De Toerist kort verhaal themamaand

De Toerist: Een Eiffeltoren voor Amsterdam

Door Fausto van Bronkhorst | beeld: Anne Posthuma
24 april 2022

I

Als student had Ahmet een kamer op de Zeedijk en telkens wanneer hij zijn sleutels pakte om het huis te betreden, keek hij even of langslopende toeristen dat zagen. Dat hij een bewoner was van het levendigste hoekje van de levendigste stad op aarde, de stad waar zij van genoten. Als de stad ervan langs kreeg van De Telegraaf, of van de oppositiepartijen, of van een willekeurige Rotterdammer, dan voelde hij dat ook. Het was net als met Ajax. Ahmets voetbalkwaliteiten hadden hem niet eens in de buurt gebracht van profvoetbal, maar iedere keer als de Godenzonen kampioen werden, was hij kampioen. Verloor Ajax, dan verloor hij zijn dag. Wie aan Amsterdam komt, die komt ook een beetje aan mij, zong een Amsterdamse band ooit. Als kind maakte Ahmet grappen over die tekst. ‘Als je een bom op Amsterdam gooit, explodeer ik dus ook!’ Jaren later moest hij concluderen dat dit inderdaad het geval was. Steeds die andere steden. Wenen, groenste stad van Europa. Stockholm, luchtkwaliteit als een plattelandsdorp. Kopenhagen, veilig opgroeien voor kinderen. Amsterdam? Nummer 7 op de lijst van plaatsen met de duurste kamers. Van heel het continent.
En dan Berlijn. Tijdens vergaderingen, debatten en in interviews werd Ahmet vaak het B-woord toegeworpen. Berlijn was even brutaal als Amsterdam, maar terecht stoer. De melancholiek zag je daar niet aan tierelantijntjes zoals verlichte grachten, maar aan de weemoedige, socialistische architectuur, het door schaamte en nederigheid gekenmerkte Holocaustmonument, en de muur. In die stad zou het een schande zijn om vrolijke kiekjes te schieten voor een pakhuis dat is gefinancierd met slavenhandel – laat staan dat zo’n pakhuis de ambtswoning van de burgemeester zou worden.
Ja, hij wist het. Al die mooie parken, zelfs in het centrum. En die gemakkelijke huurfietsen, de elektrische steps. Ze maakten een hoop lawaai en zagen er onveilig uit, maar steppen door Berlijn was nog altijd een stuk minder gevaarlijk dan jezelf manoeuvreren langs uitladende vrachtwagens door de smalste straatjes uit de zeventiende eeuw, over bruggen die op instorten stonden. Bij de jongerenorganisatie van zijn partij NieuwSociaal gingen de debatavonden daar altijd weer over. In Berlijn mocht je kraken. In Berlijn werden referenda gehouden. In Berlijn waren ze links. Een voor een gingen zijn partijgenoten er naartoe, en ze kwamen terug met wilde verhalen over de protesten tegen gentrificatie, de kleurrijke kunst die iedere straathoek opeiste, en je direct vastgreep als je er onverschillig langs liep, en vooral over Berghain. Die bron van verhalen en geheimen, die moest je wel gezien hebben. Zelfs Ahmet, geen feestganger, zou het niet vergeten, zo hadden ze hem verzekerd. En wat had Amsterdam op uitgaansgebied? De School was roemloos failliet gegaan. Het Leidseplein? Dronken studenten die huilend op de grond zaten, na weer een avond vol drama en gebroken verwachtingen van liefde en erotiek. Ahmet vroeg zich af waar de branie van de Amsterdammers over de eigen stad was gebleven.‘In Berlijn hebben ze ook een huizencrisis,’ moest hij iedere keer zeggen als die stad ter sprake kwam. ‘De prijzen stijgen daar harder dan de inkomens en een duidelijke oplossing is er niet. Woonruimte garanderen in een miljoenenstad zal zeer moeilijk blijven. Dat is een harde boodschap, maar helaas is het zo,’ liet hij optekenen in Het Parool. Van iedere Europese hoofdstad wilde hij zeker weten dat het rivierwater daar niet blauwer was.

II

Een aantal jaar geleden was hij zelf nog met drie vrienden in Berlijn. Hij wist niet of het aan zijn studie sociale geografie lag, of toch aan de ambities die hij had om een stad te besturen: hij analyseerde alles wat er gebeurde, hoe de stad zich openstelde, wat Berlijn liet zien, en wat het niet liet zien. Dat allegaartje van huizen, architectuurstijlen, en merkwaardige openheid van meningsuiting – aan de Gethsemanekerk hing een banier tegen fascisme- hoe was het mogelijk dat het werkte? In Amsterdam werden toeristen gelokt om vooral zoveel mogelijk te consumeren. De opdringerige uithangborden, en altijd dat wietplantje, dat de drie kruizen haast had vervangen als stadswapen. In Berlijn werden de toeristen nog net niet weggejaagd. Ze kregen radicale, linkse uitspraken te zien. Pro-kraken, tegen de commercie. Het kapitalisme, waarvan zij hier de motor aanvoerden, moest gesloopt worden. Je zag het gekalkt op gevels, muren en bruggen. Banners in Kreuzberg herinnerden de toeristen er aan dat de stad niet van hen was, maar van de Berlijners. En toch waren ze er steeds, lachend onder de Brandenburger Tor, steppend over de Kurfürstendamm, vereeuwigd met de Reichstag.
Ahmet en zijn vrienden hadden de Spree gevolgd langs de muur. Ze zagen de witte duif die de ketting van een gevangene omhoog hield, de oude Trabant met het kenteken NOV-9-89. De kunst kreeg een extra dimensie, door alles wat zich hier had afgespeeld. Het was niet zomaar prikkelende street art, het was een spiegel van het verleden.
‘We moeten nog naar Checkpoint Charlie,’ had Ahmet gezegd tegen Lucas, die voorop ging langs de Spree. Het hoorde bij de historie. Natuurlijk ging Ahmet liever alleen naar de plekken die niemand kende, maar als je een van de belangrijkste historische plaatsen van Europa nooit had gezien, kon je jezelf dan een wereldburger noemen?
‘Daar is niet zo heel veel aan’.
Moeiteloos ontweek Lucas de andere toeristen, terwijl hij op zijn telefoon de route plande.
‘Kom op, als we dat niet eens gezien hebben…’
‘Oké, best. Als zij het ook kunnen vinden, tenminste.’
Lucas wees even achter zich. Ahmet draaide zich om, en kon in de verte hun twee andere vrienden Jay en Adam zien. Te veel gedanst de vorige nacht, in een van die überhippe tenten. Het zal wel, dacht Ahmet. Het voelde anders dan in de meeste steden. In Londen had hij de drukte van Amsterdam gevoeld, maar dan in het kwadraat. In Rome voelde hij de constante afleiding van alle indrukken en lokkertjes, verleid door de mogelijke fotomomenten. Hier was er nog geen enkele zonnebril aan hem gesleten. Hij kon zich bewegen met een doel, zelf bepalen welk hoogtepunt hij wel wilde zien, en wanneer hij zich juist wilde laten verrassen door de ongenuaceerde rafelranden van de stad, de hoekjes en viezige bruggen die van ansichtkaarten waren afgeknipt. Achter elk kruispunt lag een nieuwe verrassing.
Hij en Lucas stapten door tot ze een bord met een pijltje zagen: Checkpoint Charlie. Gewoon een loketje in een verder onopvallende straat. De mensen zwermden over de weg. Het leek op mimespel, zoals ze hun camera’s in allerlei hoeken hielden, om maar geen andere toerist op beeld te hebben. Ahmet bleef even staan. Misschien miste hij iets. Een aangrijpend monument, of ontregelende straatkunst, zoals op andere plekken in deze stad.
‘Kijk, Snackpoint Charlie,’ wees Adam lachend toen ook hij en Jay waren aangekomen. Naast vier vlaggen van de voormalige mogendheden die Berlijn hadden verdeeld, wapperden de vlaggen van vier aparte snackbars. Aan de andere kant van de straat zat de giftshop van de muur, en iets verder stond een bordje dat Ahmet nog kende uit zijn geschiedenisboek. You are leaving the American sector. Een man met een cowboyhoed poseerde er stralend voor.
‘Sir, please, do you have some time for a survey?’ vroeg een vrouw met een klembordje om haar nek aan Ahmet. ‘It will cost you nothing’. Ahmet draaide zich naar haar om en had de pen al in zijn hand, maar Lucas trok hem mee. ‘Niet doen. Niks is gratis hier.’
Bij een zijstraat van Checkpoint Charlie was een soort replicamuur opgetrokken. Hier stond de hele geschiedenis van de echte muur verbeeld. Ahmet probeerde het te lezen, maar moest uitwijken voor uitstappende passagiers van een grote gele bus, waar in rode letters ‘sightseeing’ opstond. Ze dromden om hem heen en hij hoorde tientallen talen door elkaar, die hij allen niet verstond. ‘Hey, Lucas?’ schreeuwde Ahmet.
‘Hier ben ik. Kijk hier even.’ Lucas zwaaide vanachter een gids met een tourvlaggetje. Ook Jay en Adam volgden.
Lucas wees naar een uitsparing in de nepmuur. Als op Koningsdag waren er allerlei prullaria te koop. Hij pakte een ronde pet met een communistisch speldje erop en liet het zien. ‘Een echte Stalinpet, voor twee euro. Lijkt me wel iets voor jou, Ahmet.’
Naast de Stalinpetten lagen tientallen sleutelhangers met hamer en sikkel. Lucas zette de pet op Ahmets hoofd en voor die het doorhad nam Lucas een foto. ‘Please sir, pay first!’ riep de verkoper. Ahmet legde de pet neer.
‘Je had gelijk, Lucas. Laten we doorgaan.’ Hij liep door, langs een man met akoestische gitaar, die Wind of Change brulde, en tussendoor voorbijgangers vroeg om een euro.

III

Aan het raam van de Engelbewaarder zat Ahmet met Lotta. Het was juni. De luwte leek aangebroken in zijn burgemeesterschap, maar de zomerperiode moest nog komen. Zo zat je op je vakantieadres en zo werd je weer teruggebeld vanwege schietpartijen of schandalen rondom het afvalverwerkingsbedrijf.
‘Zie je dat clubje toeristen?’ Ahmet wees naar de overkant van de gracht. ‘Waarom maken ze een foto van de coffeeshop, en niet van de mooie gracht? Daar moet toch een reden voor zijn.’
Ze bleven allebei staren. ‘Waarom gaan ze naar de bekende plekken? Wie wil er nou ijs uit de Damstraat voor twaalf euro?’ Hij richtte zijn blik een tijdje op Lotta, alsof zij zich moest verantwoorden. ‘We kunnen alles veranderen in Amsterdam. Alle bruggen worden rood gespoten als het moet. Maar een betaalbare woning in het centrum, dat lukt niet. Een beetje rust op de Wallen, een romantisch klein museum in plaats van de zoveelste winkel die lelijke sleutelhangers en chips verkoopt. We moeten gaan onderzoeken hoe het anders kan.’
‘Je bent niet de eerste burgemeester die dat wil. Je weet hoe ingewikkeld het is. City marketing, de enorme prijzen. Een museumpje kan de huur in het centrum echt niet betalen.’
‘En zo’n souvenirwinkel wel?’
‘Misschien ook niet, uiteindelijk. Als je zulke winkels weghaalt, komen er wel grote merken voor in de plaats. Dan koop je straks overal iPhones in plaats van paddo’s.’
‘Het klopt toch niet? Ik kan me niet voorstellen dat de toeristen dat zelf willen.’
‘Wil je het aan ze gaan vragen?’
‘Ja. Aan de toeristen, maar ook aan de ondernemers in de binnenstad. Allemaal. De enige manier om een einde te kunnen maken aan die nutellashops, is te weten waarom ze er zitten. Waarom het er zo veel zijn.’
‘Misschien staan ze er niet bij stil? Een coffeeshop of een pizzeria meer of minder? Voor een toerist is dit het echte Amsterdam. Weet je nog dat wij in Porto waren? Jij wilde naar de enige Italiaan in de stad.’
‘Wees eerlijk, de pizza smaakte goed.’
‘Maar kwam het door de pizza, of toch door ons?’
Haar ogen glimlachten altijd het eerst, daarna volgden haar wangen en dan haar mondhoeken. Haar tanden bewaarde ze voor het laatst. Ahmet en Lotta kusten kort.
‘Je hebt gelijk.’ Hij wilde dat de raadsleden dat zo vaak tegen hem zeiden, als hij tegen haar. ‘En toch moeten we iets verzinnen. Al die toeristen gaan voor de monocultuur van de binnenstad. Kijk naar buiten, het is zo vol. En andere wijken worden vergeten. We hebben iets nodig. Een monument.’
‘Zoiets als het Rijksmuseum?’
‘Niet iedereen heeft tijd om kunst te kijken. Of zin. Ik bedoel, gewoon een highlight, waar je van een afstandje naar kijkt, dat de skyline van de stad siert en vormt. Waar je verder niet gaat blowen of dronken op de straat gaat lopen pissen. Een mooie toren in een vergeten wijk van Amsterdam, om daar de mensen naartoe te laten gaan, om het toerisme te spreiden. Iets anders dan dat de belachelijke madame Tussauds of die smartshops. Wat dacht je van…’
‘Een Eiffeltoren voor Amsterdam? Dat zou een mooie bron van inkomsten zijn voor al die souvenirwinkeltjes.’
Ahmet zuchtte.
‘Voor op t-shirts, sleutelhangers, dildo’s…’
‘Ja, goed, stom idee. Never mind.’
Hij viel stil. De Leffe was zuur. ‘Maar dat is het natuurlijk,’ zei hij. ‘Amsterdam is nou eenmaal een plaatje, een ansichtkaart, een droom, en we blijven die prachtige plaatjes maar herhalen. We houden het in stand. Overal die grachtenpandjes, overal het Rijks. Daarom liet Femke de letters met iAmsterdam weghalen. We zijn zo gastvrij…’
‘Dat we vergeten dat we ook zelf nog moeten slapen.’
‘Exact!’
Hij had soms moeite te beseffen dat hij burgemeester was, en zich in het openbaar best anoniem mocht houden. De hippe studenten in het café, die hem af en toe al bekeken, stopten hun gesprek bij zijn uitroep. Hij negeerde het.
Hij bleef nadenken over hun gesprek nadat ze hadden afgerekend en de vriendelijk strelende zomernacht tegemoet liepen. Waarom zou hij de toeristen dit eigenlijk willen afnemen? Deze fantasie, deze prachtige façade? Rauw Amsterdam, dat wilde vast niemand. Dan maar een stad met opsmuk, een stad met hedonistische uitspattingen, een pretpark met hier en daar een verdwaalde, echte Jordanees, die zanikte dat het allemaal zo veranderd was, als een nar in een sprookjeskasteel. Amsterdam, de flipperkast onder de steden, met overal een lokkend lichtje en een afleidend geluid, waar je net als het balletje heen en weer zwenkt van verleiding naar verleiding. Het was wel prima zo, leven in de illusie, bedwelmd door de thc, truffels, en de e-sigaret van de medetoerist. Daarna weer terug naar huis met een T-shirt in de koffer: I love Amsterdam. Mooi voor in de kast naast I love Ibiza. Het zou het lot van de stad zijn.
Ze liepen de Staalstraat in. Aan het einde kon hij de Stopera zien liggen. Het zouden weer zware tijden worden; hij voelde nu al de kramp van de urenlange debatten in dezelfde leren stoel. Het zou weer gaan over het peperdure betaald parkeren. De stad die steeds viezer werd door het afval dat mensen overal dumpten. De jongeren in de arme wijken die steeds sneller naar messen grepen en in de drugscriminaliteit belandden. Het zou uiteindelijk weer aan zijn laksheid geweten worden, terwijl hij er toch alles aan deed? En de binnenstad was niet meer te redden, maar niemand die het zag. Ze passeerden een groot pand met een klokgevel. Er hing een gevelsteen uit de zeventiende eeuw. De winkel die in het pand huisde, verkocht smileys.
‘Oké Lotta, ik val je er verder niet meer mee lastig, maar zie je nou wat ik bedoel?’ Ahmet wees op de smileys, die hen vanuit de donkere etalage grimmig aanstaarden.
‘Ik begrijp precies wat je bedoelt. En ik weet misschien iets dat we zouden kunnen doen. We hebben het er morgen wel over.’
Ahmet zag aan Lotta’s blik dat er geen discussie mogelijk was. Zij pakte zijn hand en ze liepen richting de Amstel. In de zomeravondlucht priemden sterren, de felle maan stond als een schijnwerper op het kalme water. De neiging om het vast te leggen met de camera van zijn telefoon, onderdrukte Ahmet met moeite.

Over de auteur

Fausto van Bronkhorst (1997) schrijft verhalen, gedichten en liedjes. Amsterdam vormt een grote inspiratiebron voor hem. De wereld observeren en daar veel bij fantaseren, vindt hij het mooiste aan schrijven.

Over de illustrator

Anne Posthuma is filmmaker, video editor, fotograaf en beeldmaker.
Zie meer op haar website en Instagram.

Lees meer uit de categorie De Toerist kort verhaal themamaand

De Toerist: Er is nog hoop voor Wenen

Door Luuk Schokker

Megan kwam uit het niets. Halverwege het semester gleed ze als een spookverschijning ons bestaan binnen. Ineens was ze overal, elk etentje, elke uitgaansavond. Vaak verscheen ze gewoon, alsof ze een signaal had opgevangen dat er ergens op de campus iets leuks te gebeuren stond. In het begin was ze nog nergens te bekennen geweest. […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen