kort verhaal

Alles was zacht

Door Toon Roumen | beeld: Bjorn Nelissen
4 maart 2022

Drie jaar geleden sliep ik voor de allerlaatste keer in mijn bed. Sindsdien dommel ik elke nacht in op mijn fijne, grote, donkerblauwe stoel voor het grote woonkamerraam. Ik kijk televisie en drink, soms een beetje maar meestal wat meer, in afwachting van de slaap die me toch altijd overvalt.   
            Ik kan me de laatste keer in bed te goed herinneren. Die avond hadden we voor het eerst een vegetarische stoofpot gegeten. Ik vond het wel aardig, maar Nova stopte met eten na drie happen. Ze zei er niets over, maar schoof het bord demonstratief van zich af en stond op. Ik hoorde de toiletdeur in het slot vallen en besloot ook maar op te staan en te beginnen met opruimen. Nova kwam pas terug toen ik net weer was gaan zitten en het eerste gegorgel van de vaatwasser de keuken vulde.           
            Nova wilde na het eten altijd wandelen. Voor de verandering ging ik die keer eens mee. ‘Kijk,’ zei ik, en wees enthousiast naar de grond. ‘De blaadjes zijn al helemaal rood en bruin.’ Nova knikte, maar ik merkte dat de aanblik haar niet kon bekoren. Voor mij was de herfst een vrolijk indrinkfeestje bij de winter, jaarlijks noteerde ik de datum waarop ik voor het eerst met handschoenen de deur uit kon in mijn agenda, maar Nova gedijde beter bij de late lente en de zomer. ‘Ik heb het zo koud,’ zei ze vrijwel elke najaarsnacht in bed, en wurmde zich dan zonder het aan te kondigen tegen me aan. Op die momenten voelde ik minuscule haartjes op haar lange, slanke benen kriebelen, maar daar zei ik nooit iets over. 

‘Ik miste het kauwen,’ zei ze tijdens onze wandeling. Ze keek naar boven, waar de duisternis langzaam begon in te vallen. Mijn vragende blik beantwoordde ze met: ‘de stoofpot. Alles was zacht. Op vlees kun je ten minste nog een beetje kauwen. Niet veel bij een goede stoofpot, maar toch. De wortel en prei schoten nu zo mijn keelgat in. Ik vond het niets.’
            ‘De volgende keer zal ik je een rietje geven,’ zei ik, en snoof luid lucht naar binnen. Midden in de woonwijk rook het naar bos.

Op mijn fijne, grote, donkerblauwe stoel word ik wakker van de openingstune van het praatprogramma dat aan de tweede herhaling van de nacht toe is. Ik rek me uit en terwijl ik nogmaals hoor hoe het nieuws van de dag met de gasten wordt besproken, wil ik naar het toilet gaan. Pas als ik rechtop sta, merk ik waarin deze nacht verschilt van alle andere de afgelopen drie jaar. Mijn halfslappe piemel bungelt uit mijn gulp. Enigszins verbaasd maar vooral geschrokken knijp ik met mijn ogen, rek me nog eens uit. De ene gaap overlapt de andere. Ik kijk eerst naar de salontafel, waar zes lege flesjes speciaalbier en een voor driekwart lege fles wijn staan, en dan weer naar beneden. Nog steeds is daar mijn piemel. Ik merk nu ook dat de onderkant van mijn hemd hard is, krokant als de bladeren tijdens de avondwandeling van drie jaar geleden. Snel stop ik mijn piemel terug en denk na; vlagen vage herinneringen van uren geleden dringen zich verlegen aan me op. Ik had de slaap niet willen of kunnen vatten, en kwam zo op het idee me af te trekken. Het was een techniek die me vele puber- en adolescentennachten had doorgeholpen, en me blijkbaar ook vanavond van de afgrond heeft gered. Dat ik ben klaargekomen, staat me overigens gelukkig niet bij. Misschien ben ik in dronken halfslaap door blijven rukken, of heb ik iets verbodens gedroomd, hebben hersenspiegelingen me een verleden wereld voorgespiegeld. Ik kan niet anders dan al mijn hoop daar op te vestigen.
            Het eerste item is begonnen. Gewichtige mannen in zwarte en donkerblauwe pakken spreken over een politieke impasse die nu eens écht onoverbrugbaar lijkt. Hun gebrabbel wordt zo nu en dan onderbroken door een fragment, de presentatrice zit aan haar haar. ‘Heren, de tijd zal het leren,’ zegt ze na tien minuten plotsklaps, en het gesprek is voorbij.

Nova’s zwijgen sloeg me om de oren als een gure stootwind. ‘Dat van het rietje was maar een grapje,’ zei ik toen weer thuis waren. ‘Ik heb het idee dat je kwaad bent.’  
            ‘Ach,’ antwoordde ze terwijl ze op de bank plofte alsof ze een marathon had gelopen, ‘kwaadheid, wat is dat nog.’   
            ‘Tijdverspilling,’ zei ik.        
            ‘Weet je wat tijdverspilling is? Jouw stoofschotel.’
            Ik haalde mijn schouders op en liep van haar vandaan. Als ze een dergelijke uitspraak had gedaan op de middelbare school, had ik nooit op haar af durven stappen. Op een late dinsdagmiddag dwaalde ik tijdens een tussenuur door het schoolgebouw toen ik licht zag branden in het atelier. Ik spiekte naar binnen en zag hoe een lang meisje met een klein mesje heel beheerst duizend strepen in een homp klei kerfde. Ze lachte terwijl ze dat deed. Niet naar mij, ze zag mij niet, niet naar iemand anders, voor zover ik kon zien was er verder niemand, maar naar de klei. Ze lachte naar de klei, straalde alsof de homp voor haar een puppy was, klein en volkomen overgeleverd aan haar vormende bescherming. Hoewel ik haar niet kende, kon ik aan haar zien dat zij zich over de homp klei zou ontfermen, die zou overladen met alle tederheid die ze in zichzelf zou kunnen bespeuren en het desnoods met haar eigen leven zou verdedigen.
           Ik verscheen in de deuropening. ‘Wat maak je?’ Nova schrok zichtbaar, maar antwoordde met een stem die deed denken aan die van een kind dat met kaplaarsjes in een plas regenwater springt. ‘Iets heel moois,’ ze aaide de klei, ‘maar ik weet nog niet wat het precies wordt.’ Toen trok ze nog wat strepen in de klei, en vier jaar later droeg ze mijn achternaam.   
            Hoe het is gekomen, weet ik niet. Maar de zachtheid die haar typeerde, veranderde in de loop van de tijd in stekeligheid, ze rolde zich op als een egel en liet mij alleen nog maar haar buitenkant zien. Tijdens de diepste dalen stopte ze met eten. Vaak een paar dagen, soms een hele werkweek. Ik kon het niet opbrengen daar iets over te zeggen, uit liefde, uit angst, dus ik zweeg en at alleen. Na een tijdje schoof ze dan plots weer aan tafel en vroeg met haar kinderlijke stemmetje: ‘Mag ik heel misschien ook een beetje?’

Mijn straal breekt het porselein haast in tweeën. Na het plassen stap ik onder de douche, om niet te vallen moet ik me vasthouden aan de stang. Ik vind de stoom onaangenaam, en nog voordat ik overal nat ben, zet ik de douche weer uit. Ik gris de handdoek van de haak en loop de gang op. Daarbij wend ik mijn hoofd af van de gesloten slaapkamerdeur. In mijn studeerkamer droog ik me af en kleed ik me aan.       
Beneden haal ik de lege flessen van de tafel. Ook het tweede gesprek komt tot een einde. Drie topmannen en één -vrouw uit het bedrijfsleven roepen de overheid op de afgesproken klimaatregels strenger na te leven. ‘We worden te vrij gelaten,’ dat is de eerste en laatste regel die ik de vrouw hoor zeggen, de presentatrice bedankt de aanwezigen en gaat over op een blokje opvallende, grappige nieuwtjes. Uit de koelkast haal ik wat nieuwe flesjes en plof terug op mijn fijne, grote, donkerblauwe stoel. Ik open het eerste flesje alsof ik het gevoel heb dat ik in de gaten word gehouden. Nadat de eerste slok via mijn slokdarm een weg naar beneden heeft gevonden, kan ik met het publiek meelachen om een vermakelijk filmpje.

Toen we na een lange, vrijwel woordeloze avond in bed lagen, begon Nova te trillen. Ze kroop over de bobbel die de twee kuilen in ons matras van elkaar scheidden en nestelde zich tegen me aan. ‘Jezus,’ zei ik bij haar eerste aanraking, haar benen, en deinsde terug. ‘Ik voel me niet lekker,’ mompelde Nova, en ze gaf haast doorzichtig gal over op het dekbed. ‘Het gaat niet goed,’ hijgde ze toen. Ik knipte het nachtlampje aan en schrok bij de aanblik van het plasje dat op ons bed lag, dat in kleine hoeveelheden ook in haar haar hing, en dat al een beetje begon aan te koeken in haar beide mondhoeken. Nova klapte voorover, graaide met haar handen in de lucht alsof daar iets was waar ze zich aan vast kon klampen, en gaf een tweede keer over. Ik voelde de lichte druk van haar braaksel door de dekens heen, maar in plaats van mijn lichaam terug te trekken, of op te springen, of me om haar te bekommeren, of wat dan ook, bleef ik liggen en deed met mijn ogen open alsof ik sliep. ‘Het gaat echt niet goed,’ zei ze weer, klom grommend uit bed en opende de slaapkamerdeur. Ik keek toe hoe onze gordijnen zachtjes golfden op de plots ontstane tocht en knipte het nachtlampje weer uit.

De doffe klap waarmee het bierflesje uit mijn hand op de grond bonkt, haalt me uit de tweede lichte slaap van de nacht. Het flesje rolt bij me vandaan, ik zie hoe dierbare laatste restjes op de laminaatvloer vloeien. Ik doe echter geen moeite het schoon te maken, maar sluit mijn ogen, op weg naar halfslaap nummer drie. Dat lukt nog niet meteen en ik denk terug aan vier, vijf nachten geleden. Toen probeerde ik voor de eerste keer sinds jaren mezelf door de poorten van de droomwereld te masturberen, maar nog voor ik goed en wel begonnen was bonsde een stormram mijn keel. Ik nam een diepe teug lucht, kneep mijn ogen samen en sloot mijn gulp.

Met de ware liefde komt de onvermijdelijke angst, de doodspaniek bij de gedachte dat de ander iets overkomt. Mijn hele liefdesleven wist ik dat, ik wist het zoals ik wist dat het de zwaartekracht is die de najaarsbladeren naar beneden trekt. Ik wíst het wel, maar begréép het niet. Ik begreep het pas in de seconden dat ik nog altijd onbewogen op ons bed lag en een klap hoorde die me als een handpop in beweging bracht. In de badkamer knielde ik neer, en ik voelde hoe de herfst ineens winter werd, een winter die niet warm of koud was maar onttrokken aan alle temperatuur, en niet alleen aan temperatuur maar ook aan gezelligheid, knusheid, aan samen voor de open haard met warme chocolademelk, aan fonduen en gourmetten, steengrillen voor mijn part, aan ‘waar zijn mijn handschoenen’, aan slecht ingepakte cadeaus onder de kerstboom, aan schaatsen op krakend dun ijs, kortom: aan alles. Een winter die niet de belofte was van een nieuw begin, maar de aankondiging van het ultieme einde.

Ik lijk van een afgrond te vallen en spring op uit mijn fijne, grote, donkerblauwe slaapstoel. De fles ligt waar hij lag, het praatprogramma is aangekomen bij het laatste item. De presentatrice kijkt schichtig over de camera heen. Ooit was ik bij zo’n live-opname aanwezig, ik weet dat zich boven de camera een gigantische aftelklok bevindt, die in rode wekkercijfers zijn loden wil oplegt. De mensen van het nieuws staan te wachten. De laatste gast, de Fotograaf des Vaderlands, weet echter van geen ophouden. Hij heeft een boek gemaakt met foto’s van olifantenpaadjes, volgens hem het bewijs dat de mens zich niet laat dwingen. ‘Ik zou nog uren met je kunnen praten,’ zegt de presentatrice terwijl ze hem brutaal maar zichtbaar zenuwachtig onderbreekt, ‘maar dat zullen we na de uitzending moeten doen.’ Vluchtig kondigt ze af, en voor ik het goed en wel besef kijk ik naar een reclame voor een hypotheekverstrekker.

Het was de toiletpot. Ik legde haar op bed, zocht gejaagd naar mijn telefoon en belde terwijl ik zag hoe het bloedrode aureool zich naast op de badmat nu ook op haar hoofdkussen vormde. Ik schreeuwde tegen Nova terwijl me werd ingepeperd dat ik rustig moest blijven, ze waren onderweg. In de tussentijd zou de centralist bij me blijven, hoorde ik voortdurend. Met wijd opengesperde ogen keek ik naar het gordijn, dat bleef dansen in de wind. Ik kreeg het koud dus ik klemde de telefoon tussen oor en schouder en deed het raam dicht. Ondertussen werd er tegen me gepraat, er werd me verzocht bij het slachtoffer te blijven, maar ik luisterde niet. Bij het slachtoffer blijven was zinloos, mijn ogen bedrogen me niet. Ik ging naar beneden en als een puppy wachtte ik bij de voordeur. Toen ze eindelijk kwamen, zei ik: ‘Doe alsjeblieft de slaapkamerdeur dicht als jullie klaar zijn.’ Ik wist wel dat dat een vreemd verzoek was, maar wat kon ik anders? 

Over de auteur

Toon Roumen (1995) heeft een hart voor literatuur. Hij leest en schrijft als een malle, dat laatste veelal als columnist voor verschillende media in en rondom zijn woonplaats Sittard en voor zijn website www.toonroumen.nl. Ook werkt hij hard aan wat zijn debuut in de letteren moet worden. In 2019 en in 2020 stond hij in de finale van Write Now, de grootste schrijfwedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen. Af en toe treedt hij als onderdeel van verschillende literaire groepen op in het land. Naast al zijn bezigheden als schrijver doceert Toon sinds 2017 Nederlands op een middelbare beroepsopleiding in Roermond.

Over de illustrator

Björn Nelissen (Roermond 1977) woont en werkt in Haarlem. Hij studeerde illustratie aan de Academie Beeldende Kunsten Maastricht. Acryl en houtskool zijn zijn favoriete materialen. Zie bjornnelissen.nl en zijn Insta-pagina.

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Stijlestafette: Wittgensteins Tractatus

Door Roelof ten Napel

Voor onze themamaand De Stilist vroegen wij deelnemers van De Stijlestafette om een variatie à la Queneau op onze oertekst te schrijven. 1 Amsterdam is alles wat het geval is. 1.1 Amsterdam is het geheel aan cafés, tijdstippen, uitgaansmensen, fietsen en kots, niet aan feiten. 1.11 Amsterdam wordt bepaald door cafés, tijdstippen, uitgaansmensen, fietsen en kots, en […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen