kort verhaal

Gedeukte illusies – een pril huwelijk in delen #2

Door Lotte Krakers | beeld: Emma Ringelding
31 maart 2022

Bij wijze van een verlate huwelijksreis vluchtten we die zomer weg uit de stad en verbleven voor een poosje aan de kust, ver weg van de Amsterdamse kliek die Gerard destijds zo op de zenuwen werkte. Ik wenste vurig dat de trip de lucht tussen ons wat zou klaren. In de dagen voor het reisje fantaseerde ik er lustig op los, ging op in meisjesachtige scenario’s over de romantiek die door de zeelucht en de zonsondergangen eindelijk tussen ons zou ontspruiten. Ik was opgelucht dat ik het nog kon, in onze liefde geloven, zelfs na het voorval, en kocht een modieus en laag uitgesneden badpak, waar ik eigenlijk geen geld voor had, en vond dat het me ondanks mijn sprieterige lichaam aardig stond.

Ik herinner me die dagen als zeer aangenaam. We maakten lange wandelingen en plukten mosselen die in grote trossen langs de kustlijn groeiden. Ons gehakketak keerde terug, en zo ook de lieflijke verzoeningen. Voor het eerst in tijden was de stemming tussen ons minder bedrukt, en ik had het gevoel eindelijk adem te kunnen halen. Er bleek ruimte voor mij om over mijn onderduikervaringen te vertellen, en als in een therapeutische sessie deed ik verslag van de rechtschapen, gereformeerde gezinnen die me als ´Wilma, de hulp in de huishouding´ onderdak hadden gegeven, hoe ik mijn kroezende haar iedere dag glad moest maken met een natte kam, omdat het er anders te Joods uit zou zien, en de laatste brief van mijn ouders, verstuurd vanuit Kamp Westerbork, die ik woordelijk wist op te dreunen. Ik staarde zonder het zelf door te hebben naar de oude echtparen uit het Noord-Hollandse dorpje, die langs ons huisje schuifelend het duin opliepen, kleurige parasols en strandstoelen onder hun arm. Gerard volgde mijn blik en legde zijn hand op de mijne.
             Ik begon weer te schrijven, verstilde, introverte poëzie, die paste bij de rust die de zee me bracht. Gerard las mijn stukken, corrigeerde ze, verweet me schalks dat het slap was dat mijn gedichten het moesten hebben van kleine observaties. Ik antwoordde dat hij ook aardig wat slappe rotzooi geschreven had. En zo genoten we met volle teugen van elkaar. En daar, op de veranda van ons huisje in de duinen, zag ik plots weer in waarom ik gevallen was voor die merkwaardige man.
            Als hij dit nodig heeft, dacht ik, als hij wil dat ik doe alsof ik van niks weet, dan ben ik ertoe bereid de schijnvertoning van dit huwelijk in stand te houden. Ook op ons vakantieadres zette hij zijn correspondenties voort, en hoewel ik er niet al te veel aandacht aan probeerde te besteden, merkte ik dat mijn blik steeds werd getrokken naar de namen die hij op de enveloppen schreef. Vooral Lucas zag ik steeds meer voorbijkomen. Ik wist om welke jongen het ging, het was een oud-klasgenoot van mij, ik kende hem als innemend, met een primitieve, volkse uitstraling. Echt iets voor Gerard, dacht ik zuur, om zo’n jongen te idealiseren. Ik probeerde hem naar Lucas te vragen, plagend, op de toon die ons tijdens de vakantie vertrouwd was geworden. ‘Mens,’ antwoordde hij, ‘steek je grote jodenneus niet in mijn zaken.’
            Ik besefte dat ik maar weinig wist van wat Gerard bezighield. Voor de oorlog las ik stiekem Das Sexualleben unserer Zeit, van Ivan Bloch, dat mijn moeder achter alle andere boeken had verstopt. De seksuele passages waren in het Latijn. Ik kende nog weinig Latijn, maar dát begreep ik onmiddellijk. Toen mijn moeder me met het boek betrapte, zei ze dat ik dat soort dingen toch niet hoefde te weten.
            In Alkmaar namen we de trein naar huis, we bleven met onze spullen op het balkon staan. Het verdorde polderlandschap raasde aan ons voorbij, Gerard zat op een van de koffers, klaagde over het luidruchtige gezin dat plaatsen in de coupé bezet hield. Steeds als de trein een beetje naar links helde schoof de coupédeur open en vingen we flarden op van de moppen die het jongste kind voorlas uit een boekje, poep- en pieshumor. De bulderlach van zijn zusje klonk al voor het jongetje bij de clou was aangekomen.
            Ik glimlachte.
            ‘Wat zijn zij onuitstaanbaar in hun geluk,’ zei Gerard, weer volkomen zijn onaangepaste, nukkige zelf. Ik besteedde er geen aandacht aan, keek naar de koeien in de wei, stoïcijns.
            Op het perron stond tot mijn verbazing Lucas op ons te wachten. Nadat hij Gerard joviaal op de schouder had geslagen schudde ik zijn hand en beantwoordde de vragen over ons verblijf aan zee. Als ik niet wist hoe oud hij was, had ik hem minder jaren gegeven: zijn blonde haren hadden iets kinderlijks, puur haast. ‘Laten we naar huis gaan,’ zei Gerard, in opperbeste stemming. De zon stond hoog aan de strakblauwe hemel, ontnam mij het zicht.
            Eenmaal thuis belde ik de boekhandel, en bestelde Bloch opnieuw, samen met het werk van Wilde, Proust, Freud, alles waar ik de hand maar op kon leggen. Ik verstopte mijn lectuur zorgvuldig: het voelde alsof Gerards geaardheid pas echt bestond nu anderen er woorden aan hadden gegeven.

                                                                       ▪

Het waait misschien wel over, dacht ik steeds. Iedere keer als de naam Lucas viel: het waait misschien wel over. Als ik ’s nachts wakker werd van een Gerard die geruisloos terug ons bed in probeerde te stappen: het waait misschien wel over. Op de momenten dat ik hem aanraakte, maar hij ineenkromp: het waait misschien wel over.
            Met tegenzin hoorde ik Gerards verhalen aan, en schonk ik jenever in voor Lucas, die steeds vaker op de Achtergracht te vinden was. De twee waren voornemens samen een reis te maken.
 ‘Nu hebben we een ander plan,’ klonk het dagelijks. ‘We willen nog steeds naar Amerika, maar niet via zo’n krankzinnige omweg als hoe we dat eerst hadden bedacht. Als je met de boot van Schotland naar Canada gaat, en vandaar naar de Verenigde Staten, hoeft het in het geheel maar vier maanden te duren, maximaal vijf. Lucas heeft een hoop adressen in de vs, dus het moet niet moeilijk zijn om aan een visum te komen.’
            Luchtkastelen vond ik het, die reisfantasietjes van ze. Ik kende Gerards grootspraak en geloofde pas dat Lucas en hij daadwerkelijk zouden vertrekken toen hij op een avond in oktober zijn koffer begon in te pakken. Twee weken Parijs, dat was het plan, ze wilden gaan liften. Ik was razend jaloers: niet vanwege de fantastische reis die ze zouden maken, maar omdat ze samen zouden gaan, wetende dat Gerard en ik het op ons reisje samen, weg van alles, zo fijn hadden gehad.
            De voorbereidingen werden eindeloos uitgesponnen, en ik sloeg de twee nijdig gade terwijl routes werden uitgetekend, ezelsoren in reisgidsen werden gevouwen en ik Gerard en Lucas steeds meer in elkaar op zag gaan. Zelfs toen ik op een van die avonden opkeek uit mijn boek, en zijn hand op Lucas’ knie zag liggen, bleef ik op de achtergrond, en opnieuw leefde ik onder hoogspanning.
            Al die tijd had ik Gerard wijsgemaakt niets achter hun vriendschap te zoeken, en ook op de ochtend van vertrek hield ik me staande, lachte Lucas hartelijk toe, als de welwillende, ruimdenkende vrouw die ik zo graag had willen zijn. Ik zag hoe Gerard zijn hand op zijn schouder legde, met een vanzelfsprekendheid die tussen ons nooit had bestaan.
            Dag Hanny, lief dier, zei hij. Dag Gerard, antwoordde ik, terwijl we plechtig tegenover elkaar stonden. Op dat ogenblik werd er tussen wil en dank gestorven en geboren: mijn optimisme, nu voorgoed weggevaagd, en de liefde tussen mijn man en een andere vent.
            Hoewel Gerard me op het hart had gedrukt niet te veel te piekeren tijdens zijn afwezigheid en me volop in het openbare leven te storten, mijn vriendinnen buiten de stad eens op te zoeken, bracht ik de dagen na zijn vertrek vooral door op de uitgeverij. Mijn gedachten dwaalden af bij de routinematige klussen: stencilen, archiveren, manuscripten overtypen. Ik schrok van de collega’s die me uit mijn vacuüm trokken, me aanspoorden mee te gaan lunchen in het herfstzonnetje. Hun opmerkingen over mijn grauwe teint lachte ik weg, ik zei dat ik altijd al bleek geweest was. Eenmaal op het toilet verbaasde ik me over het gezicht dat ik in de spiegel zag, de lijnen rond mijn mond, de kringen onder mijn ogen. Ik hield mijn polsen onder de kraan en keek niet meer op naar mijn spiegelbeeld.
            Ver nadat de anderen naar huis waren gegaan sloot ik het pand af en liep over de grachten terug naar huis, liet de avondwind mijn wangen rood kleuren. De dagen waarin Gerard van me weg was werden weken, en ik had al die tijd niets van hem gehoord. De post doet er lang over, dacht ik eerst nog, nu wist ik dat Gerard, wellicht door mij aangemoedigd, de situatie maar negeerde. De lege deurmat wende, maar slapen deed ik aan zijn kant van het bed, alsof ik zelf de afwezige was.
           
                                                                       ▪

Dinsdagavond, rond een uur of zeven. Ik ging onze woning binnen, hongerig en uitgeput. Het liefst was ik nog even blijven wandelen: ik had weinig op met het tochtige hol, vooral nu ik er mijn avonden alleen doorbracht.
            Tot mijn verbazing trof ik een brief van Gerard aan, een korte, maar veelzeggende notitie, in Gerards jongenshandschrift, dat vaak zo vloekte met de inhoud van zijn brieven. Hij schreef:

‘Tussen Lucas en mij is een zeer tedere genegenheid ontstaan, die zich ook fysiek uit. Ik geef echter ook veel om jou en zou je niet willen missen. Dag lief dier, verzuim niet steeds voldoende te eten. Ik moet nu afsluiten, Lucas roept. Dag lief dier, ik zal je zo gauw mogelijk weer schrijven.’

Die avond bracht ik door voor ons dakraam. Ik was gehecht aan het vergezicht: als ik op mijn tenen stond kon ik met gemak de stad overzien, en hoorde de geluiden van de trams. Ik liet me graag inpalmen door de wolkeloze hemel en de onbekommerde, heldere maan. Nu lukte dat niet, ik voelde me afgestompt – niet eens verdrietig of gekwetst, enkel leeg.
            Plots besefte ik dat mijn vader me in mijn kindertijd had verteld dat de maan niet rond, maar peervormig was, met hier en daar een uitstulping. Ik deed mijn best dat te zien, maar kon het idee van die perfect ronde, witgloeiende schijf maar moeilijk loslaten. Ben ik nu echt zo koppig, vroeg ik me af, dat ik tegen wil en dank zelfs ook maar de kleinste, gedeukte illusie in stand wil houden?
            Nee, dacht ik. Dat wil ik niet. Eindelijk wist ik wat me te doen stond: wilde ik dit huwelijk redden, dan moest ik Gerards waarheid onder ogen komen, afscheid nemen van de verdovende schijn, hoe heerlijk ook. Ik pakte pen en papier, en schreef:

‘In dat geval kan ik niets meer tegen hebben op je relatie tot hem. Ik ben vooral ook blij dat je me dit zo eerlijk schreef, in plaats van de hele kwestie dood te zwijgen.’

Ik postte de brief een paar uur later. Dag lief dier, dacht ik, moge dit het mooiste cadeau zijn dat ik je kon geven.

Hoewel Lucas achteraf niet gediend bleek van Reves toenaderingspogingen, was hun vakantie wellicht het startpunt van de vele verliefdheden, affaires en serieuze relaties met mannen die de schrijver nog stonden te wachten. Toch bleef hij tot 1959 samen met zijn Hanny. De twee benadrukten in latere interviews dat er, ondanks hun gespannen verstandhouding, altijd sprake was van echte liefde.

Dit verhaal is deel van een tweeluik. Het voorgaande deel is hier te lezen.

Over de auteur

Lotte Krakers (1995) is werkzaam in het boekenvak en voor de VARAgids, en is redacteur bij De Optimist. Ook is Lotte actief als schrijfster: in 2019 won zij de Columnistenjacht van de Volkskrant, en werd een van haar verhalen geselecteerd voor de longlist van de Sampler van Das Mag. In 2020 publiceerde zij in de bundel Rebel, rebel van Uitgeverij Prometheus. Ander werk was te lezen in NRC, Tirade, Absint, op Karakters.nu en op Virusverhalen.nl. Op het moment werkt Lotte aan een debuutroman, die zal verschijnen bij Uitgeverij Atlas Contact.

Over de illustrator

Emma Ringelding (1991) is striptekenaar en illustrator. Ze werkte voor onder andere Oerol, De Volkskrant, FNV, VICE Nederland en Humo. Emma was redacteur bij De Optimist en recensent bij De Boekenkrant. Tumblr | Instagram.

Lees meer van

Gedeukte illusies – een pril huwelijk in delen #1

Door Lotte Krakers

Hanny Michaelis (1922-2007) was een Nederlands dichteres, redactrice en vertaalster. In 1949 debuteerde ze met de dichtbundel Klein voorspel, later volgden de bundels Tegen de wind in (1962) en De rots van Gibraltar (1969). In 1995 ontving Michaelis de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre, en in 2016-2017 zijn ook de oorlogsdagboeken die zij […]

Lees meer uit de categorie kort verhaal

Niet goed in ziek

Door Marijn Sikken

Het eerste wat hem opvalt, zijn haar haren: lang, bruin dat te veel naar rood neigt. Hij opent de passagiersdeur van de Opel en zegt: ‘Is het al zover?’       ‘Ik wen vast.’ Ze stapt in. In de spiegel herschikt ze de pruik. Als ze hem ziet kijken, probeert ze een glimlach. ‘Hoe vind je […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen