De Toerist kort verhaal themamaand

De Toerist: Er is nog hoop voor Wenen

Door Luuk Schokker | beeld: Maarten Klein
11 april 2022

Megan kwam uit het niets. Halverwege het semester gleed ze als een spookverschijning ons bestaan binnen. Ineens was ze overal, elk etentje, elke uitgaansavond. Vaak verscheen ze gewoon, alsof ze een signaal had opgevangen dat er ergens op de campus iets leuks te gebeuren stond.

In het begin was ze nog nergens te bekennen geweest. De verplichte introductiedag voor buitenlandstudenten, het internationals-diner, het bustripje naar de enorme ASDA-supermarkt waar we onze eerste boodschappen kochten en spulletjes uitzochten om de magere inrichting van onze tijdelijke, gemeubileerde kamers mee op te leuken: geen Megan. Later beweerde ze dat ze daar écht wel bij was geweest, dat ze in die eerste periode gewoon meer met andere mensen omging. Jullie hadden elkaar snel gevonden, zei ze, dat had niet iedereen. Wie die andere mensen waren vertelde ze niet.

Er werd van alles over Megan beweerd. Ik heb mensen horen zeggen dat ze niet tweeëntwintig, maar zesentwintig is. Dat ze zich elk jaar voordoet als buitenlandstudent om nieuwe vrienden te maken. Dat ze helemaal niet aan de universiteit studeert, maar het systeem heeft gehackt om aan een kamer op de campus te komen. Ongrijpbare mensen trekken altijd geruchten aan. Megan legde een patroon bloot dat me eerder niet zo was opgevallen: nieuwe vriendengroepen worden niet alleen gedefinieerd door de mensen in de groep, maar net zo goed door anderen erbuiten te houden.

Ik zag mezelf altijd als een allemansvriend, iemand die niet maalde om wie er wel of niet bij de groep hoorde. Door Megan zag ik pas in dat ik daar makkelijk over kon denken omdat ik er altijd bij hoorde. Ik deed alsof ik die grenzen niet zag, zij zag ze echt niet — of deed op z’n minst overtuigend alsof. Daarom werden mensen zo onrustig van haar aanwezigheid. Ik was wel gecharmeerd van die houding, kon meteen goed met haar opschieten, hoewel we niet echt vriendinnen werden. Waarschijnlijk was dat ook nooit gebeurd als Liv, mijn lieve Noorse huisgenoot, niet was afgehaakt voor de grote rondreis door Europa die we met z’n achten hadden gepland. Zonder dat een van de overgebleven zeven zich kon herinneren haar echt gevraagd te hebben, vulde Megan geruisloos de vrijgekomen plek in.

 

Het voelt vreemd om nu, halverwege de reis, aan haar terug te denken als de onuitgenodigde verschijning in onze keuken. Onderweg van Italië naar Oostenrijk is Megan mijn medestander in het neutrale gebied tussen twee drietallen die elkaar merkbaar zat zijn. De twee meisjes die zich voor vertrek in elkaars bestaan vasthaakten alsof er geen ander leven meer mogelijk was, lijken inmiddels vooral heel graag niet willen doen wat de ander van plan is. Hoe liever de een wil feesten, hoe noodzakelijker het voor de ander is om op tijd naar bed te gaan — en allebei hebben ze twee trouwe secondanten om hun vinger gewonden. Ik ben tot nu toe optimistisch genoeg gebleven om met iedereen op te trekken, vrij genoeg om mijn eigen gang te gaan, maar ik ben eigenlijk wel klaar met het geëmmer. Megan probeert het nog wel. Ze wisselt af en toe van compartiment om even bij de anderen te zitten, maar die zien haar goedheid als tactiek: iemand die als een dubbelspion tussen de groepjes beweegt om door te kleppen wat de anderen gezegd hebben.

Ik zou willen dat de trein een tussenstop maakte. Het zou genoeg moeten zijn om achter het raam de maanverlichte bergketens tussen Rome en Wenen aan je voorbij te zien trekken, om te gaan slapen in het ene land en wakker te worden in het andere, maar ik wil zo graag even weg zijn van het gedoe. Denk eens in hoe fijn het zou zijn als de trein zou stoppen in het berglandschap, al was het maar voor een kwartier, bedenk hoe heerlijk het zou zijn om een stuk te kunnen lopen over een donker, kronkelig pad, omgeven door niets dan bomen en stilte. Maar de trein rijdt door — en wij zijn maar even op de gang gaan zitten.

In de vroege ochtend wankelen we de trein uit, slingeren onze backpacks om, hijsen de koffers van de stenen perrontrap. Italië viel tegen, misschien was dat alles wel. Genoeg om de sfeer te bederven na een prima eerste week in Barcelona en Zuid-Frankrijk. Zelfs de fanatieke Lonely Planet-toeristen in onze groep, de drie die elke stad behandelen als een checklist, hadden het er niet bepaald naar hun zin. Genua was vies, Florence was druk. Rome was vies én druk. Het hostel was er minder fijn dan we hoopten, het bruisende uitgaansleven onvindbaar. We zijn knorrig de nachttrein ingestapt, alle opborrelende frustraties op het punt van escaleren, nog maar net in bedwang gehouden door het dunne nephouten wandje tussen de slaapcompartimenten.

Nu hebben we op z’n minst voor even weer een gezamenlijk doel. Ontbijt. Terwijl de rest zoekt naar een bakker, schrokt mijn Britse huisgenoot Will, de enige andere niet-Amerikaan in ons gezelschap, een dürüm döner weg in een schimmige stationstent. Met elke hap vergroot hij het chagrijn bij de rest, zeven slaperige reizigers met zeurende magen die nog geen vette troep kunnen verdragen. Ik stel voor om snel het station uit te gaan, daar verder naar ontbijt te zoeken. Bij de metrohalte vinden we goddank een bakkerijtje. We eten onze croissantjes ongeduldig op aan metalen terrastafeltjes die de eerste ochtendzon weerkaatsen. Het is een eerste lichtpunt. Er is nog hoop voor Wenen.

‘Hebben we een plan?’ vraagt Megan.

‘Eerst de spullen naar het hostel,’ zeg ik, ‘en dan maar even kijken. Waar hebben jullie zin in?’

‘Zei jij in de trein iets over een museum, Megan?’ vraagt Shannon met die zoete filmprinsessenstem waar ik nooit precies haar intenties in kan horen.

‘Er is hier een soort van museumkasteel. Ik wil heel graag De Kus van Klimt zien. Ik heb daar een paar jaar geleden een keer college over gehad en —’

‘Een paar jaar geleden?’ breekt Amy in. ‘Je was toch pas vorig jaar begonnen met studeren? En je major is toch psychologie?’

Megan zuigt langzaam lucht door haar ingetrokken lippen. ‘Zei ik college?’ zegt ze. ‘Ik bedoelde een lezing. Gewoon iets in de plaatselijke bibliotheek, dacht ik.’

‘Whatever,’ mompelt Amy. ‘Ik ga eerst gewoon even koffie drinken. Shan?’

‘Ik ga wel met je mee dan. Jij wilde ook koffie, toch, Jen?’

Jenny knikt gedwee, en zo is het eerste drietal vertrokken.

Ik buig me naar het andere tafeltje. ‘En jullie?’ vraag ik in de richting van het trio Caitlin, Will en Courtney. ‘Willen jullie mee?’

‘Misschien eerst even wat voor onszelf doen,’ zegt Courtney. ‘Dat museum klinkt best cool, maar het wordt ook superlekker weer. Ik bedoel: later kan wel, denk ik? Maar ga vooral vast als jullie willen.’

‘We kijken zo wel even,’ zeg ik. ‘Eerst de bagage.’

Na het inchecken wordt duidelijk dat we vandaag gewoon weer uiteenvallen in de vaste 3-3-2-verdeling. We spreken af om voor het eten weer bij elkaar te komen. Onderweg naar het museum haakt Megan haar arm in de mijne.

‘Dat verhaal van De Kus, hè,’ zegt ze, ‘dat was —’

‘Vertel maar in het museum. Of niet.’

 

Wat weet ik eigenlijk over Megan? Ik weet dat je de muziek op haar iPod kunt verdelen in twee genres: aalgladde R&B en christelijke country. Dat ze niet kan koken en de afgelopen maanden heeft geleefd op ovenpizza’s en magnetronhamburgers. Dat ze desondanks graatmager is. Dat ze uit Minnesota komt. Dat ze haar mond in een keurig cirkeltje plooit om een o-klank te maken, in tegenstelling tot de vijf andere Amerikanen, die bijna hun onderkaak uit de kom draaien als ze ahw my Gawd roepen bij een toeristische trekpleister.

Het zijn maar snippers, maar maakt het uit? Moet ik meer weten dan dat ze naast me zat in de nachttrein, het ene moment verdiept in een vuistdikke roman, dan weer stiekem met haar oor tegen het stukje muur naast de schuifdeur, en dat dat het meest fijne moment van de hele week was? Misschien is dat wel genoeg. Misschien komt vriendschap uiteindelijk hierop neer: iemand die naast je op de brommende vloer van een treingang komt zitten als je geen geduld meer hebt voor de mensen in de coupé, iemand die steeds weer een handvol snoep uit haar backpack grabbelt, taaie suikerbommetjes in chemische fruitsmaken waar je zwijgend op kunt kauwen terwijl zij strikjes van de felgekleurde snoeppapiertjes vouwt.

 

De dag glijdt voorbij. Museum, park, terrassen. ‘s Avonds zoeken we de rest op in de bar van het hostel. We bestellen er wat te eten, besluiten om voorlopig hier te blijven, een kaartspelletje te doen, even rustig aan met z’n allen. Het warme weer heeft ons allemaal loom gemaakt, merk ik. Er lijkt iets verschoven in de verhoudingen; de drietallen doen gemoedelijker tegen elkaar, het voelt zowaar vertrouwd om de hele groep bij elkaar te hebben. Wie weet is Wenen de oplossing, alleen maar door een andere plek te zijn dan Rome.

Ik draai me om om dat tegen Megan te zeggen, maar die zit niet meer naast me aan tafel.

‘Waar is Megan?’ vraag ik.

‘Naar de wc?’ oppert Will.

‘Heeft niemand haar zien weglopen?’ vraagt Shannon. Ze knippert geschrokken, haar Disneystemmetje trilt.

‘Megan is gewoon Megan,’ zeg ik. ‘Die duikt vast vanzelf weer op.’

‘Lekker makkelijk,’ zegt Amy fel. ‘De hele dag moet ze je entertainen, maar als er iets aan de hand is, moeten we ons niet druk maken? Fijne vriendin ben jij.’

Shannon vraagt het iedereen nog eens persoonlijk. Niemand heeft Megan zien weglopen. Ik begin intussen ongerust op het tafelblad te trommelen, hopend dat ik mijn achteloosheid niet ongegrond is, dat Wenen echt zo’n gemoedelijke plek is als het weer de stad laat lijken. Net als ik aanbied om te gaan zoeken, verschijnt Megan weer aan tafel.

‘We maakten ons zorgen, joh,’ zeg ik.

‘Om mij? Wat lief. Nergens voor nodig. Ik was even een rondje lopen.’ Ze klapt enthousiast in haar handen. ‘Guys, we moeten naar de overkant van de straat zo. De cocktails kosten niks. En de barman…’

‘We hadden al een plan,’ werpt Amy tussen. ‘Gewoon even hier blijven hangen.’

‘Dit klinkt wel echt leuk,’ zeg ik.

Shannon legt haar hoofd op Amy’s schouder. ‘Ames heeft wel gelijk,’ zegt ze tegen me. ‘Je moet ons niet zo pushen.’

Dan Caitlin, harmoniserend namens het andere drietal: ‘Ik vind je ook best dwingend de hele tijd.’

‘Is dat nou nodig?’ vraagt Megan.

‘We hoeven ook niet te gaan,’ zeg ik met een verlegenheid die ik niet van mezelf herken — maar wat moet ik anders zeggen?

‘Weet je, wij blijven nog even hier en daarna gaan we op de kamer chillen,’ zegt Caitlin met een venijnig knikje naar de rest van de groep. ‘Jullie twee zien maar wat jullie doen.’

 

Als onze reisgenoten opstaan, wil ik nog iets terugzeggen, maar Megan knijpt zachtjes in mijn arm om me stil te houden. We eten in stilte onze burrito’s op, rekenen af, laten de groep naar boven vertrekken. De groep.

Ik weet niet hoe het ineens zes tegen twee is geworden — of er, vlak voor Megan en ik bij het restaurant aankwamen, een vredesgesprek tussen de twee kampen is geweest waarin wij zijn opgeofferd. Waarom wij de gemeenschappelijke vijand zijn geworden. Of ben ik alleen het probleem? Zijn de drietallen boos dat ik me niet bij hen gevoegd heb? De vergelijking met zo’n stapel Russische poppetjes dringt zich aan me op, te plat, te makkelijk, en toch: steeds maken we onze kringen een stukje kleiner, maar het gedoe blijft er elke keer precies hetzelfde uitzien.

‘Wat is hiernaast?’ vraag ik na een tijdje.

‘Kom nou maar gewoon mee,’ zegt Megan.

En ze heeft gelijk: dit wilde ik inderdaad zien, een cocktailkaart waarop elke tweede goedkope cocktail gratis is, en een barman die niet alleen de drankjes mixt met waterpistooltjes, maar als extra party trick met een supersoaker gevulde shotglaasjes in longdrinkglazen frisdrank spuit. We bestellen de cocktails per twee, drinken snel en veel, alsof we de frustraties pas definitief van ons kunnen afschudden als we ze verzuipen in Long Island Iced Tea.

‘En nu?’ vraag ik. Ik knik in de richting van het hostel.

‘Nu zijn we met z’n tweeën,’ zegt Megan. Ze legt haar hand op de mijne. Een hand die tweeëntwintig of zesentwintig jaar oud is, een hand die in treinen onophoudelijk snoepjes uit een backpack grabbelt.

Over de auteur

Luuk Schokker (1990) werkt voor een universiteit en schrijft buiten kantoortijden aan verhalen. Zijn werk verscheen behalve bij De Optimist o.a. bij Papieren helden, Hard//hoofd en Catapult.

Over de illustrator

Maarten Klein (1989) is een Nederlandse illustrator. In zijn werk focust hij zich vooral op alledaagse vormen en observaties. Naast zijn werk voor klanten werkt hij veel als visueel notulist en wordt er momenteel gewerkt aan een graphic novel. Zie instagram.com/maartenklein_illustration.

Lees meer van

De Duellist: Het eiland

Door Luuk Schokker

Voor onze themamaand De Duellist vroegen wij deelnemers het duel aan te gaan met zichzelf en hun tekst.   We hadden het nooit zo bedoeld, maar voor onze gasten was Het Oude Eiland een romantisch toevluchtsoord geworden. Voor jonge stellen wekte de overtocht alleen al lust op, bij oudere koppels leek de ingedutte liefde spontaan […]

Lees meer uit de categorie De Toerist kort verhaal themamaand

De Stilist – oproep

Door Nienke van Leverink

De Stilist De Optimist vindt dat het tijd is voor een funky vormonderzoek. In eclectische tijden waarin stijlen elkaar in hoog tempo opvolgen, vragen wij ons af welke stijl jouw voorkeur heeft. Belerend? Stoffig? Misschien. Maar wij zouden geen Optimisten zijn als we ons niet schatplichtig zouden voelen aan de stijlmeesters van weleer. Denk, dicht, schrijf, essayeer […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen