kort verhaal

Voor even de volle aandacht

Door Levi Jacobs | beeld: Ruben Gringhuis
8 januari 2022

Voorheen was het tweemaal daags zachte handen over mijn buik, rug, een schrapende nagel achter mijn oor. Harkende vingers in de hals. Soms nog iets forceren door even langs de schenen te strijken. Op zachte toon werd me het hof gemaakt: kijk hoe krachtig die poten, hoe hoog die rug, wat een karakter heeft dat beest. Daar raak ik aan gewend. Ik zoek het op. Ik heb het nodig.
   Maar het gaat niet goed met mijn huisgenoot – ze komt nauwelijks buiten. Ik zie haar wangen kleur verliezen, haar nagels zich terugtrekken onder de riemen. Ze heeft een treurige blik – die iets weg heeft van een jankende boxer. Met hangende schouders sleept ze zich naar de keuken, waar de koffie pruttelend in de pot spat.
   Mijn aanwezigheid is een prikkel te veel. Plotseling verlies ik te veel haren. Vormen de witte stoffige kussentjes waarmee ik de bak uitstap een smet op het parket of zit ze achter mijn kont aan om met een harige stoffer wat verloren korrels op te vegen. Blijkt thuiskomen iets heel anders te zijn dan thuisblijven.
   Wat nu? Een andere boeg.

Een schrikreactie volgt als ik de spijlen nader, een kort ‘hé, niet doen’ of een corrigerend duwtje

   Op zoek naar wat vermaak, lullig tijdverdrijf. Zoals de smalle, houten planken aan de muur waar je je voorzichtig manoeuvrerend, niets omstotend een weg kan banen. Losjes op het hoekje je kopje kan laten bungelen. Maar twee boze ogen volgen ieder pasje, iets in de geest van: ‘blijf jij maar met je pootjes op de grond.’ Ik verstijf onder die blik.
   Er is de deur die maar soms openstaat en je via een halletje naar de stomende, vochtige ruimte brengt met de warme, stinkende mand waar ik me weleens aan waag om me af te zonderen, de boel te overdenken, contempleren.
   En er is de plek met een bijzondere aantrekkingskracht, de achterzijde van de ruimte, niet vanwege de olijfgroene kleur of de fotolijstjes aan de spijkertjes, maar vanwege de openslaande deuren naar het Franse balkonnetje. Met de smalle, kaarsrechte reling. De gedraaide spijlen. De stroom geluiden vanuit de binnentuin: halsbandparkietjes in tientallen, keffertjes die elkaar over honderden meters naar het leven staan, muziek, stemmen, onbekend maar verleidelijk getjilp, gefluit, geklets. Zeven hoog aan de achterzijde van het complex dat, ja, hoeveel etages kent? Zo ongeveer ontelbaar. Een schrikreactie volgt als ik de spijlen nader, een kort ‘hé, niet doen’ of een corrigerend duwtje. Gedwongen sla ik de buitenlucht van een afstandje gade.

   Hoe?
   Doorsneedagen: duivelse oogleden openwrikkende zonnestralen. Met veel misbaar je kont omdraaien, je rekt je nog eens uit, strekt je de hoogte in, laat zien hoe het een lichaam vergaat dat uren achtereen opgerold doodstil kan zijn – maar aan wie eigenlijk? Ik ben onzichtbaar. Misschien niet voor die karthuizer van hierboven, hangend over de balkonrand met zijn grijnzend likkebaardende kop. Vindingrijkheid is een teruggedrongen natuur in een stadsappartement. Jezelf in leven houden is een kwestie van je op gezette tijden richting het schoteltje slepen. Maar er zijn andere redenen dan voedsel om je kwaliteiten in te zetten, zoals je huisgenoot even te laten opkijken van het scherm. Ik vang liever wat aandacht dan een muis.
   De eerste poging: de toenadering terugbrengen tot nihil. Type muurbloempje, sluipend, beschaafd, alleen in de bak graven of van de krakende brokken eten op een van de spaarzame momenten dat de ruimte verlaten is. Alles in de wetenschap dat gemis de sterkste drijfveer is – als ze me helemaal niet meer ziet, maakt ze zich wel zorgen.
   Maar bedrogen uitkomen overkomt de beste. Ze is me vergeten, zoals ze ook eens de vis in de kom vergat tot ik het dode beestje opat en de graatjes uitspuugde op de vloer.
   Grof geschut inzetten.
   Bij het getraliede balkonnetje is het de kunst zigzaggend om de spijlen heen te bewegen, je heupen te schuren, het ijzer niet alleen liefdevol, maar ook speels, uitdagend, te strelen – en dat alles zonder het evenwicht te verliezen. Aan de linkerkant is er weliswaar het gelijkvloerse laminaat en verderop de roze poef waar middaguren opgaan in het tijdloze, aan de rechterkant staar je de donkere mond in van een binnenplaats waar al heel wat slachtoffers zijn gevallen. Laatst nog. Een jongeman, geruisloos bijna – als ik niet had zitten staren had ik het gemist – klom hij over de reling en leverde zich via de billen over aan de valversnelling. Daarna popten een voor een gezichten op tot alle ramen van het hele complex bedekt waren, een val trekt veel bekijks. Eenzame jongeman veronderstel ik, sociale contacten weggevallen, hele leven op een digitale tour, zoiets. Het zegt me eigenlijk allemaal weinig. Maar aandacht trok hij zeker.

Ze zouden denken aan een ongeluk. Dat moet wel

   Wat als ik…
   Er zouden verbaasde gezichten worden getrokken. Ze zouden denken aan een ongeluk. Dat moet wel. Want wie verwacht er van mij nu dat ik weloverwogen en met een zekere dood op de koop toe de donkere kant van de reling opzoek? Over impact hoef ik niet te klagen. Misschien geen tientallen gezichten voor de ramen, maar op z’n minst eentje, precies die ene die ik hebben wil. Vol verbazing. Vol verachting. Vol schuld.
   Toch?
   Scharrelend op het randje, met mijn nagels die het gietijzer raken – kras kras kras – dat wekt meestal wel belangstelling. Oogcontact maken, dier tot mens, mens tot dier, precies, je moet twijfel zaaien, een zaadje planten: wil deze kat iets zeggen? Ze denken graag dat ze je begrijpen. Nog een keer uitrekken, achterste in de windstille lucht steken, kromme rug, nagels uit, voetje voor voetje op de smalle reling.
   Opnieuw oogcontact en een moment laten verstrijken, wachten tot ze in beweging komt, blijk geeft van schrik: haar hand op de tafel die haar lichaam omhoogduwt of haar adem die in haar borstkas achterblijft. Nog even wachten tot het gevaar echt tot haar is doorgedrongen. En dan de vallende beweging starten, hard en stijf, poten als pilaren vooruit, haren in stekelbanen over de rug, een koude, fluitende wind, oorverdovend krijsen.

Over de auteur

Levi Jacobs is redacteur bij De Optimist. Meer weten? Zie: levijacobs.net.

Over de illustrator

Ik ben Ruben Gringhuis, stripmaker, schrijver en illustrator. Twee jaar geleden studeerde ik af aan de Kunstacademie in Zwolle, en werd ik onderdeel van kunstcollectief Beeldkeuken. In mijn strips zocht ik eerst heel sterk naar een strakke, ambachtelijke vormgeving. Inktwerk met een klein penseeltje, de lijnen zo strak mogelijk. Om dat te benadrukken werkte ik vooral in zwart-wit. Tegenwoordig zoek ik ook meer de kleur op, en ben ik wat verhalender gaan tekenen.

Lees meer van

Een sierlijk beest

Door Levi Jacobs

Hassan staat tegen het raam geplakt en kijkt naar de kont van een kameel. ‘Zie je die heupen op en neer gaan? Dat geile ritme? Zo gaan de billen van de danseressen ook.’ En hij doet het voor. Met zijn handen op de heupen beweegt hij op en neer en kijkt met getuite lippen de […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Aangespoelde Lijken

Door Andre Weststrate

Ze zijn aan de stoep bezig, net iets voorbij Ledig Erf en de spoorbrug. Ik houd van het knarsende geluid van het zand en de steentjes onder mijn schoenen. De ouders van mijn eerste vriendinnetje hadden een oprijlaan met grind. Stiekem ben ik nog steeds verliefd. Bijna thuis. Ik kijk naar binnen, maar er is […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen