast. Nadat ze mijn meegetrokken kleren had teruggeworpen begon ze zich onbehouwen aan te kleden. Vestje over haar onderarm, topje binnenstebuiten, kanten bh’tje half uit haar broekzak bungelend, wierp ze me bij de slaapkamerdeur nog een laatste blik toe, hand al op de klink. In plaats van die laatste reddingslijn aan te grijpen hield ik mij andermaal zwijgende, zoals ook gedurende meest van de belletjes na dat weekend van radiostilte, en die keer dat ik haar gearmd met een nieuwe partner in de binnenstad tegen het lijf liep.

Drie jaar en evenveel vroegtijdig afgebroken relaties later was ik weer eens met Evert in Hilversum, niet bij hem thuis maar op het uitgaanscentrum De Groest, dat op de zaterdagavonden uit onze tienerjaren vaak tot ons jachtgebied had gediend.
         Ditmaal was het een doordeweekse middag, en waren we onderweg naar de supermarkt om chips en bier in te slaan voor de kwartfinale van de Champions League.
         We naderden juist onze voormalige stamkroeg toen ik aan de overzijde van de straat een eenzame gestalte aan een terrastafel gewaarwerd, geheel gekleed en niet langer getooid met bloempotkapsel, maar duidelijk herkenbaar als de man die in de tussentijd veelvuldig in mijn hoofd was opgedoken, vooral wanneer een van mijn nieuwe relaties stuk dreigde te lopen. Op slag hield ik stil en maakte Evert met een elleboogstootje op hem attent.
         ‘Wat?’
         ‘Is dat niet die oude zwemleraar?’
         ‘Wie?’
         ‘Díé daar… met die opgeslagen kraag.’
         Evert zag wie ik bedoelde en monsterde hem vluchtig. ‘O, volgens mij wel, ja. Hoezo?’
         Ik herinnerde hem aan het krantenbericht dat hij me drie jaar tevoren had voorgehouden, eraan toevoegend dat hij kennelijk weer vrij was.
         Evert keek me wat verward aan. ‘Nee, man,’ zei hij toen het kwartje eindelijk gevallen was, ‘dat was die andere zwemleraar… die met die baard.’
         ‘Die baard?’
         ‘Ja… of wacht… dat was natuurlijk voor je bij ons op school kwam.’
         ‘O.’
         Ik wierp nog een sceptische blik op de man met de opgeslagen kraag, die zich juist een koffie liet serveren. Vervolgens haalde ik de al voortgelopen Evert bij, stelde voor de boodschappen nog even uit te stellen en in plaats daarvan onze oude stamkroeg in te duiken.    

 

Over de auteur

Tonnie Meewis (www.tonniemeewis.nl) woont en werkt in Utrecht. Begin 2020 verscheen zijn debuutroman Autobiografie van een fictie. De Optimist publiceerde eerder zijn gedicht Huwelijksreis van schaduwen. Ander kort werk verscheen o.a. in Ooteoote, Tijdschrift Ei, Meander, Lava, en de bundel Een geluk als nieuwe wijn geschonken. Momenteel werkt hij aan de dichtbundel Moeder geef me de zon, de novellen Isolatie in een landhuis en Het einde van het alfabet, en de roman De wonderlijke avonduren van Scabman.

Over de illustrator

Ik ben Ruben Gringhuis, stripmaker, schrijver en illustrator. Twee jaar geleden studeerde ik af aan de Kunstacademie in Zwolle, en werd ik onderdeel van kunstcollectief Beeldkeuken. In mijn strips zocht ik eerst heel sterk naar een strakke, ambachtelijke vormgeving. Inktwerk met een klein penseeltje, de lijnen zo strak mogelijk. Om dat te benadrukken werkte ik vooral in zwart-wit. Tegenwoordig zoek ik ook meer de kleur op, en ben ik wat verhalender gaan tekenen.

Lees meer van

Poëzie: Tonnie Meewis

Door Tonnie Meewis

Huwelijksreis van schaduwen Geketend aan de kustlijnonze blikken aan de horizon gelijmdzegt ze kijk, daar staan we en wijstmet begerige hand naar de relingvan het cruiseschip dat voorbijglijdt of eigenlijk niets dan het vaal silhoueteen ondoordringbaar schaduwvlakwaaruit geen mens naar voren treedtlaat staan een droom of toekomstbeeldvan ik met haar of een ander.  

Lees meer uit de categorie proza

De duellist: Fossielkussen

Door Annelies van Wijk

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst. Het moment dat je er klaar voor bent om gezien te worden en er niets meer is om te tonen. Niets anders dan een lijf dat deze zomer bleek is gebleven. De vlekken die appelflappen achterlieten op […]

ontwerp: artur schmal studio / development: erik driessen media ontwerper