De Toerist kort verhaal themamaand

De Toerist: Geen applaus

Door Vincent Cardinaal | beeld: Anna van Duijn
10 april 2022

Op een winterochtend had ik een afspraak met een boeddhistische monnik. Tijdens mijn verblijf in een kliniek was ik in aanraking gekomen met het principe van bodhichitta, een levenswijze die een onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige liefde voor jezelf en naasten voorstaat. Na wat zoekwerk vond ik een Tibetaans centrum in Rotterdam. Die verwezen me naar een meneer. Ik googelde hem: zijn gezicht leek een beetje op dat van een aaibaar vogeltje. Het adres bleek in Kralingen te liggen, in het chique gedeelte van Rotterdam, met andere woorden.

Zo stapte ik op een dinsdagmorgen op mijn racefiets en ondernam ik de reis naar het oosten van de stad. Het was een prachtige dag: blauwe hemel, ijskoud, tranen in je ogen, puur geluk. Toch werd ik steeds onrustiger toen mijn doel dichterbij kwam, ik kneep een beetje in mijn remmen, voelde de aandrang om mijn stuur om te draaien en weer huiswaarts te keren. Zelfzorg accepteren is een doorlopende uitdaging voor mij. Er zat weinig anders op dan door te zetten.

De wijk die de tempel herbergde, was een fraaie: herenhuizen en weldoorvoede studenten die door het straatbeeld fietsten. De deur van de boeddhisten bleek als enige in de straat af te wijken: hij was vaalroze. Naast de deur hing een tegeltje met daarop de afbeelding van een kardinaalvogel. Ik was iets te vroeg, waardoor ik wachtte met aanbellen. Ongeduldig zijn voelde als uitermate niet-boeddhistisch. Daarom liep ik nog een ommetje.

Toen de tijd rijp was belde ik aan. Geen reactie. Ik belde nog eens aan. Weer geen reactie. Ik klopte dan maar. Eerst zacht, toen wat fermer. Bonzen durfde ik niet. Een minuut wachten werd twee minuten, toen vijf. Zes. Ik kreeg het gevoel in mijn buik dat ik op de middelbare school kende als een overhoring op het laatst niet doorging omdat de leraar ziek was.

Precies op het moment dat ik van het huis wegdraaide om weer naar mijn fiets te lopen, hoorde ik gekraak. Het kwam van achter de gevel. Ik bleef staan. Het geluid werd langzaam iets harder, er kwamen nu ook voetstappen bij. Iets of iemand rommelde met een bos sleutels, ijzingwekkend kalm ging de deur open. Er stapte een man naar voren: de monnik. Hij was klein van postuur, maar stond ferm in de deurpost. Zijn pretoogjes lagen in een berustende stand achter een John Lennon-montuur. Hij zei verder niks, en liep naar binnen.

Bij de entree rook het naar wierook, er klonk zachte muziek en ik zag twee mannen in mooie okergele gewaden. Als je een boeddhistische setting zou uitbeelden voor een film, dan zou je het zo aanpakken. Zelf droeg mijn gastheer een simpele groene pantalon en een wit overhemd. Netjes, maar non-descript. Hij deed ondertussen vrij weinig. Hij stond naast me in het halletje en keek me aan. Ongemakkelijk nam ik het woord. ‘Nou, eh, zegt u het maar, dan’. Stilte. Hij leek me een beetje uit te lachen, maar misschien was het ook wel toelachen. ‘Pas op je kop’, zei hij nog, voor we onder een laag plafond doken, onderweg naar een souterrain.

De ruimte waar hij me door loodste was een opslagplek, onopgesmukt, vol met kratten bruiswater, rollen keukenpapier en onbestemde dozen. Niet bepaald de tempel die ik verwachtte, en we kwamen hier geen in okergeel gestoken monniken meer tegen. We gingen een deur door: het volgende vertrek was een groot uitgevallen meterkast, we dansten een lambada om snoeren en stekkerdozen. Nu werd ik toch zeker in de maling genomen? Veel tijd om hier over na te denken werd me niet gegund. Hij had een volgende deur geopend, ik zag een sticker van het GEB, het voormalige energiebedrijf van de stad dat al minstens dertig jaar niet meer bestond.

Hij liep langzaam, tergend langzaam. Bij elke stap klonk er een hoog gepiep uit de traptreden, alsof er een vlucht verkouden koolmeesjes op hun staartjes werd getrapt. Mijn biologische klok was nog niet bepaald ingesteld op deze rust. Ik vroeg daarom, met luidere stem dan tot ik dit punt had aangedurfd: ‘Zeg, zijn we er nu al?’ Geen reactie. De monnik ging onverstoorbaar door met het martelen van de koolmeesjes, voor wie ik een groot medelijden voelde.

Boven kwamen we in een zielloze ruimte: linoleum, systeemplafond. De man gebaarde dat ik mijn schoenen en jas mocht uittrekken. Hij hield nu twee matjes vast, die hij met twee meter tussenruimte precies tegenover elkaar legde. In het midden plaatste hij een gong. Hij ging op zijn knieën zitten, ik volgde zijn voorbeeld. Zo zaten we zwijgend een paar seconden tegenover elkaar. Ik voelde spanning, en nam een houding aan waarvan ik dacht dat die gepast was: actief maar zacht, mijn kop recht en de schouders ontspannen.

‘Goed, ik heet u van harte welkom. Ik complimenteer u met uw komst; velen halen de voordeur niet. U zult weinig sturing ontvangen. Alleen u kan weten of u oprecht geïnteresseerd bent of niet. We gaan nu als eerste dertig minuten in stilte mediteren. U mag de ogen sluiten. Als de gong klinkt starten we.’

Het halfuur dat volgde was een van de lastigste uit mijn leven. Ik had de weken voor deze afspraak zelf elke dag braaf vijf of tien minuten aan stiltemeditatie gedaan. Dat ging prima, ik kon mijn concentratie in de regel goed bewaren. Maar hier, op dat maffe systeemplafondzoldertje, was het pak kaarten toch anders geschud.

De eerste minuten was ik me extreem bewust van alles wat zich buiten mijn gesloten ogen afspeelde. Ik hoorde het kraken van de raamsponningen, en raakte afgeleid door het ademen van de man. Ik voelde mijn eigen hartslag, en hoewel ik trucjes toepaste om weer in de concentratie te komen, ging dat maar moeizaam. Ik sleurde aan de wijzers van de klok, ik probeerde de tijd vooruit te duwen. Ik werd moedeloos, en op het dieptepunt van dit dal slaakte de monnik een zucht. Ik dacht hij nu op de gong ging slaan en de meditatie zou eindigen. Dat gebeurde niet. Hij kwam weer in zijn adempatroon van daarvoor en de stilte werd opnieuw oorverdovend.

Toch had dit moment me geholpen. Ik voelde mezelf wegzakken in de ademhaling, de visualisatie die ik daar normaal voor gebruikte werkte opeens mee: ik stelde me een zee voor, waarbij ik met mijn benen vooruit richting het water zat. De branding en de kleur van de ondergaande zon waren onderhevig aan het ritme van mijn ademhaling. De zon kleurde in prachtig violet bij het inademen en de branding trok zich terug. Bij het uitademen schoot de zon naar oranje en voelde ik het water langs mijn benen stromen. Ik kwam nu eindelijk tot kalmte, de focus op de monnik verdween, voor mijn part was hij zelfs helemaal weg, ik werd nu het middelpunt van mijn eigen kosmos. Hiervoor was ik op de racefiets gesprongen die ochtend.

Mijn herinneringen gingen naar een wandeling die ik maakte als tiener, op het strand. Het was een dag waarop het keihard waaide. De meeste mensen liepen met de wind in de rug, maar ik koos ervoor om tegen de storm in te lopen. Het opwaaiende zand deed me mijn ogen sluiten. Zo stiefelde ik vooruit. Het striemen van de zandkorrels deerde me niet, en na een minuut raakte ik in trance. Die trance kon ik nu opnieuw oproepen. Ik voelde mezelf langs die branding lopen, de stormwind was nu onderdeel van mijn ademhaling. Ik zag mezelf van Hoek van Holland naar Scheveningen trekken, verder naar Schoorl, en langs de Waddeneilanden. Ik kon over water lopen, schaatste bijna, zo soepel voelde het, richting Denemarken en nog verder richting Finland. Ter hoogte van het Kattegat kwam ik in een echte storm, maar het boeide niet. Ik was overgeleverd aan de elementen, mijn ademhaling hield me in het oog van de orkaan. Ik was alleen in het centrum van mijn eigen storm. Mijn verbeelding liet me op een strand aanspoelen. Een meeuw keek me ongeïnteresseerd aan, en vloog toen weer weg.

Ik raapte een schelp op, hield hem aan mijn oor. Het enige geluid dat hij teruggaf, was dat van mijn adem. Daarna zette ik de schelp aan mijn mond. Ik fluisterde er al mijn geheimen in, al mijn spijt, alle negativiteit van het leven dat ik zo graag achter me wilde laten. In de verte klonk nu een geluid. De dertig minuten waren voorbij. Het openen van mijn ogen ging lastig, het koste me meerdere pogingen. Toen ik eindelijk weer kon zien, merkte ik dat de tranen me over de wangen stroomde.

Ik bleef zitten in mijn geknielde houding. Verwachtingsvol keek ik naar de monnik, van wie ik nu toch min of meer verwachtte dat hij zou bevestigen hoe bijzonder dit was geweest. Dat deed hij niet. Hij schraapte zijn keel, knikte me kort toe en zei: ‘Sta maar op.’ Hij zag dat ik aarzelde en interpreteerde dit onjuist als getwijfel over het al dan niet opruimen van het matje. ‘Laat maar liggen’, zei hij. Daarna draaide hij zich om en verliet het kamertje door een deur aan de andere kant van de ruimte. Hij ging achter een bureau zitten.

Ik zat nog steeds op mijn knieën en keek in de richting van zijn kantoortje als een labrador die nog steeds hoopte dat het tennisballetje zijn kant opgeworpen zou worden. Na nog drie seconden in- en uitademen veegde ik de laatste tranen van mijn wang en stond ik op. Hoewel het niet hoefde pakte ik het matje op en smeet het in een hoek. Daarna graaide ik mijn schoenen en jas bij elkaar. In zijn kantoortje zat hij te schrijven. Hij las de tekst nog even over, vouwde het papiertje dubbel en gaf het aan me. ‘Pas lezen als je thuis bent,’ zei hij.

Buiten op de stoep keek ik naar het papier in mijn hand. Natuurlijk wilde ik het meteen uitvouwen, maar ik nam mijn zijn opdracht serieus en stopte het in mijn binnenzak. Op de racefiets voelde ik het vel branden in mijn jas. Ik keek om me heen, ik was spichtig en alert, een beetje als een hoerenloper die bang is een bekende tegen te komen als hij het bordeel verlaat. Het fietsen ging hard. Ik kon er weinig aan doen, ik stampte op de pedalen, ik beukte in de tegenwind, het zweet verscheen al snel op mijn rug. Ik vloog langs de andere fietsers, langs joggers, langs een oudere mevrouw met een hondje en kon maar net een geblindeerde Mercedes ontwijken. De rit die me normaal twintig minuten zou kosten, legde ik nu af in maar iets meer dan de helft daarvan. Voor mijn huis remde ik hard. Ik gooide mijn fiets tegen de heg en stapte snel naar de voordeur. Zodra ik binnen was, trok ik mijn jas uit en grabbelde ik in mijn binnenzak. Ik ging zitten op de onderste trede van de trap. Ik keek naar het papier. Mijn hart zat in mijn keel. En hoewel ik moest lachen om mijn eigen stress, voelde ik dat wat er op het papier stond belangrijk was. Ik haalde adem en opende het pakketje.

Er stond, in een lelijk handschrift: ‘De Boeddha zegt: verwacht geen applaus.’

Over de auteur

Vincent Cardinaal (1982) is schrijver en cultuurjournalist, en is verbonden aan het Vlaamse weekblad Humo. Hij schrijft fictie en non-fictie, woont in Rotterdam en is ook nog eens werkzaam in de wereld van dak- en thuislozen en de verslavingszorg. Dit alles moet samen gaan komen in een boek dat hij zo langzamerhand wel eens mag afronden, maar dit geheel terzijde.

Over de illustrator

Anna van Duijn (1994) tekent en woont in Leiden. In 2017 is ze afgestudeerd aan de HKU als illustrator. Datzelfde jaar richtte ze kunstenaarscollectief Stichting ROEM op, om zich met jonge Leidse makers te kunnen omringen. Sindsdien is ze freelance illustrator en werkt ze voor ROEM. Haar werk gaat vaak over ‘hoe mensen doen’. Zie anna-june.com of bekijk haar Instagram.

Lees meer uit de categorie De Toerist kort verhaal themamaand

De Toerist: En hij zag dat het goed was

Door Chris Kok

Ik haast me richting de dranghekken en wurm me naar de voorste rij. Aan de andere kant heeft een explosie plaatsgevonden. Een pand staat in de hens, ledematen liggen verspreid over het asfalt. De zon schijnt. Het is een mooie dag.      Ik zie rampen als onvermijdelijk. De mens snakt naar orde, probeert het […]

ontwerp: Artur Schmal Studio / ontwikkeling WordPress: Daniël Philipsen