kort verhaal

Waar jij was toen ik verliefd op je werd

Door Jasmijn Lobik | beeld: Marjan de Ridder
14 januari 2022

‘Ik wil je vertellen wanneer het gebeurde. Ik heb het je nog niet eerder verteld, toch?’ zegt hij terwijl ze over de snelweg rijden.
            ‘Wat?’ Ze kijkt hem onderzoekend aan.
            ‘Wanneer ik verliefd op je werd.’
            ‘Ga je me dat nú vertellen?’
            ‘Ik denk niet dat ik je dat ooit verteld heb,’ zegt hij. ‘Je kunt het ook niet weten, ik vermoed in ieder geval dat je zelf een ander moment in gedachten hebt. Waarschijnlijk denk jij dat het die keer in het bubbelbad was, toen… je weet wel. Of je denkt dat het pas veel later was, toen ik het tegen je zei in dat dure huisje aan het water dat ik had gehuurd.’

            ‘Jacob-’
            ‘Laat me even uitpraten. Ik wil alleen zeggen: het was geen van die momenten. We zaten in de auto, net als nu.’ Hij gebaart naar de achterbank. ‘Jij zat daar en ik reed. Jij dacht dat je laatste uur geslagen had, weet je dat nog?’ Hij grijnst en legt zijn hand op haar arm. ‘Ik was altijd al bang dat je een keer uit het raam zou vallen. Mán, wat bloedde je. Harder dan Kathy toen ze als kleuter in haar vinger sneed met dat vleesmes.’
            ‘Waarom vertel je me dit?’ Ze kijkt naar zijn hand op haar arm, groot en log.
            ‘Gewoon, daar moest ik ineens aan denken. Je hoeft niet overal wat achter te zoeken hè?’ zegt hij, terwijl hij zijn wenkbrauw optrekt. ‘Ik moest gewoon denken aan toen we samen met haar naar de huisartsenpost moesten, hoe ik de auto alvast startte en jij- hoe we aan één woord genoeg hadden.’
            ‘Dat is lang geleden. Ik had eigenlijk gehoopt dat we naar de radio konden luisteren. We hebben zoveel gepraat de afgelopen tijd- kijk uit!’
            De remlichten van de auto voor hen springen aan en ze ademt scherp in. Met haar hand zet ze zich schrap tegen het dashboard. Hij stuurt met één hand naar links, passeert de auto en draait zonder te kijken weer naar rechts.
            ‘In ieder geval,’ gaat hij verder, ‘stond ik als versteend. Van bovenaf was je alleen maar een bundel witte lappen en een kleine rode vlek die steeds groter werd. Ik rende zo snel als ik kon naar de deur, alsof ik ergens hoopte dat ik je nog op kon vangen. Je lag stil, zo stil, toen ik de deur openrukte en ik weet nog dat de wereld toen even stilstond.’ Hij maakt een gebaar alsof hij een deur opendoet, alsof het tafereel zich op dat moment voor hem afspeelt. ‘Waar je was neergekomen lag een kleine plas bloed, waar je even naar keek en toen lachte. Met je vingers voelde je aan je achterhoofd en keek toen verbaasd naar je natte vingers. M’n moeder was kwaad, kwáád, weet je dat nog? Ze gooide de autosleutels naar me toe en riep dat ik meteen met je naar de Eerste Hulp moest. Samen droegen we je de auto in, ook al zei je met een klein stemmetje dat je best zelf kon lopen, en je ging met beide voeten op de bank zitten. Ik draaide de straat op en ik hoorde je rommelen in je tas.’ Hij laat een pauze vallen, voor effect misschien. ‘Toen ik in de achteruitkijkspiegel keek, zag ik hoe je een sigaret opstak. Ik zei dat je het raampje open moest doen en je huilde dat je aan het doodbloeden was, dat dit misschien wel het einde was. En ik reed zo hard ik kon naar het ziekenhuis en ik bleef bij je terwijl ze je naar een kamer brachten voor een verdoving… Die grote naald, weet je nog hoe bang je was? En toen je wakker werd, nog een beetje duizelig, en je zonder te kijken m’n hand pakte… dát was het moment dat ik verliefd op je werd.’ Hij kijkt naar haar.
            Het is even stil.
            ‘Waarom vertel je me dit nu?’ vraagt ze zacht. Ze staart naar haar handen, alsof de wereld daar draait.
            ‘Ik weet het niet,’ zegt hij. ‘Misschien is het omdat we op dezelfde weg rijden als toen. En net, heel eventjes, dacht ik weer dat ik je zag zitten: tussen twee straatlantaarns in waren we tien jaar jonger. Ik denk dat ik het je nu pas vertel, omdat ik de herinnering voor mezelf wilde houden, zodat hij nooit zou vervormen onder de blikken van anderen, snap je? Ik wilde niet dat hun jaloezie, hun onbegrip hem aan zou tasten. Anderen hebben al zoveel aangetast. Jouw familie, je broers…’ Hij is steeds harder gaan praten. ‘Ze hebben ons nooit begrepen, nooit gezien wat ik allemaal voor je gedaan heb.’
            ‘Ik weet heus wel wat je voor me gedaan hebt,’ zegt ze weifelend.
            ‘Oh ja? Waarom zei je dat dan net niet tegen Dr. Malovich?’
            ‘Omdat…’ Ze zoekt gehaast naar woorden. ‘Daar was deze laatste sessie niet voor, die was er zodat we allebei verder kunnen met ons leven. We moeten vooruitkijken, niet achteruit.’
            ‘Ja, ja,’ zegt hij gekwetst. ‘Ik ga me niet verontschuldigen omdat ik iets liefs wilde doen, iets romantisch. Dr. Malovich noemt het misschien “niet relevant”, maar voor mij is er niets relevanter dan dit. Maar ik snap het nu, ik zie dat jij er niet zo instaat…’
            ‘Natuurlijk wel, maar…’
            ‘Waarom zou je ons dit anders aandoen? Geloof me, Kathy snapt echt niet waarom we niet allebei bij haar willen zijn. Waarom we het niet eens proberen, voor haar.’
            ‘I-ik, Dr. Malovich zegt…’
            ‘Dr. Malovich… hij is een slimme man, hoor. Hij heeft gestudeerd. Alles wat uit zijn mond komt klinkt ontzettend redelijk. Z’n diploma hangt recht tegenover de bank boven z’n hoofd, zodat ik er steeds naar moet kijken. Ik wil wedden dat hij dat expres heeft gedaan, hij denkt natuurlijk dat je tegen een diploma met een spreuk in het Latijn niets in kunt brengen. Maar al dat gezemel over erachter komen wat je echt wilt, in je eigen “kracht” gaan staan…’
            Hij omklemt het stuur stevig, duwt het gas verder in.
            ‘Ik weet dat je hem gelooft,’ zegt hij, ‘dat is normaal. Niemand neemt het je kwalijk dat je naar zo’n deftige man luistert met al die diploma’s.’
            Hij wrijft over zijn kaak, vanmorgen keurig gladgeschoren. Daaronder een gesteven overhemd, een jasje met twee rijen knopen: het uniform van de betrouwbare man.  
            ‘Dr. Malovich kent ons niet, kent jou niet zoals ik jou ken. Hij ziet niet wat ik zie: dat je opgeeft. Na alles wat we hebben meegemaakt. Na alles wat ik voor je heb gedaan, kun jij ons niet eens nog een kans geven. Ik moet zeggen dat ik teleurgesteld ben. Ik wil het niet zijn, geloof me, maar ik ben het toch. Ik dacht dat we beiden het beste voor Kathy wilden.’
            Ze houdt zich stil, huilt zoals iemand die al te vaak voor zwak is uitgemaakt, maar hij kent de signalen: de trillende handen en rode vlekken in haar nek verraden haar. Hij ontspant zijn kaak, een glimlach speelt om zijn lippen.
            ‘Zie je wel? Je weet dat ik gelijk heb. Jij beseft ook dat je alles misschien íets te rooskleurig hebt ingeschat. Zoals je het net aan Dr. Malovich beschreef… volgens mij is dat wel een beetje té mooi. Ik bedoel, ik ben met je getrouwd en ik ben een man van mijn woord, maar niet iedereen is zo. Ik weet niet of je wel beseft waar je aan begint.’
            ‘Ik weet niet, ik denk gewoon…’ Ze laat de zin wegsterven. Snel naderen ze de auto voor hen en ze ademt scherp in, zet zich schrap. Net op tijd wijkt de auto voor hen uit naar rechts. Jacob zucht geïrriteerd.
            ‘Nora, ik rijd al langer dan vandaag, hoor. Kap daar nou eens mee.’
            Hij legt zijn hand weer op haar arm.
            ‘Eén ding nog, schat, daarna stop ik: ik zeg dit niet omdat ik wil dat je je bedenkt.’ Met zijn hand draait hij haar kin naar hem toe. ‘Ik zeg het omdat ik wil dat je het weet. Dat je weet als we het straks tegen Kathy vertellen dat ík er alles aan heb gedaan om haar ouders bij elkaar te houden. Dit is, nee, dit was het enige onaangetaste stukje van ons dat ik nog had,’ zegt hij. ‘Ik wilde het met je delen, ook als dat betekende dat het stuk ging. Weet je in die misdaadserie die je vroeger altijd keek, en die ik met je meekeek – ook al was het een belachelijke serie – hoe ze dan een proefje soms maar één keer konden doen, omdat het monster zo ontiegelijk kwetsbaar was dat de test het monster vernietigde? Zo heb ik dit met je gedeeld. Het was de enige troef die ik nog had en nu is het aan jou. Ik wil dat je dat weet als we straks uit de auto stappen.’
            Het is even stil. Dan laat hij haar los.
            ‘Oké,’ zegt ze, ‘ik weet het nu.’ Ze draait haar gezicht van hem weg.
            Hij zet de richtingaanwijzer aan en draait met een ruk aan het stuur de snelweg af.

 

Over de auteur

Jasmijn Lobik (28 jaar) woont in Rotterdam en schrijft korte verhalen, die zijn gepubliceerd in Op Ruwe Planken en op virusverhalen.nl. Ze werd in 2019 geselecteerd voor de Lage Landen Schrijfweek en is onderdeel van The Writing Ninja's, de gevorderden schrijfgroep van The Writer's Guide (to the Galaxy).

Over de illustrator

Marjan De Ridder is performer, schrijver en illustrator en woont in het Belgische Zwijndrecht vlakbij Antwerpen. Veelkleurige ritmes en scherpe speelsheid kenmerken haar werk. Ze laat zich vooral inspireren door de vergankelijkheid van de dingen, haar liefde voor de natuur en haar fascinatie voor lichamen. Haar spontane beelden kan je terugvinden op haar instagrampagina @ik_maak_anders_iets.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

De Toerist: En hij zag dat het goed was

Door Chris Kok

Ik haast me richting de dranghekken en wurm me naar de voorste rij. Aan de andere kant heeft een explosie plaatsgevonden. Een pand staat in de hens, ledematen liggen verspreid over het asfalt. De zon schijnt. Het is een mooie dag.      Ik zie rampen als onvermijdelijk. De mens snakt naar orde, probeert het […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen