kort verhaal

Gedeukte illusies – een pril huwelijk in delen #1

Door Lotte Krakers | beeld: Emma Ringelding
28 maart 2022

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Nederlands dichteres, redactrice en vertaalster. In 1949 debuteerde ze met de dichtbundel Klein voorspel, later volgden de bundels Tegen de wind in (1962) en De rots van Gibraltar (1969). In 1995 ontving Michaelis de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre, en in 2016-2017 zijn ook de oorlogsdagboeken die zij als meisje schreef postuum gepubliceerd.
            Hoewel haar werk, dat in het teken staat van verlies en nietigheid, nog altijd op veel waardering mag rekenen, is Michaelis voornamelijk bekend als de vrouw van de schrijver Gerard Reve (1923-2006). Hun huwelijk werd na elf jaar verbroken, toen Reve uit de kast kwam als homoseksueel.

Mijn man is schrijver. Ik ontmoette hem op de uitreiking van een literaire prijs; we waren allebei genomineerd, hij nam hem mee naar huis. Charmant leek hij me toen absoluut niet. We maakten een praatje, maar hij gedroeg zich tamelijk arrogant. Hij had net zijn eerste boek gepubliceerd, De avonden, een grauw, cynisch en volstrekt negatief werk, dat meteen in de prijzen was gevallen.
            Hij zei: ‘Ik publiceer bij De Bezige Bij, waar publiceer jij?’      
            Nergens dus. Mijn gedichten hadden tot dusver alleen in de schoolkrant en in wat tijdschriften gestaan. Uit de verte herkende ik hem al van het gymnasium, waar hij als jongetje met een loden jas, een gezicht vol pukkels en een stuurse blik over de binnenplaats liep. Daar zei ik maar niks over, tijdens die korte ontmoeting, maar het voelde als een troef dat ik wist wie hij geweest was.  
            Later vertelde hij me dat hij zich die keer aangetrokken voelde tot mijn melancholische gezichtsuitdrukking. En hoewel het misschien geen liefde op het eerste gezicht was, viel ik uiteindelijk voor zijn humor en knappe verschijning – gelukkig waren die pukkels inmiddels weggetrokken.
            Of hij me nog steeds zo aantrekkelijk vindt, dat betwijfel ik weleens. We doen het wel, daar niet van, maar het gaat vaak niet van harte. ‘Maak het onderlijf maar bloot,’ zegt hij dan. Als hij eenmaal in me zit telt hij zijn stoten, en ik op mijn beurt de wolken die ik door mijn dakraam aan ons voorbij zie drijven. Condooms gebruikt hij twee keer. In de zomer hangt hij ze buiten uit, te drogen aan de lijn. Ik houd mezelf herhaaldelijk voor dat dit bij ieder stel zo gaat, maar ik kijk weg als ik zie dat andere paartjes elkaar openlijk liefkozen.
            Misschien ben ik te naïef geweest, toen in ’47. Ik raakte te snel verslingerd aan Gerard en zijn rare trekjes: nooit had ik een man zo dichtbij laten komen. Ik was als de dood voor seks. Ik stond helemaal alleen, mijn ouders zijn vergast in de oorlog. Die van Gerard leefden nog, misschien dat die stabiliteit voor mij meespeelde. Ik genoot van de verhalen die zijn moeder me vertelde, anekdotes over Gerards kindertijd. Hoe hij als peuter besloot een wereldreis te maken, een roggebroodje en een fles water meenam, en na een half uur weer thuiskwam: hij moest plassen. Hoe hij zijn moeder als jongen iedere avond gebood hem De wolf en de zeven geitjes voor te lezen, en elke keer zo angstig, vreugdig en opgewonden op het sprookje reageerde, dat het was alsof hij het nooit eerder had gehoord. Op zulke momenten vergat ik haast dat ik niemand meer had die dergelijke verhalen over mijn eigen jeugd kon vertellen. Het was er zoete inval, bij Gerards ouders thuis, en voor het eerst in jaren ging ik op in de geborgenheid van een gezin, de huiselijke taferelen en onderlinge gewoontes – kortom, de dingen die Gerard verachtte.  
            Gerard is geen makkelijke man. Mijn moeder had hem kil en cynisch gevonden, dat weet ik wel zeker. Domme Hanny, noemt hij me vaak. ‘Hanny wil liever dom blijven,’ zegt hij, als ik vertel over mijn poëzie, die hij bourgeois-gelul noemt. Maar een vrouwenbeul, dat is hij niet, dat weet ik zeker: de man heeft me nooit fysiek of mentaal pijn willen doen. Wel kunnen we urenlang bekvechten, elkaar bestoken met plagerijtjes, als kibbelende kinderen. Ik vind intimiteit in die onenigheid, houd van zijn ogen die uitdagend twinkelen als hij iets zegt wat niet door de beugel kan, en de onverwachte tederheid wanneer hij me zijn diertje noemt.  Hij behandelt me als zijn gelijke. Welke andere vrouwen kunnen dat nu van hun man zeggen?


                                                                       ▪

We trouwden op een donderdagochtend in december, de goedkoopste dag. Ik droeg een blauwgroene jurk die me totaal niet stond, Gerards trouwpak was geleend. Na afloop aten we een boterham in het ouderlijk huis van mijn nieuwe schoonfamilie. Gerards moeder had een ijstaart weten te bemachtigen, tot onze verbazing, want alles was nog op de bon.
            Een van de gasten, een advocaat, bood na de receptie aan onze scheiding te zijner tijd gratis te regelen. Gerard ging er lachend op in en zei dat hij dan wel met hem zou gaan. Vreselijk. Ik voelde hoe mijn gezicht betrok, en om mijn geprikkeldheid niet te verraden liet ik de gasten en de karige broodmaaltijd achter en sloot mezelf op in het toilet: de hele dag al was ik behoorlijk geagiteerd geweest, bang dat de bruiloft enkel een voorproefje zou zijn van het zuinige leven waar ik voor had getekend.
            Na ruim een kwartier op de gesloten toiletpot te hebben gezeten, bonsde Gerard op de deur, uitgelaten door de jenever. ‘Zit je nou alweer ondergedoken?’
            Ik mompelde iets over de misplaatste grap van de advocaat, en pulkte verloren aan de naadjes van mijn trouwjurk. Het stiksel liet los. Ondertussen bleef Gerard maar tegen de deur hameren.
            ‘Aufmachen, Deutsche politzei!’ schreeuwde hij, en daarna, zachter: ‘Kom naar buiten, lief dier, er is niks aan zonder jou.’
            Ik gniffelde, deed open voor die abnormale, lange man die nu van mij was. Hij lachte zijn liefste glimlach, boog voorover, tilde me op en gooide me zó, hop, over zijn schouder, mee naar de voorkamer, waar hij aan de gasten liet weten dat hij me had bevrijd. En op dat moment, met hem zo nabij, dat warme lijf tegen me aan, voelde dat ook zo: het lukte voor even om op te gaan in het feestgedruis, bevrijd van mijn zelfkritiek, twijfels en verleden.

We betrokken een zolderkamer aan de Achtergracht. Een tochtig hol, zomers veel te heet, ’s winters met geen mogelijkheid warm te krijgen. Ik werkte volle dagen op de uitgeverij en deed her en der vertaalklussen. Gerard rommelde wat aan met zijn schrijven, maar na zijn debuut kwam er – tot zijn frustratie – lange tijd weinig meer van de grond. Ik plaagde hem graag met die onmacht.
            En zo werden we een geëmancipeerd stel: ik werkte, hij kookte en waagde zich aan het huishouden. Hij kon aardig vis bakken, de rest was walgelijk. Gerard kookte wat goedkoop was. Bruine bonen met geraspte kaas, liters karnemelk. Dagen achter elkaar. Kotsmisselijk werd ik er soms van en op een keer gooide ik alles eruit. Toen ik klaar was hoorde ik hem mompelen: ‘Je hebt een slecht karakter.’
            Gerard was mondig: hij was altijd voor driekwart aan het woord en hij wist precies hoe hij je het zwijgen moest opleggen. Ik was ook niet mis, maar tegen hem kon ik niet op. Aan de telefoon praatte ik soms gewoon door hem heen, zoals ik de mannen in het café had zien doen, net zo lang tot hij zijn smoel hield. Anders kreeg ik helemaal de kans niet om iets terug te zeggen.
            Met uitzondering van die ene avond, een paar maanden na ons trouwen. Ik herinner me het zachte lentelicht dat onze woning vulde, de kleine stofdeeltjes die plots zichtbaar door de ruimte dwarrelden en Gerard die aan de keukentafel aardappelen zat te schillen. Hij was ongewoon stil, de concentratie was van zijn gezicht af te lezen: strakgespannen kaken, opgetrokken schouders, een man diep in gedachten. Hij keek op, ving mijn blik en zei op een toon die serieuzer was dan ik van hem gewend was: ‘Ik heb me in dit huwelijk nooit geborgen gevoeld.’
            Stilte. Ik wist me geen houding te geven, en ook Gerard staarde beduusd naar de oude krant die hij als onderlegger gebruikte. Ik hoopte dat zijn stemming zou omslaan, als een blad aan een boom, zoals dat wel vaker gebeurde, en wachtte beduusd op een verklaring. Maar Gerard stond op, verliet het huis, bleef de hele avond weg. Toen ik hem die ochtend toch naast mij in bed vond, en vroeg waar hij geweest was, snauwde hij dat dat mijn zaken niet waren.
            En met die ene uitspraak beroofde hij me van een schone illusie: de gedachte dat ons samenzijn voor de buitenwereld misschien moeilijk te begrijpen was, maar dat het tussen ons wel goed zat. Het was het begin van een periode van opmerkzaamheid: nog meer dan anders observeerde ik zijn maniertjes, probeerde grip te krijgen op wat er mis met ons was, of mis met mij. Ik testte mezelf uit, droeg rode lippenstift en nam mijn rokken in, zoals ik vrouwen in tijdschriften dat had zien doen, ging op pad zonder trouwring om. De blikken van mannen stelden gerust, voor even, ik beantwoordde ze gulzig. Het stak me dat Gerard niets zei over mijn moderne voorkomen, de strakkere kleding die ik was gaan dragen, mijn haar niet meer opgestoken, maar los over mijn schouders. Op een middag keek hij me na toen ik de deur uitging: ‘Aangekleed gaat uit?’. Dat was alles.
            Ik provoceerde, hunkerde naar zijn aandacht. Een paar weken na de middag van Gerards uitspraak over ons samenzijn, wat ik in mijn hoofd ‘het voorval’ was gaan noemen, kwam ik naakt naast hem in bed liggen, begon hem te strelen, van zijn hals naar zijn borst, lager, alsmaar lager, ik voelde hem onder mijn vingers ontspannen, begon de knoopjes van zijn pyjamahemd los te maken. Nog voor ik zijn hemd had uitgetrokken legde hij mij op mijn buik, kwam bij me naar binnen, stootte hard, ik voelde een diepe pijn. Ik kreunde. Nog even, zei hij, nog even. Het was de eerste keer dat hij zo met me vree, zonder condoom en van achteren, het duurde niet lang. Ik bleef op mijn buik liggen toen hij uit me kwam, loog toen ik zei dat het fijn was. Hij knikte, stond op.
            ‘Blijf je niet even bij me liggen?’
            ‘Ik ga me wassen.’
            Ik stak mijn hand uit, probeerde de man die net zo dicht bij me was terug te krijgen.
            ‘Kom eens hier.’
            Maar Gerard liep weg, en terwijl ik de kraan in de badkamer hoorde lopen, dacht ik aan al die mannen die de afgelopen weken goedkeurend naar me hadden gekeken, blikken die me zelfvertrouwen hadden moeten geven, maar me nu lieten voelen als een kind, jengelend om aandacht. Hoeveel moest een vrouw zichzelf ontzeggen? Hoeveel niet ontvangen complimenten, hoeveel ongestelde vragen, hoeveel niet gegeven kussen? Ik wist het niet, doezelde weg.
            Uren later schrok ik wakker, Gerards kant van het bed onbeslapen.

                                                                       ▪

Een aardig woord over de slagersjongen, lolletjes met de onderbuurman, de brieven van onbekende afzenders die ik op de deurmat vond. Ik legde ze apart op het grenen kastje op de overloop, discreet als een huishoudster. Ik stelde geen vragen over de namen die ik voorbij zag komen: Erik, Anton, Lucas. Figuranten in de schijnvertoning van ons huwelijk. In hun laatste brief vanuit Auschwitz hadden mijn ouders me op het hart gedrukt altijd optimistisch te blijven, maar mijn gemoed leek onherstelbaar gedeukt.
            Hoe geef je woorden aan een vermoeden?
            In een van mijn driftbuien zei ik dat ik heus wel wist hoe de vork in de steel zat. Hij ontkende niets, dat zei voor mij genoeg. Het enige wat ik deed, was het mezelf kwalijk nemen dat ik altijd langs zijn echte behoeftes had geleefd.

Dit verhaal is deel van een tweeluik. Het vervolg verschijnt binnenkort op De Optimist.

Over de auteur

Lotte Krakers (1995) is werkzaam in het boekenvak en voor de VARAgids, en is redacteur bij De Optimist. Ook is Lotte actief als schrijfster: in 2019 won zij de Columnistenjacht van de Volkskrant, en werd een van haar verhalen geselecteerd voor de longlist van de Sampler van Das Mag. In 2020 publiceerde zij in de bundel Rebel, rebel van Uitgeverij Prometheus. Ander werk was te lezen in NRC, Tirade, Absint, op Karakters.nu en op Virusverhalen.nl. Op het moment werkt Lotte aan een debuutroman, die zal verschijnen bij Uitgeverij Atlas Contact.

Over de illustrator

Emma Ringelding (1991) is striptekenaar en illustrator. Ze werkte voor onder andere Oerol, De Volkskrant, FNV, VICE Nederland en Humo. Emma was redacteur bij De Optimist en recensent bij De Boekenkrant. Tumblr | Instagram.

Lees meer van

Gedeukte illusies – een pril huwelijk in delen #2

Door Lotte Krakers

Bij wijze van een verlate huwelijksreis vluchtten we die zomer weg uit de stad en verbleven voor een poosje aan de kust, ver weg van de Amsterdamse kliek die Gerard destijds zo op de zenuwen werkte. Ik wenste vurig dat de trip de lucht tussen ons wat zou klaren. In de dagen voor het reisje […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Trees

Door Jelmer Birkhoff

  Naast haar zijn aan weerszijden nog barkrukken vrij. Daar moet een reden voor zijn, dus ga ik naast haar zitten en bestel twee fluitjes. Trees heet ze, en ze kent het leven. Op haar zestiende beviel ze van haar eerste kind. Haar enige ook. Dat is alweer 54 jaar geleden. ‘Regina heet ze. Dat […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen